Zondag 08/12/2019

'Ik las zelfs de Tiny's van mijn zus'

Walter Pauli

Tussen al die kinderen met leeshonger was ik het jongetje met leesboulimie: ik las alles, maar dan echt álles. Ook jeugdencyclopedieën, kinderbijbels of de Tiny's van mijn zus: 'Tiny doet ballet', 'Tiny verhuist', Tiny hier en Tiny daar, en Waltertje er achteraan.

Ook het band- en seriewerk was me niet te min. Het begon met 'Pietje Puk', repetitieve kinderverhalen over een simpele postbode die mij vele aangename en mijn ouders een paar rustige uren schonken. Later waren er de 'Rode Ridders' van Leopold Vermeire, een eindeloze kruistocht tegen de onveranderlijk valse Saracenen, de Hollandse jongensgein van Pietje Bell. En Arendsoog, cowboyboeken met covers die vaak veelbelovender waren dan hun inhoud.

Toen greep ik al naar alles van uitgeverij Lemniscaat. Je herkende die aan het logo '8' op de rug, en dat was pret voor tien. Lemniscaat gaf Jan Terlouw uit, Thea Beckman, noem maar op. Lemniscaatboeken grossierden in gouden en zilveren griffels. Niet verwonderlijk dat wij vandaag zo vatbaar zijn voor Gouden Uilen en Libris Literatuurprijzen: sinds onze jeugd zijn we geconditioneerd. Maar het mooiste Lemniscaatboek was vertaald uit het Duits: het duistere, gruwelijke en soms akelige 'Meester van de Zwarte Molen' van Ottfried Preussler. Ook in de jaren zeventig waren er al uitstekende verhalen over tovenaarsleerlingen.

Duister en mysterieus was ook het werk van John Flanders, met stip mijn favoriete Vlaamse auteur, de Gentse Charles Dickens. Met klamme handen sloegen we de bladzijden om van 'Het zwarte eiland' en 'Spoken op de ruwe heide', waar bij nacht en nevel lieden met inktzwarte ziel zich misdroegen, en binnendrongen tot in de diepste krochten van de jongensfantasie, en hun nachtelijke angstdromen.

Flanders had een paar nu vergeten navolgers. Ik zou geld geven om nog eens een exemplaar te zien van 'De waanzinnige kluizenaar' van Peter van Campen, een al onvindbaar boek over de schrik in een Vlaams dorp voor een gevaarlijke zonderling.

Het valt mij op dat mijn favoriete boeken niet echt tot de 'realistische literatuur' behoorden. Of het moest 'Harry van de achterbuurt' zijn, van Gaston Van Camp, dat we onder elkaar aanprezen vanwege een confronterend realistische masturbatiescène. Dat dienden onze ouders niet maar onze vrienden wel te weten.

Misschien waren wij, kinderen van de jaren zeventig, de laatsten om 'De Witte' van Ernest Claes als jeugdboek te lezen, of alles van Anne de Vries - 'Ratje', 'Bartje' ("ik lust geen bruine bonen": dat vond ik wel ferm) of zijn oorlogsepos 'Tocht door de nacht'. En via - jawel - de Lecturamareeksen of Heroicaboeken (vooraan het geschreven verhaal, achterin hetzelfde in strip) lazen we nog klassieken als Harriet Beecher Stowes 'Negerhut van Oom Tom', Karl Mays 'Winnetou', Hector Malots 'Alleen op de wereld', Mark Twains 'Tom Sawyer en Huckleberry Finn'. Welk joch zou Mark Twain nog lezen? En waarom is 'Oom Tom' eigenlijk taboe? Misschien dat er nu geen racisme meer is.

Wie schrijft die blijft, zeggen ze, maar de tijd vreet aan alles, ook aan boeken en auteurs, en aan kinderen, want die beginnen zich au sérieux te nemen. Al leest dit groot kind nog altijd Tolkien of Harry Potter. Ik geef toe: een vorm van escapisme uit een voor het overige hoogst realistisch volwassen leven.

Wie schrijft die blijft, zeggen ze, maar de tijd vreet aan alles, ook aan boeken en auteurs, en aan kinderen, want die beginnen zich au sérieux te nemen

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234