Dinsdag 24/11/2020

‘Ik mag hopen dat er maar weinig van mij in Kabouter Wesley zit’

n 2004 was hij nog de slungelige kunststudent die met zijn eindwerk Flatlife een prijs wegkaapte in Cannes en daar op het podium balorig stond op te roepen “niet voor Bush te stemmen”. Zes jaar later oogt hij iets gevulder. Zijn ideologisch linkse discours klinkt nog door, zij het beredeneerder. Hij bleef succes en bijval oogsten, onder meer met de groep Neveneffecten, met ‘dink’ Marcel in Willy’s en Marjetten en nu staat hij volop in the picture met de door hem bedachte neurotische, vuilbekkende kabouterversie van een psychopaat, Wesley genaamd. Binnenkort wordt Kabouter Wesley voor even op prepensioen gestuurd. Druk om daarna nog meer en nog betere dingen te bedenken voelt Geirnaert echter niet.“Ik denk dat ik die druk altijd vermeden heb. Stel dat ik de reflex had gehad om, na die prijs in Cannes, nog meer kortfilms te maken die nog beter moesten zijn, dan had ik wellicht met grote druk moeten afrekenen. Met onze groep Neveneffecten zijn we toen resoluut naar een ander medium getrokken, naar televisie, via en dankzij Woestijnvis. Samen wilden we iets nieuws maken, nieuwe comedy.”

Maar precies met animatiefilmpjes creëerde je deze hype. Je ging wel terug naar je oude liefde.

Geirnaert: “Het gekke is dat Kabouter Wesley eerst een strip in Humo was. Pas later werd het een animatierubriek in Man bijt hond. Het was niet eens mijn idee om van de kabouter een animatieserie te maken. Woestijnvis suggereerde het.”

Kabouter Wesley was ook niet nieuw, want leidde een teruggetrokken leven ergens in een ladekast op je bureau.

“Kabouter Wesley werd geboren toen ik met Flatlife bezig was. Het was echt monnikenarbeid, het animeren van mijn eindwerk. Ik hing uren boven mijn lichtbak met op de achtergrond de nachtprogramma’s van Radio 1. Op een bepaald moment raakte ik danig gefrustreerd door het repetitieve karakter van het werk. Ik baalde, nam een paar A4’tjes en probeerde iets uit met een viltstift. Een beeldverhaaltje over een kabouter.”

Je kwaadheid werd er via hem uitgeborsteld.

“Ergens wel, en dat resulteerde in die kwade kabouter. Ik was het zo beu om ‘goed’ te tekenen, om het goede verhaal te maken, de juiste vorm te vinden, alles keurig te ordenen. Dus tekende ik opzettelijk iets slechts met een slecht verhaal. Een soort antiding in alle opzichten: antitekening, antiplot en antifiguur. In een klein kwartiertje was de eerste kabouterstrip geboren. (zie schets hiernaast) Pas in het voorjaar van 2008 ben ik die tekening weer tegengekomen in een kast met paperassen. Tiens, dacht ik, misschien moet ik hier een properdere versie van maken. Al in het allereerste avontuur sloeg de kabouter een paddenstoel op zijn muil, met als enige praktische probleem dat die paddenstoel geen muil had. Het absurdste en onnozelste, dus. In de andere afleveringen zou er een vaag homeopathische plot in kruipen.”

Vanwaar de naam Wesley?

“Dat gebeurde tamelijk intuïtief. De naam Wesley heeft gewoon een goede connotatie voor dat soort figuur, leek me.”

Zoals een Johnny of een Lesley, een wat marginale naam?

“Dat zeg jij. Nu moet ik heel voorzichtig zijn en een politiek correct antwoord bedenken. (denkt na) Ik vind er geen.”

Heb je ooit een Wesley gekend?

“Er zat er eentje bij ons op de lagere school. Hij woonde in zo’n typische confituurwijk. Je kent dat wel, met straatnamen van bessen of andere fruitsoorten. Ik was niet echt een vriendje van Wesley en hij heeft me ook niet geestelijk bevrucht met zijn avonturen. Men vraagt me soms of dat kaboutertje op mij gelijkt. Eerlijk, ik mag hopen dat er weinig van mij in die kabouter werd afgesplitst.”

