Maandag 09/12/2019

Interview Tim Krabbé

‘Ik kwam dichter bij de moordenaar dan de psychologen’: Tim Krabbé over zijn unieke relatie met misdadiger Ferdi E.

‘Truman Capote heeft een kleine zaak groot gemaakt, ik heb een grote zaak teruggebracht tot het gewone leven.’ Beeld Hilde Harshagen

De moord op zakenman Gerrit Jan Heijn was in het Nederland van 1987 dé misdaad van het jaar. Tim Krabbé hield voor Vrienden ­dertig jaar lang een kroniek bij van zijn ­intieme band met de moordenaar. En met diens vrouw. ‘We werden een beetje verliefd, maar seks was niet wat ons bond.’

Enkele weken voor de rechtszitting, in 1988, stuurde schrijver Tim Krabbé een briefje aan Ferdi E., de ontvoerder en moordenaar van Ahold-topman Gerrit Jan Heijn. ‘Uw zaak verdient een goed boek’, schreef Krabbé. Het boek liet zo’n dertig jaar op zich wachten, maar nu is het er: een liefst 800 pagina’s dik dagboek van een ‘vriendschap’ met E. en – meer nog – diens gezin.

De zaak-Gerrit Jan Heijn

In september 1987 werd Ahold-topman Gerrit Jan Heijn ontvoerd. De zaak hield Nederland maanden in de greep; de politie communiceerde via krantenadvertenties met wat toen nog een bende van vijf ontvoerders leek. Na een geruchtmakende losgeldtransactie bleek de ontvoering het werk van een eenling: de werkloze ingenieur Ferdi E, die in zijn woonplaats Landsmeer tegen de lamp liep nadat hij in een winkel had afgerekend met het (genummerde) losgeld. Hij had Heijn op de dag van de ontvoering al vermoord, zijn pink ­afgesneden (en later ­opgestuurd naar de ­familie) en hem begraven in de ­bossen bij Doorwerth. E. werd veroordeeld tot 20 jaar cel. In 2001 kwam E. vrij, in 2009 ­verongelukte hij bij een verkeersongeval.

De ontvoering leek de perfecte misdaad. Velen moesten al snel aan uw boek Het gouden ei denken.

“Ik dacht daar natuurlijk ook aan toen die zaak speelde. Maar het idee achter Het gouden ei was niet zozeer ‘de perfecte misdaad’, maar wel de filosofische misdaad, tot in de puntjes uitgedacht en voorbereid. Mijn hoofdpersonage Lemorne wilde onderzoeken hoe slecht hij kon zijn, Ferdi beweerde onder meer dat het hem ging om geld waarmee hij wraak wilde nemen op oud-collega’s. Dat is een groot verschil. Wel zag ik in E.’s minutieuze voorbereiding een gelijkenis met mijn boek. Beide hoofdpersonen waren ook mensen uit mijn wereld: een beetje academisch gevormd, bezig met zaken van de geest, ze waren lezers.”

U schreef brieven, eerst aan E., daarna aan zijn vrouw Els Hupkes. Daarin viel al snel de titel van een andere klassieker: In Cold Blood van Truman Capote. Was ‘een Nederlandse In Cold Blood’ uw ambitie?

“De droom van literaire crime-non-fictie hadden meer schrijvers in die jaren. Direct bij het contact met E’s vrouw heb ik Capote herlezen. Een meesterlijk boek, maar het was geen voorbeeld voor me. Er stond mij in het begin niets specifieks voor ogen. Eerst wilde ik contact met E.

“Er is ook een belangrijk verschil met Capote: ik ben zelf aanwezig in mijn boek. Capote deed dat niet. Een overeenkomst is dat het totaal anders werd dan we zelf verwachtten. Capote maakte van een piepklein krantenberichtje een boek over de reacties van een stadje op een viervoudige roofmoord. Het werd anders door de figuur Perry Smith, op wie hij ook nog heimelijk verliefd werd. Hij heeft een kleine zaak groot gemaakt, ik heb een grote zaak teruggebracht tot het gewone leven. Mijn boek werd een dagboek, een kroniek van een gezin dat dit overkomt.”

