Vrijdag 27/01/2023

'Ik lijk liever op mezelf'

Eindelijk heeft hij 'm dan gekregen. Het werd tijd ook: Gerrit Krol (°1934), een van de bijzonderste en verslavendste schrijvers die in het Nederlands publiceren, heeft sinds zijn debuut met de korte roman De rokken van Joy Scheepmaker (1962) een respectabel en alleszins P.C. Hooft-waardig oeuvre van romans, verhalen, poëzie en essays op zijn naam gebracht. Volgende week verschijnt zijn 46ste boek, de merkwaardige dichtbundel Geen man, want geen vrouw. Een gesprek over de superioriteit van de laatste, de schlemieligheid van de eerste, over het hiernamaals en rederijkerij.

Gerrit Krol

Geen man, want geen vrouw

Querido, Amsterdam, 64 p., 668 frank.

Herman Jacobs

'Als je niet op een club gaat, ga je van eenzelvigheid een club in je eentje vormen," schreef hij in zijn autobiografische roman De oudste jongen (1998). Die club in zijn eentje is Gerrit Krol blijven vormen, in de literatuur dan. Hij studeerde wiskunde en heeft tot zijn pensionering als computeranalist gewerkt, eerst voor de Shell, later voor de Nederlandse Aardolie Maatschappij. Wat je noemt een onromantische en op het eerste gezicht ook anti-artistieke carrière, die hem overigens wel in Noord-Afrika, de Perzische Golf, Nigeria, Venezuela, de Antillen, Canada en de Verenigde Staten heeft gebracht.

Maar wat heet artistiek? Krol heeft zich ontpopt als een literaire duizendpoot, die in zijn even boeiende als grillige werk ook nog eens ongebaande paden betrad. Zijn tweede boek, Het gemillimeterde hoofd (1967), was meteen al een essay-roman over "het mechanisme van de taal, in het bijzonder van de wiskunde en de mogelijkheden die de wiskunde biedt aan een mens om zich verstaanbaar te maken", vol meetkundige figuren, logische waarheidstafels en wiskundige formules. In de daaropvolgende, hoekig komische roman De ziekte van Middleton (1969), werd de lezer dan weer vergast op allerlei plaatjes, niet het minst van blote vrouwen met een imposante bos hout voor de deur. Hij schreef een roman met als hoofd'personage' een computer (De man achter het raam, 1982), laconiek-'wetenschappelijke' poëzie (bijvoorbeeld Over het uittrekken van een broek (1970), met daarin het onweerstaanbare titelgedicht: "In het algemeen zijn er twee broeken, / (a) de eigen broek, (b) de broek / van een ander. // Trekt men zijn eigen broek uit dan / heeft men het voordeel dat men daarbij / alleen kan zijn. Trekt men evenwel / de broek van een ander uit dan is men daartoe / op z'n minst met zijn tweeën. Men kan / in zo'n geval / ook / de broek van elkaar uittrekken / (dualisme). (...)"), en een scherpzinnig essay waarin hij aantoonde dat alle argumenten tegen de doodstraf onverkort ook tegen gevangenisstraf überhaupt aangevoerd kunnen worden (Voor wie kwaad wil, 1990). Dat laatste is hem destijds in Nederland niet in dank afgenomen. En bij alle waardering van de kritiek voor zijn literaire werk is er geen boek van hem ouder dan vijf jaar nog in de handel. Maar populariteit is voor Krol geen criterium - en overigens, tekent hij hierbij aan, "ik kan wel alles publiceren wat ik wil. Wat ik aanbied, wordt uitgegeven. Dat is lang niet overal zo. In Amerika bijvoorbeeld. Ik ken daar schrijvers van mijn slag, zeg maar, die zullen nooit een uitgever vinden."

Ondertussen is hij uiteraard wel in zijn schik met de hem toegekende P.C. Hooftprijs: "Ik heb een sterke eerzucht. Als schrijver ben je ijdel, je vertoont je met dingen waar niemand om gevraagd heeft. Dan is het toch wel prettig als dat publiekelijk gewaardeerd wordt. Zo'n prijs dient overigens zeker voor de helft voor je familie en je persoonlijke omgeving. Ik woon in een dorp" - we praten bij hem thuis in Oudemolen, onder de rook van het Drentse Assen, een paar tientallen kilometers bezuiden zijn geboorteplaats Groningen - "waar men mij ziet als 'die man die schrijft'. Voor die mensen heeft die prijs een geweldige geldigheid. 'Zie je wel, hij kan er toch wat van.'" Hij zou natuurlijk ook àndere, meer bij de hoofdstroom aansluitende boeken kunnen schrijven. Maar Krol plant zijn vlag liever in niemandsland. "Ja, daar komt het wel op neer. Die fysieke neiging heb ik sterk. 'Dit is niemandsland, hier sta ik als eerste.' Ik lees zulke schrijvers ook graag, die een beetje buiten de klassieke termen vallen. Neem Viktor Sjklovski, kent u die? Zo'n boek als Brieven niet over de liefde. Ik ken geen boek dat daarop lijkt, dus dat vind ik een mooi boek. Dat criterium hanteer ik vaak, ook onbewust bij mezelf. Ik heb geen enkele neiging om een boek te schrijven dat een beetje lijkt op een boek dat er al is. Ik lijk liever op mezelf."