Misschien een ondergesneeuwde agressieve kant?

“Wie weet? We zullen dat maar aan psychologen overlaten.”

Kabouter Wesley is zeer begeerd, vooral bij jongeren. Wordt hij door zijn succes iemand anders in jouw hoofd?

“Het is niet omdat Kabouter Wesley wat gehypet wordt dat ik op een andere manier aan hem werk. Ik begrijp wel uit de reacties op YouTube en in Nederland dat men nogal aangetrokken wordt door avonturen waarin iets meer geweld of grof taalgebruik zit. Ook daar houd ik geen rekening mee. Ik zal dat aspect nu niet extra benadrukken.”

Waarom zou men Kabouter Wesley zo leuk vinden?

“Zogenaamde hypes krijgen weleens het verschrikkelijke etiket ‘vernieuwend’ opgeplakt. Ik denk dat het eerder hierover gaat: je ziet iets in een vorm zoals je het nog niet eerder zag. Neem het voorbeeld van South Park. Iedereen was tot dan toe klassieke animatie gewoon, zelfs The Simpsons beantwoordden nog aan een soort klassiek patroon. Maar ineens stonden daar een vijftal lagereschoolkindjes in een rudimentaire tekenvorm, die men in frontaal aanzicht liet rondstappen op het scherm. Het zag er niet uit en het was bijwijlen extreem grof, maar het sloeg in als een bom.”

Idem voor het nieuwste succes op YouTube: ‘New Kids on the Block’, filmpjes over een groepje hangjongeren in Nederland die agressief, spuwend en vloekend de medemens jennen. Waarom trekt precies dat aan, denk je?

“Wat jongeren vermoedelijk aantrekt in de Kabouter Wesleyverhalen is dat het er zwaar over is, omdat het niet mag, omdat daar alles gebeurt wat zij niet mogen vanuit hun correcte opvoeding. Nu, ik heb begrepen dat Wesley zelfs op lagere scholen populair is, dat is toch redelijk onverwacht.”

Kinderen van zeven jaar die op de speelplaats staan te roepen: ‘Ik ga op uw muil slaan.’ Zoals destijds met jullie typetjes uit Willy’s en Marjetten. Die werden ook door de kleinsten geïmiteerd.

“Lachen met het absurde en het antikarakter van iets, zie je doorgaans meer bij jongeren. Bij kinderen draait het vooral om het onnozele, denk ik, en om die zinnetjes die terugkomen. Kabouter Wesley ziet er ook uit alsof hij door een kind is bedacht, uitgeschreven en getekend.”

Zie je de figuur Kabouter Wesley graag?

“Niet bepaald. Ik ga hem ook niet personaliseren. Hij loopt niet met me mee. Hij is trouwens niet echt iemand bij wie je de nood voelt om je empathisch te binden. Hij zou dat ook niet echt waarderen. (lacht)”

Is hij eindig, de kabouter?

“Jazeker, voor mij toch. Om het Man bijt hond-seizoen af te maken moet ik nu nog tien extra avonturen tekenen. Intussen zijn er twee klaar. Ik was er in mei in Humo mee gestopt omdat ik aanvoelde dat het moeilijker werd om inspiratie te vinden. Bovendien werd de druk van de deadline te groot. Ik zat elke donderdagnacht door te werken. Ik bleef tevreden over het resultaat, maar het was op den duur niet meer leuk om te doen.”

Kun je je eigen typetjes dan beu worden?

“Dat denk ik wel. Jeroom heeft dat ooit eens verteld. Hij bedenkt figuurtjes zoals Jos Het Debiele Ei of Ridder Bauknecht, die ineens geweldig populair zijn, maar hij schept er ook genoegen in die figuurtjes af te maken, te elimineren.”

Ga je Wesley ooit ‘killen’?

“Kabouter Wesley is eigenlijk al gestorven tijdens zijn allereerste avontuur. Nadat hij de paddenstoel op zijn muil heeft geslagen, wordt hij overreden door een trein. ‘Knal, de kabouter is dood. Einde’, stond er. Het is meer regel dan uitzondering dat het uitmelken van een tv-serie of van typetjes een terugval betekent qua succes. Voor een maker is het trouwens belangrijk om steeds nieuwe zaken te bedenken, zodat hij niet blijft vasthangen in zaken waarvan hij al genoeg bewezen heeft dat hij het kan.”