Ferdi E. draait een sigaret tijdens de reconstructie van de moord op Gerrit Jan Heijn, nabij Bloemendaal op 17 april 1988. Fotograaf Paul Stolk won er de Zilveren Camera mee. Beeld ANP

Uw contact met Els Hupkes kreeg al snel amoureuze trekjes: terwijl haar man in de gevangenis zat, deelde u het bed met haar. Kun je dan nog onbevangen schrijven?

“We vonden elkaar snel leuk. We werden een beetje verliefd, maar seks was niet wat ons bond. Dat moest alleen even uitgezocht worden. Het klinkt misschien hard: het leek alsof een formaliteit moest worden vervuld, als een stempeltje in je paspoort om het land in te mogen. Els formuleerde het later zo: het moest, en het heeft geen sporen nagelaten. Zo was het. Daarna konden we elkaars belangrijkste vriend worden.”

Belemmerde dat het contact met Ferdi niet?

“We hebben het lang verzwegen. Els heeft het hem kort nadat hij vrijkwam verteld. Hij heeft er tegen mij nooit iets over gezegd. Hij zal het diep vanbinnen vermoed hebben, en het niet zo’n punt hebben gevonden, denk ik. Els was vóór de ontvoering ziekelijk verliefd op een ander, dat slorpte haar op. Het maakte haar totaal afwezig. Tot het eind noemde Ferdi dat een drijfveer voor zijn daad: een daad stellen omdat Els er niet voor hem was.”

Nog een belemmering: Ferdi wilde geld voor zijn medewerking.

“Dat heb ik geweigerd. Ik wilde geen boek schrijven waarmee ik de weduwe van Gerrit Jan, Hank Heijn, niet onder ogen zou durven komen. Dat zou niet kunnen wanneer Ferdi had verdiend aan mijn boek. Omdat hij volhardde, heb ik het project na jaren in de kast gezet, om aan andere boeken te werken. Zoals aan Wij zijn, maar wij zijn niet geschift, over de schietpartij van Columbine. Dat was een soort compensatie, vanuit dezelfde fascinatie: twee goed opgeleide jongens die in Littleton, Colorado, een leraar, twaalf leerlingen en zichzelf doodschoten.

“Ik hield intussen wel nauw contact met Ferdi en het gezin. Ze hebben me altijd beschouwd als een soort familielid. Omdat ik behept ben met volledigheidsdrang, heb ik altijd alles genoteerd, na elk bezoek maakte ik aantekeningen. Dat ben ik blijven doen, maar vele jaren niet meer met het idee van een boek.”

Tim Krabbé

• geboren op 13 april 1943 in Amsterdam • gelauwerd Nederlands schrijver • was als journalist actief voor o.m. de opiniemagazines Vrij Nederland en De Tijd • zijn succesvolste boek Het gouden ei (1984) werd verfilmd (Spoorloos, 1988; remake The Vanishing, 1993) • schreef naast romans verschillende boeken over zijn grote passies: schaken en wielrennen (De renner, 1978) • behoorde rond 1970 tot de twintig beste schakers van Nederland • is de broer van Jeroen Krabbé

Waarom begon u er in 2015 alsnog aan?

“In mijn wielrenkamertje stond een kast vol mappen met brieven van Els en ander materiaal. Bakken vol schijfjes, nog van die harde floppy’s. Usb-sticks, cd’s. In 1992 was het al een dossier van 1,5 miljoen woorden. Dagelijks liep ik daaraan voorbij. Op zeker moment dacht ik: ik ga het tóch proberen. Het was iets irrationeels. Waarom word je in één oogopslag verliefd? Waarom ga je wielrennen? Je merkt ineens dat je begonnen bent. Het scheelde dat de zaak inmiddels lang geleden is. Zo kan me geen sensatiezucht meer verweten worden. Dat is het ook niet. Het gaat mij om het verslag van een gezin in bijzondere omstandigheden. Ik wilde het menselijke van een uniek exces schetsen.”