Zichzelf, dat is bijvoorbeeld dit (uit het openingsgedicht 'Sprookje' van zijn over enige dagen verschijnende dichtbundel Geen man, want geen vrouw):

Geen man, want geen vrouw.

Man kijkt tv, drinkt koffie, kijkt het raam uit. Belt misschien nummer van fin. onafh. vrouw, begin veertig, eenzaamheid beu. Niet de man, maar de vrouw. Zoekt man met gevoel voor humor, die met haar in sprookjes gelooft die nog werkelijkheid kunnen worden. Niet de vrouw, maar de man.

Niet het raam uit, maar in zijn ooghoeken duim en middenvinger, ten teken dat hij nadenkt.

En even verderop:

Man aan tafel. Kauwt de ene hap na de andere. Geen servet en geen mes. Eet slechts met vork, want alleen.

Man aan tafel. Heeft servet omgeknoopt. Bij de boord ingestopt. Eet met mes en vork. Want eenzaamheid beu.

En zo voort. Niet wat de argeloze lezer zich zo gauw onder poëzie voorstelt, kun je wel zeggen.

"Ik heb het procédé ooit overgenomen uit de befaamde determineertabellen van flora- en vogelboekjes," licht Krol toe. "Dan staat daar, voor een vogel bijvoorbeeld: 'witte kuif, roestbruine vlekjes aan weerszijden'. En vervolgens: 'geen roestbruine vlekjes, dan geen koolmees. Zoek verder op pagina 35.' Dat heb ik ook wel toegepast in die eerdere dichtbundel, De kleur van Groningen (1997; overigens gepubliceerd als verhalenbundel, HJ). Ik was erg gecharmeerd van die stijl van schrijven, en die heb ik me een beetje eigen gemaakt. Ik ben er zo mee vertrouwd. Ook als iets iets niet is, en je noemt het en je zegt erbij dat het dat niet is, dan onthou je het toch." Geen man, want geen vrouw. Een man is geen man zonder vrouw?

"Nou, zo kun je het voelen. Ik voel het niet zo, omdat ik niet alleen ben, maar het kan best zo zijn dat je dat dan zo voelt. Het gedicht gaat over een eenzame man."

Op het achterplat van zijn laatste roman, De vitalist (2000), staat een citaat van de critica Marja Pruis: "Ik (ken) geen opwindender lectuur dan het werk van Gerrit Krol. Hij is voor mij het raadsel man in optima forma." Je zou Krols werk inderdaad uitgesproken mannelijk kunnen noemen - al zijn de mannen die hij daarin opvoert over het algemeen niet zo erg geslaagd uitgevallen.

"Ja, ze zullen wel hun kleine gebreken hebben. Ik neig ertoe de mens, en de man in het bijzonder, een beetje als de pineut voor te stellen."

De vrouw is sterker?

"Jaa... Ik mag graag bewonderend over de vrouw schrijven. Of dat nou mannelijk is, dat weet ik niet. Al doet zo'n opmerking als van Marja Pruis mij wel goed. Ik heb een beetje de neiging om de man troost te laten zoeken bij de vrouw. Dus ik denk wel dat de vrouw sterker is dan de man, ja.

"De vrouw vertegenwoordigt ook een hoop romantiek. En romantiek is natuurlijk wens, is nacht, het tegengestelde van werkelijkheid. Mijn boeken zijn, behalve een neerslag van mijn leven, ook een neerslag van mijn leven zoals het niet geweest is, droom. Of een wens, of een vrees - het gaat ook over verborgen angsten. Er is ook helemaal niks verkeerd aan om dat eens op te schrijven. Het is ook weleens vaker niet waar - dat ik iets opschrijf waarvoor ik bang denk te zijn terwijl ik er eigenlijk helemaal niet bang voor ben. In dat opzicht ben ik een fantast. Maar ik vind het wel prettig als men gelooft dat het waar is wat ik schrijf. Dat ik dus mijn gang kan gaan. En dat doe ik."

Inderdaad. Een goed voorbeeld is het al genoemde De vitalist, waarin Krol ontluisterend de omgang tussen drie zogenaamd bevriende stellen tekent, die onbekommerd met elkaars partners te bed gaan. Een van de drie mannen, Johan, vermoordt op zeker ogenblik een van de drie vrouwen, Barbara. Tot dusver niets bijzonders aan de hand - maar minder gewoon is het slot van het boek, dat nergens anders dan in het hiernamaals speelt.

"De uitdaging van dat laatste boek is geweest dat ik een soort toneelstuk wilde schrijven. Op bladzijde vijf vind je de dramatis personae, drie stelletjes, zo heel ver verwijderd van een toneelscript is dat niet. Er is veel dialoog. Ik wou ook daardoor gedwongen zijn om nieuwe mensen die toekomen op dit drama te elimineren. De enige die ik toelaat is God zelf, in het boek Nederik genoemd. Maar ik hou het bij zes mensen, wat een typische eigenschap is van toneel. Anders wordt de boel onoverzichtelijk op 't end. Daar heb ik de pest aan.

