Zondag 24/10/2021

'Ik lijd aan veel dingen, maar niet aan valse bescheidenheid'

Misschien nog meer dan de personages is de taal zelf hoofdrolspeler in het werk van Erwin Mortier. Heen en weer slingert die tussen vrouwelijke virtuositeit en de mannelijke regels van grammatica en syntaxis. Zijn personages zijn hem er dankbaar voor. Yves Desmet

Een personage tot leven wekken, is dat een lust, een last een zegen of een vloek? Erwin Mortier: "Meestal een lust toch wel, dat spannende moment waarop zich een nieuwe stem aandient. Die zich ontwikkelt tot wat ik echt belangrijk vind voor een personage: dat hij of zij een volledig leven en een volledige persoonlijkheid krijgt. Soms dringen ze zich vanzelf op, zoals Helena in Godenslaap.

"Hoe gaat dat? Je begint met de eerste zinnen van een roman, de eerste krabbels. Dan werk je aan een volgende passage. In het uiteindelijke boek zitten daar dan zes of zeven pagina's tussen, dat zwelt aan. Bij Helena merkte ik pas na een paar weken: verdorie, het is een vrouw deze keer (lacht). Eigenlijk gaat dat vrij vanzelf. Dan stel je je daarop in, laat je ze doen, stel je ze wat bij, bedenk je nieuwe dingen. Het is een soort van inwendig acteren waar je mee bezig bent."

Je doet het klinken als een echte geboorte, van embryo tot bevalling: 'O kijk, het is een meisje.' En dan ben je weg...

"Ja, eigenlijk wel. Je weet ook meteen dat zo iemand een heel sterk personage zal worden, dat ook puur compositorisch een aantal tegengewichten nodig zal hebben. Zoals haar dominante moeder, ook al zo'n leuk mens om in te kleuren, met al haar nuchterheid en haar voorkeur voor tautologische uitspraken. Tijdens het schrijven merk je dat er van alles achter je echte bewustzijn om gebeurt. Ik zou niet weten van waaruit die dingen opstijgen, maar voor een stuk is het toch zeer associatief, niet altijd bewust.

"Schrijven gaat voor mij het best als je voelt dat je op verschillende niveaus tegelijk bezig bent, haast synchroon functioneert. Je bent niet alleen die zin met die woorden aan het schrijven, je bent tegelijk ook al de redacteur die het geheel in het oog houdt en weet waar hij naartoe wil. En tegelijk tuur je in de psyche van je personage en vind je daar weer iets.

"Als dat allemaal vanzelf en tegelijk lijkt te gaan, dan zijn dat de meest magische momenten van het schrijven. Het jammere is dat je die niet kunt creëren met rituelen of andere hulpmiddelen: soms gebeurt het, soms niet. Je kunt twee, drie dagen ongelooflijk goed bezig zijn, en dan ben je het plotseling weer een week kwijt, omdat je zo intensief hebt geschreven dat je je tijdsbesef kwijt bent en je lichaam en je geest je laten voelen dat ze uitgeput zijn. Ik denk soms dat ik een uur of twee heb geschreven, terwijl het er toch zes of zeven blijken te zijn: die concentratie kun je niet voortdurend aanhouden."

Waarom werd het in Godenslaap een oude knorrige vrouw?

"Dat weet ik absoluut niet. Nee, ik weet het wel: omdat ik heel snel besefte dat het een roman zou worden met een rare anachronistische bedoeling: honderd jaar na datum de eerste echte Vlaamse oorlogsroman zijn. Want die bestond niet in onze literatuur. Ik moest haar dus oud genoeg maken om daarop terug te kunnen blikken, de distantie te leveren die ik nodig had om die periode te beschrijven. Het was ook een manier om weg te blijven van de clichés van de loopgraven, want daar waren geen vrouwen."

Ook omdat je er zo de ervaringen van de oorlogsverpleegsters in kon verwerken, van wie je nogal wat dagboeken vertaald hebt?

"Niet echt, die zitten zelfs meer verwerkt in De spiegelingen dan in Godenslaap. Ik heb die verpleegsters ontdekt omdat ik wilde weten wat vrouwen in die oorlog schreven. Het waren vrijwel uitsluitend Engelse dames, met een vrij modernistische stijl, en dat paste dus niet bij de continentale en francofone Helena.