Moet je nooit rekening houden met de kijker, die het gewoon graag ziet? Heeft die geen recht op meer van hetzelfde?

“Neen. Je mag je nooit laten dicteren door je publiek, hoe groot dat ook is. Nu, na die laatste tien afleveringen zal het hoe dan ook even genoeg zijn geweest. Misschien dat ik na een paar jaar, als het weer rustiger is, opnieuw zin of inspiratie krijg, of niet. We zien wel. Binnenkort starten we trouwens weer met Neveneffecten. We gaan brainstormen over een nieuwe serie voor de televisie.”

Waarom blijft De Neveneffecten wel bestaan? Waarom werken jullie wel aan een derde reeks?

“Omdat het niet de derde reeks van Neveneffecten wordt, maar iets totaal anders. Wij zijn ook gewoon een groep jongens die graag samen zaken bedenken, verhalen maken en uitvoeren. Omdat het goed werkt, omdat we elkaar nog lang niet beu zijn.”

Jullie zijn altijd met humor bezig, in de een of andere vorm. Slijt de inspiratie niet met het ouder worden?

“De manier waarop we werken verandert een beetje, maar we hebben humor maken met De Neveneffecten nooit als iets dwingends ervaren. We hadden gelukkig ook verschillende podia: theater, tv. Het is zo logisch. Het is hetzelfde als aan Tom Barman vragen waarom hij steeds met muziek bezig wil zijn.”

Hij maakt ook films, hij schrijft.

“Oké, slecht voorbeeld. Wat ik bedoel is: je hebt een elan waarin je elkaar nog altijd vindt. Intussen zijn er wel natuurlijke evoluties en vraag je jezelf af of je onbewust al rekening begint te houden met grenzen. Het onnozelste en meest anarchistische van Neveneffecten was toen we een natuurdocumentaire naspeelden met onszelf in de rol van wilde dieren. Lieven Scheire zei daar ooit over: ‘Stel dat dit het absurdste is wat we ooit voor tv hebben gemaakt.’ Het werd als een soort vrees geformuleerd. We evolueerden natuurlijk technisch gezien. We kregen een goede begeleiding van Woestijnvis. Maar die vorm van anarchie mochten we nooit laten vallen, vonden we.”

Waarom de focus op dat anarchistische?

“Anarchistisch staat hier los van alle andere connotaties. Het gaat er gewoon over dat je iets maakt zonder je iets aan te trekken van conventies. Dat je durft te zeggen: we maken een scène over een ijsbeer op de Noordpool, maar bij gebrek aan geld leggen we een zwembad vol piepschuim en verkleden we ons als beer, en om het te doen sneeuwen schuren we stukken piepschuim tegen elkaar. Anarchie betekent dan: het moet er niet goed uitzien. Integendeel, het moet er soms vooral opzettelijk slecht uitzien. Kabouter Wesley is in dat opzicht heel anarchistisch.”

Ben jij nog de anarchist zoals je je profileerde na Cannes?

“Ik noem mezelf niet zo. Ik heb wel zeer linkse sympathieën. Zes jaar geleden heb ik ook al op de lijst van de PVDA gestaan. Ik probeer echter wat ik maak en wat ik denk of ben gescheiden te houden. Kabouter Wesley of wat ik doe met Neveneffecten heeft niets te maken met mijn politieke overtuiging.”

Maar ontspruit zo’n Wesley niet net aan een geest die gevestigde structuren voortdurend in vraag stelt?

“Kan zijn. Mijn overtuiging blijft ook gestand. Niet op de oude wijze. Ik juich bijvoorbeeld de evolutie van de PVDA geweldig toe. De partij groeide weg van oubollige propagandabeelden, van de piramide met bovenaan de uitbuiter en daaronder de onderdrukte. Wat mij in de huidige maatschappij stoort, is dat werkelijk alles draait om de bedrijfsreflex ‘je moet ondernemen en een onderneming moet zoveel mogelijk winst maken’. Veel zaken worden in dat systeem ondergebracht, ook gezondheidszorg, energie, nieuwsgaring en verzekeringen. Dossiers die niet langer de taak zijn van de overheid, en dat vind ik spijtig. Neem Electrabel. (zucht diep) Pas op, want nu ga ik me even opwinden. (luider) Ik vind het misdadig hoe zij miljarden binnenhalen, het is ‘bedrijf geworden maffia’. Hun werking wordt binnen de politiek te weinig in vraag gesteld. “Waar ik de jongste tijd steeds meer over pieker, is dat we zo verspillend handelen. Iets in mij zegt dat over driehonderd jaar mensen eens heel kwaad zouden kunnen terugkijken op onze generatie en zeggen: ‘Werkelijk erg, zoals zij toen met onze grondstoffen omsprongen. Die verniel- en verspilzucht.’”