"Er zijn tal van overwegingen die mij, ten eerste, brengen tot het schrijven van zo'n boek, en ten tweede tot het uitproberen van zo'n stijl. Zoals een metselaar ook weleens wat anders wil dan in het gewone, klassieke verband te metselen. Ik schrijf nogal eens een bladzijde waarvan ik denk, dit kan helemaal niet. Als ik dat gevoel heb, dan voel ik me als schrijver wel op mijn plaats."

Inderdaad worden Johan en Barbara in het paradijs gelukkig verenigd. 'Maar mijnheer Krol - dat kàn toch helemaal niet?'

"Nee. Maar als het goed is, geloof je het wel. Daar is het boek voor. Ik heb ooit Pedro Páramo gelezen, van Juan Rulfo. Daarin treden ook mensen op die uit de grond opdoemen, die zeggen wat en verdwijnen weer, als een soort gemurmel. Nou, als ik zoiets lees, dan staat de schrijver in mij op, dan voel ik me uitgedaagd om ook zoiets te doen. Ik wou wel een boek schrijven waarin het hiernamaals functioneert."

Waarom?

"Nou, je bent vakman of je bent het niet," antwoordt de schrijver met een lachje. "Dat is voor mij een hele sterke prikkel, iets maken zoals het nog niet eerder gemaakt is. Een beetje de experimentator in mij.

"Op het eind laat ik Johan zelfmoord plegen, want dat verdient-ie. Dat is mijn moraal in dat boek, en in veel van mijn boeken, iemand die een onschuldige andere vermoordt, die moet zelf die dood delen. In de eerste versie liep hij de zee in en verdronk. Een van mijn eerste lezers vond dat nu niet zo'n vreselijk sterk einde, omdat er in Maurits en de feiten (zijn geruchtmakende, qua thematiek zeer met De vitalist gelijklopende roman uit 1986, HJ) precies hetzelfde gebeurt. Toen ben ik op het idee gekomen om het spel duidelijker te beschrijven. Johan laat zich door Barbara tot de dood verleiden. Zij wordt zijn beul - vanuit het hiernamaals. Heel elegant, niemand blijft met vragen zitten. En een happy end ook nog."

Ondanks alles komt de moordenaar er nog het beste uit.

"Ja, al was dat niet mijn bedoeling. Maar het is inderdaad opmerkelijk. Een recensie had als kop: 'De goede moordenaar'. Dat geeft het wel zo'n beetje weer.

"Ik ben niet consequent, en dat wil ik ook niet zijn als schrijver. Maar ik wil wel door een rationele gedachtengang op een ander terrein van de aarde komen en daar mijn weg vinden. En dat doe ik dan soms op een irrationele manier."

Zij het dan niet zozeer in zijn gedichten, een genre waarin je dat toch eerder verwachten zou.

"Ja, het opzetten van de manier van schrijven die ik in Geen man, want geen vrouw gebruik, dat is iets wat ik heel bewust en rationeel, analytisch heb gedaan. Ik dacht, in een zucht om het anders te doen - zo banaal is het -: wat is nou het typische van een gewoon, klassiek gedicht? Dat het rijmt. Wat is rijmen? Dan lijken twee woorden op elkaar. Wat is een woord? Een woord staat voor een beeld. Maar als je nu eens niet de woorden, maar de beelden laat rijmen? Dan lijkt 'zon' op 'maan', bijvoorbeeld. En toen heb ik dingen genomen die op elkaar leken."

Een soort rederijkerij, zou je bijna kunnen zeggen.

"Ja. Een schrijver moet een hoog idee hebben van de vorm die hij hanteert. Dat is de charme van veel boeken. Als het een verhaal is over een moord, en de vorm heeft zich helemaal mee laten zuigen door het smerige dat een moord eigenlijk is, dan heeft het de aantrekkingskracht van een opera haast. Ik heb trouwens al heel lang het idee om een boek te maken met hetzelfde gehalte aan pathos als een opera."

Krol en pathos? Dat moet een boek opleveren waar je vele andere met plezier ongelezen voor laat. Ondertussen kunnen we ons vast al verdiepen in de raadselachtige nuchterheid van Geen man, want geen vrouw, waarin de poëzie overal gevonden wordt waar anderen ze veelal niet gaan zoeken. In de eentonigheid van het Groningse landschap, bijvoorbeeld. In een oude oorlogsbodem. De delta van een rivier. Of in een elektriciteitscentrale, zoals in deze zeer typerende regels (uit het gedicht 'Hunzecentrale'):

Op de horizon de elektrische centrale. Vijf rokende pijpen. 120 meter.

Geen rook, maar water. Geen water, maar methaan.

Vijf pluimen tegen de hemel. Vijf evenwijdige pluimen die schrijven dat de wereld volmaakt is.

'Ik ben niet consequent en dat wil ik ook niet zijn als schrijver'

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234