"Maar het liet wel een vrouwelijke kijk zien op die oorlog, inspireerde me om net als zij de meest gruwelijke dingen in vaak heel lyrische registers te beschrijven. Zij konden bepaalde conventies blijkbaar probleemloos met de voeten treden. Dat was hun grootste probleem, daarom werden de dagboeken ook af en toe verboden net na de oorlog, omdat ze onverbloemd de gruwel beschreven, en ver weg bleven van de heroïek en de machocultuur die de oorlog omringde.

"Die oorlog werd ook gedragen door een enorm groot vrouwelijk logistiek apparaat: hospitalen, landbouw, ravitaillering, munitiefabrieken: het werd allemaal door vrouwen gedaan, en dus stoort het me wel dat alle herdenkingen dezer dagen vrij mannelijk worden ingevuld. Veel fallische toestanden met torens en vlaggen en uniformen..."

In je vroege werk maakten jonge pubers de dienst uit, en dan plotseling een 90-jarige vrouw: was die switch moeilijk?

"Nee, dat ging vrij vlot (lacht). Sorry, ik lijd aan veel dingen, maar niet aan valse bescheidenheid. Ik weet dat ik een talent heb, en daar vertrouw ik dan maar op. Haar stem was vanaf de eerste zinnen ook zo klaar en duidelijk dat ik er meteen gerust op was. Vanaf daar was het oscilleren tussen het intuïtieve en wat je rationeel beslist. Er is steevast die spanning tussen het boek dat je wilt schrijven en het boek dat geschreven wil worden. Als je dat tweede element niet toelaat, wordt het waarschijnlijk geen goed boek."

Bedoel je dat het personage met je op de loop gaat?

"Het is een beetje zoals met dat talent dat ik toevallig heb: ik wil dat niet mystificeren, maar mijn talent kent mij veel beter dan ik mijn talent ken. Het geeft signalen, soms springen er vonken op, en dan moet je gewoon klaarzitten met je metier, je culturele en andere bagage, om jezelf in de strijd te werpen op het ogenblik dat de vraag komt om iets op te schrijven.

"Personages werken op dezelfde manier. Het moet vloeiend gaan. Als je ze te veel ineens wil laten doen, begint dat te wringen. Ze dwingen zelf een selectie af van wat je ze kunt laten doen, denken of zeggen, en dat is fascinerend om te beleven."

Je man Lieven zei toen dat je eindelijk je ware aard ontdekt had: een negentigjarige, aan osteoporose lijdende, moeilijke tante.

"(schatert) Een klasseteringwijf. Ik hoop dat hij dat toch deels ironisch bedoelde. Maar er zit natuurlijk een dualiteit in mijn ervaring van taal. Ik ben zoals veel Vlamingen in een dialectmilieu grootgebracht waarin mannen veelal zwegen en vrouwen eindeloos taterden en zwolgen in de taal. Spraakdrift is voor mij iets heel vrouwelijks.

"Dan ga je naar school en kom je in een masculien taaluniversum, waar op dat taalmoeras waarin je ronddobberde opeens heldere, rationele regels van grammatica en syntaxis worden gezet. De taal is van de moeder, de regels zijn van de vader. Dat spanningsveld, die beide polen, vind je voortdurend terug in mijn teksten. In Godenslaap zegt Helena dat ze zich noodgedwongen als een flagellant onderwerpt aan de regels van de grammatica, waaraan je niet kunt ontsnappen."

Maar toch: kan een personage iets anders uitdrukken dan een aspect van de schrijver? En is dus ieder personage niet altijd minstens deels autobiografisch?

"Ten gronde niet, nee. Ze jatten aspecten van jezelf, maar soms maken ze daar ook een compleet spiegelbeeld van. Het zou ook saai worden als ze alleen maar mijn opvattingen zouden verwoorden. Soms houden ze je net een spiegel voor. Maar in wezen stammen ze natuurlijk uit jezelf. Godenslaap is geen autobiografie, maar het klopt natuurlijk ook dat het soms een zeer ongenadig zelfportret van de schrijver bevat.