Hoe vroeg is dat besef er bij jou gekomen?

“Vrij vroeg. Het werd thuis gevoed. Mijn ouders waren zeer vrome katholieken, maar tegelijk ook progressief. Mijn moeder gaf logopedie in het bijzonder onderwijs en in een revalidatiecentrum. Zij kwam vaak in contact met de vierde wereld en kansarmoede. Het gebeurde weleens dat twee broers die thuis in een verschrikkelijke situatie zaten en bij wijze van spreken niet wisten waar ze na school naartoe moesten bij ons opgevangen werden. Ik heb ook een soort pleegbroer, een jongen die precies twee dagen ouder is dan ik en een tijdlang bij ons heeft ingewoond omdat het moeilijk was bij hem thuis. “Ik was een jaar of elf toen ik die schrijnende verhalen hoorde. Niet dat ik me zo sterk inleefde. Ik herinner me zelfs dat ik een nogal egoïstische reflex had als hij op mijn terrein kwam. Toch zijn we met die wetenschap opgegroeid en kregen we boodschappen mee. Later ben ik kwaad geworden op de buitenwereld, omdat zulke sukkelaars nooit de prioriteit krijgen als het crisis is, als de economie slecht draait, maar evenmin als de economie goed boert. ‘Tout le pouvoir aux soekeleirs’ was de ontroerend mooie lijfspreuk van de in 2005 overleden kunstenaar Wilchar.”

Men zou ook kunnen zeggen: jij hebt makkelijk praten. Je hebt een exclusief contract bij een zelfstandig productiehuis dat mooie winsten maakt en dat precies de openbare omroep als klant heeft, die met overheidsgeld is betaald.

“Voor een deel is dat een terechte opmerking. Ik weet dat ik meer verdien dan de gemiddelde arbeider en misschien zouden sommigen me willen catalogiseren bij de salonmarxisten. Wat Woestijnvis betreft: het bedrijf maakt effectief winst dankzij een goede deal met de VRT, maar voor de dingen die wij met De Neveneffecten willen doen, kunnen we niet beter zitten dan bij Woestijnvis. We krijgen er de middelen, worden geweldig goed omringd en kunnen ongedwongen ons talent ontwikkelen zonder afstand te moeten doen van onze principes. Als je principieel kunt leven, werken en in de wereld staan, lijkt me daar ook niets mis mee.”

Hoe principieel leef jij?

“Ik probeer dat. Ik weiger mee te doen aan het vuile spel van banken die ons spaargeld in allerhande onethische smeerlapperij investeren. Mijn spaarcentjes staan bij een ethische bank. Ik ben er na zeven maanden administratieve pesterijen van Electrabel in geslaagd mijn contract daar te beëindigen. Nu zit ik bij een groene elektriciteitsleverancier. “Wat Kabouter Wesley betreft, heb ik beslist dat ik uit de beperkte merchandising geen winst wil halen. Mijn deel van de winst gaat naar een goed doel. Dat is mijn bescheiden manier van participeren in dat grote, principiële debat. Maar ik ben geen heilige natuurlijk. En ik doe niet genoeg mijn best, vind ik. Maar ik probeer het wel.”

Wat met je persoonlijke engagement, façon je ouders?