"Het moet perfect mogelijk zijn om iemand te creëren die in zijn gedrag en waarden alles belichaamt wat ik verafschuw, maar dan nog zal hij aan mij gebonden blijven, als een negatief spiegelbeeld. Misschien wordt het wel eens tijd om een absolute klootzak in het leven te roepen (lacht). Al wordt zo iemand dan misschien te snel een vehikel voor je morele voor- of afkeuren."

Komt het personage voor de plot of omgekeerd?

"Bij mij toch eerst het personage. Het is een permanente wisselwerking: soms vind ik ze te kalm, te klassiek, en zoek ik iets om ze een schop onder de kont te geven. Maar meestal vloeit de plot voort uit waar de personages mee bezig zijn.

"Ik heb grote bewondering voor mensen die zeer plotgedreven werken. Tom Jones van Henry Fielding is waarschijnlijk de beste intrige ooit geschreven. Ik lees dat met mateloze bewondering, maar tegelijk heeft het voor mij telkens iets geconstrueerds, machinaals haast.

"Een detectiveroman moet je van mij niet verwachten, vrees ik. Ik doe als schrijver gewoon veel te graag mijn goesting, mijn talent is net mijn absolute vrijheid. In De spiegelingen experimenteer ik bijvoorbeeld graag met het personage Edgar, dat geen enkele ordening in de geschiedenis kan aanbrengen, dat ook niet durft, het verleden ervaart als een opeenstapeling van toevalligheden, terwijl je als schrijver toch probeert er wel patronen in te leggen."

Terwijl hij toch net dient om via zijn opeenvolgende minnaars een beeld van de periode van de Eerste Wereldoorlog tot en met de Tweede Wereldoorlog te schetsen...

"Ja, maar hij analyseert die niet, hij schuwt de grote narratieven, hij durft dat niet aan, schrijft de geschiedenis alleen letterlijk op zijn vel met tattoos. Hij is heel fragiel, wil zich terugtrekken in die absolute intimiteit, maar merkt dat niets hem tegen de geschiedenis kan beschermen.

"Op een dieper niveau gaat het bij mij ook telkens over taal. Men is het nu wel stilaan afgeleerd om me mooischrijverij te verwijten, maar natuurlijk is taal niet gratuit, het is nooit een vanzelfsprekend gegeven, iets wat ik gedachteloos zou gebruiken. Dat kan voor mij in literatuur niet. Helena vraagt zich voortdurend af in hoeverre taal een betrouwbaar vehikel kan zijn voor memorie, is daar heel wantrouwig over. Terwijl het boek daar paradoxaal genoeg een glorieus antwoord op is, de ontkenning van alle twijfels waar ze mee zit. Edgar redt door het vlees de taal, die even gehavend en ongeloofwaardig is geworden door die oorlog als zijn lijf vol littekens.

"Die oorlog is ook het kantelmoment geweest. Tot dan had je eigenlijk een haast kosmopolitische culturele ruimte, een drang tot creatie en vernieuwing die zich uitstrekte van Dublin tot Moskou, van Helsinki tot Alexandrië. Iets wat die twee oorlogen bijna volledig versplinterd hebben.

"De oorlog is een katalysator geweest in dat artistieke proces, heeft het dadaïsme en het extreme modernisme nog geradicaliseerd, de drang om de grenzen van de kunsten, het medium, de taal te doorbreken. Maar tegelijk was hij ook de aanzet om zich terug te trekken in een kleine, fragiele intimiteit. Die elementen zitten ook in de beide romans."

Voel je je soms de gevangene van je personages, je oorlogsthema?

"(stil) Soms wel. Ik ben eigenlijk een gegijzelde (lacht). Nee, het volgende boek zal toch weer een volgende schakel in die ketting zijn, en eigenlijk kun je Godenslaap en De spiegelingen perfect in elkaar plooien tot één roman als je dat zou willen."

Edgar is ook veruit de meest homo-erotische figuur die je ooit uit je pen hebt laten vloeien. Hoe ging dat, het expliciete taalregister?

"Wonderlijk goed (lacht). Ik wou dat hij die seksualiteit echt beleefde, daar er in de meest zinnelijke termen over sprak. Het is geen probleemnicht, of iemand die er wild op los bonkt in publieke toiletten en darkrooms. Dat ligt hem niet, daarvoor is hij te sensueel. Er moet voor hem een dimensie van liefde zijn, beminnen of bemind worden. Eindelijk eens gewoon twee venten die elkaar graag zien en stevig vrijen - wat inderdaad opvalt, omdat het veel te weinig is beschreven in onze vaderlandse literatuur."

Je riep Lucy Snowe uit Villette van Charlotte Brontë uit tot je lievelingsfiguur in de literatuur.

"Het is bedoeld als eerherstel voor een geweldige schrijfster, en Villette, dat trouwens in Brussel speelt, is haar absolute meesterwerk. Dat is onder meer omdat daarin voor het eerst een zeer grillig en psychologisch complex personage opduikt: Lucy Snowe, letterlijk het licht en de koude, die de lezer vanaf de eerste pagina duidelijk maakt dat ze nooit het achterste van haar tong zal laten zien. Van wie je leest dat ze iets zeer traumatisch heeft meegemaakt, maar je komt nooit te weten wat juist, alleen dat ze daarvoor op de vlucht gaat. In elke zin laat ze je als lezer even dichterbij komen, om je meteen weer weg te duwen. Er is een magistraal einde, waar ook weer in het midden wordt gelaten wat er met de liefde van haar leven is gebeurd.

"Er zit ook een onbeantwoorde liefde in, die in een verbijsterende plotwending meteen wordt opgevolgd door een andere, die dan moet vertrekken naar Indië, waarna de suggestie volgt dat zijn schip is vergaan, maar ook dat weet je niet zeker. Dan zegt ze tegen de lezers: misschien hadden jullie een happy end verwacht, maar het gaat toch iets anders worden. Laconiek klapt ze de deuren toe in je gezicht. Het is de eerste modernistische roman ooit geschreven, vind ik. Waarin een zeer complexe psyche aan het woord komt, die zich nooit helemaal blootgeeft.

"Soms wil je haar een draai om de oren geven omdat ze zo dom leeft, soms loop je over van medeleven. Dat complexe spel is heel intrigerend. Tegelijk is het een prachtig sociaal portret van wat het leven in die tijd was voor een alleenstaande vrouw zonder eigen middelen, een familienaam of schoonheid. Heel anders dan de sentimentele romans over de knappe gefortuneerde Engelse adel en hun liefdesleven die in die tijd in de mode waren, en waarin de vrouwelijke hoofdrol uiteindelijk altijd haar intrede mocht doen in het kasteel van haar rijke geliefde. Daar is Villette een heel duidelijke reactie tegen. Haar stelling is dat vrouwen in die tijd vooral overgeleverd waren aan het lot. Ze gunt haar heldin echt geen enkele meevaller of genade. In die zin is het ook een briljante sociale schets van die tijd."

Het is ook in een barok en prachtig Engels geschreven...

"Ja, en net dat is ook een teken van grote literatuur, dat de taal de psyche en stemmingswisselingen van het hoofdpersonage volgt en benadrukt. Hoofs en vormelijk en breedvoerig wanneer het over formele sociale gebeurtenissen gaat, heel associatief en wild in emoties: de taal volgt het gevoelsregister en het verhaal perfect.

"Je moet ook Britse zijn om onder die formele Angelsaksische cultuur zo'n moeras van verdrongen emoties te doen borrelen. Dat in de 19de eeuw vrouwen als de zusjes Brontë, Jane Austen en George Eliot dat konden opschrijven aan een hoek van hun keukentafel, dat is toch vrij uniek in de literatuurgeschiedenis."

BIO

Erwin Mortier

Geboren in 1965 in Nevele.

Schreef met Marcel (1999) een opgemerkt en gelauwerd debuut.

Won voor Godenslaap in 2009 de AKO Literatuurprijs.

Vertaalde daarna een aantal oorlogsdagboeken van Britse frontverpleegsters.

De spiegelingen (2014), zijn jongste roman, bouwt voort op thema's uit Godenslaap.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234