“Ik weet niet of ik het zou kunnen. Hoe mijn ouders bijvoorbeeld jarenlang hun buren, een vluchtelingengezin, hielpen. In mei 2000 was dat gezin uit Noord-Ossetië in België aangekomen en vanuit Brussel naar het OCMW van Wachtebeke doorgestuurd. Het OCMW belde mijn ouders op, omdat ze wisten dat mijn broer Russisch spreekt. Hij is toen gaan tolken voor dat gezin. Mijn grootmoeder, die naast ons woonde, was pas gestorven. Tot vorig jaar konden ze in haar huis verblijven tegen een kleine huurprijs. Intussen zijn die mensen zowat de beste vrienden van mijn ouders geworden. Hun kinderen liepen bij ons in en uit, gebruikten de computer, speelden bij ons op de piano. Nu wonen ze iets verderop. “Ik heb veel geleerd uit de contacten met hen. De hele vluchtelingenkwestie werd heel concreet voor mij. Het was niet langer een zaak die ik door de ogen van politici of opiniemakers moest zien. Ik merkte het gesukkel met regularisatiepapieren op, zag hoe onrustig, machteloos en angstig mensen daarvan werden. Het wereldprobleem van de migratie kreeg op die manier een persoonlijk etiket. Ik ben natuurlijk niet zo naïef om te zeggen: haal iedereen maar binnen en regulariseer maar als gek. Maar ik heb wel ingezien dat elk dossier een individuele zoektocht is naar een minimum aan levenskwaliteit.”

Ben je soms niet een beetje naïef, in de zin van ‘onbevangen’?

“Ik weet niet of ik zo naïef ben. Een dosis onbevangenheid, daarentegen, is wel handig. Daar bovenop ben ik in het leven niet te geconditioneerd. Ik zit ook nog niet in de fase van verantwoordelijkheden zoals een huis kopen en kinderen hebben, maar ik sluit niet uit dat dat er binnen enkele jaren van komt. Dan zal ik uiteraard tot meer regelmaat worden gedwongen. “Bij ons gebeurt het regelmatig dat mijn vriendin en ik tot 2 uur ’s nachts doorwerken, zoals gisteren nog, en dan plots honger krijgen en nog een pizza in de oven duwen. Maar ook dat staat los van het werken op zich, van het keihard in je werk geloven, van de energie die je daarvoor telkens weer wilt losmaken.”

Wat wil je hoe dan ook vermijden?

“Herhaling. Of in opdracht van anderen en zonder voeling met je product dingen moeten maken.”

Wat vind je van de buitenlandse interesse in Kabouter Wesley? Zal hij binnenkort in het Engels iemand op de muil mogen slaan?

“Wie weet? Er is een vaag plan om een Engelse of Franse versie van Kabouter Wesley te maken, maar dat is nog niet voor binnenkort. Vooral de vertaling lijkt me een echte uitdaging. ‘I’m gonna hit you in the face’ klinkt niet zoals ‘Ik ga op uw muil slaan’.”

En ‘godmiljaar’? Wat doe je daarmee?

“Ik zou het niet weten. Dat zal dus nog een obstakel worden. Want hoe krijg je diezelfde connotatie zoals wij het hier aanvoelen? Niet simpel.”

Waarom worden er eigenlijk voortdurend muilperen verkocht? Bij Willy’s en Marjetten was er ook al ‘de djoef op de muil’.

“Ik heb pas twee maanden geleden die connectie ontdekt. Die djoefs zoals in Willy’s en Marjetten waren voor de goede orde niet mijn idee.”

Maar wordt er in Wachtebeke dan zo veel op gezichten getimmerd?

“Zo traditioneel als de eskimo’s neuzeneuze doen, zo worden er in Wachtebeke muilperen uitgedeeld. Neen, ernstig, die djoef is gewoon heel grappig. En bij Willy’s en Marjetten zat achter dat gegeven ook de vraag: waarom niet eerst met je buurman praten voor je hem een pak rammel verkoopt? Het ging dus au fond over het thema ‘zinloze baldadigheden’.”

Hoe sta je zelf tegenover geweld?

“Heel negatief. Al ben ik ook daar niet te naïef in. Ik vond bijvoorbeeld de landing in Normandië en het Russische offensief tegen de nazi’s een heel goed idee wat het gebruiken van geweld betreft. Maar als ik geweld zie, word ik heel misselijk. Ook als het niet echt is, zoals in films. Zodra er in films klappen worden uitgedeeld, lichaamsdelen in het rond vliegen of het bloed van het scherm spat in programma’s waarin mensen geopereerd worden, trek ik bleek weg. Ik kan er echt niet tegen.”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234