Zowel E. als zijn vrouw zijn dood. Baande dat ook de weg om te publiceren?

“De dood van Ferdi wel. Niet alleen vanwege het geld, dat hij op het laatst niet eens meer eiste, maar omdat je geen biografie kunt schrijven over een levende. Dan kijkt iemand over je schouder mee. Maar ook na zijn dood, in 2009, ben ik niet meteen begonnen. Toen werkte ik nog aan mijn Columbine-boek.

“Het overlijden van Els was voor mij geen overweging. Zij verlangde juist naar een boek van mij hierover. Zij en Ferdi waren onderwerp van veel praatjes en speculatie. Ik wist alles – een boek van mij zou hun verhaal neerzetten zoals het echt was. Dat heb ik ook gedaan. Ze wist dat ik het ging doen, maar ze overleed te vroeg om mee te lezen.”

Zij publiceerde in 2000 zelf een roman over de zaak, De kleine Britt. Hoe vond u dat?

“Ik vond het geen goed boek. Vooraf had ik sommige passages gelezen, ik maakte wat opmerkingen. Maar ik heb haar niet helpen schrijven, dat was niet nodig. Els was een goede schrijver, alle brieven van haar in mijn boek zijn eerste versies. Maar het was niet sterk gecomponeerd. Het was moeilijk dat tegen haar te zeggen. Bij de presentatie op de uitgeverij heb ik een aardig woordje gesproken, later heb ik haar eerlijk verteld dat ik het niet zo goed vond. Daar heeft ze dagenlang last van gehad.”

Tim Krabbé: ‘Ik vroeg hem wanneer hij wist dat hij Heijn ging doden. ‘Toen ik het deed’, antwoordde Ferdi’ Beeld Hilde Harshagen

Was u bang dat haar boek uw werk in de weg stond?

“Nee. Ik had toen al afscheid genomen van een boek over deze zaak. Voor haar hoopte ik dat het goed was en een succes zou worden. Ik zag haar niet als concurrentie; ik zou het toch heel anders doen dan zij.”

Uw boek is 800 pagina’s dik geworden.

“Ik heb niet gelet op de omvang, ik maakte wat het van mij moest worden. Het is een dagboekverslag over 30 jaar – logisch dat het niet dun is. Maar ik ben geen ouwehoer; ik sta bekend als auteur van dunne boekjes. Scholieren zullen dit niet snel op hun lijst zetten.”

Wat moest u weglaten?

“Naast het vakmatige wieden uit de dossiers ben ik eerst zonder belemmering gaan schrijven. Later ging ik anonimiseren en schrappen, vanwege de privacy. Ik vermeld het niet in mijn boek, maar de voornamen van de kinderen heb ik gewijzigd. Hun algemeen bekende achternaam hou ik op ‘E.’. Om ze te beschermen tegen onwelkome publiciteit. Hun voornamen zijn niet zo makkelijk op internet te vinden. Ze hebben het gelezen, op hun verzoek heb ik een paar details geschrapt. Het is niet veel, en niet zo relevant.”

U koos ervoor soms zeer intieme zaken te openbaren. Over een beginnende erectie of over de vaginale afscheiding van Els bij haar arrestatie. Wilde u zo schaamteloos eerlijk zijn?

“Dat is een raar overblijfsel uit preutse tijden – waarom zou dat er niet in mogen? Bij haar arrestatie, midden in de nacht, lag Els zonder onderbroek in bed. Ze voelde zich vies, werd recht uit bed getrokken en mocht niet eens een onderbroek aantrekken. Dat citeer ik uit een brief van haar. Normen op dit vlak interesseren me niet. Je praat met een leuke vrouw aan de telefoon, het gesprek gaat een bepaalde kant op, en dan komt er zo’n erectietje aan. Waarom zou je dat in godsnaam niet mogen beschrijven? We leven in 2019! Maar kritiek zal ik sowieso wel krijgen.”

Waar denkt u aan?

“Er zal, ook na zoveel jaar, oneigenlijk op gereageerd worden, vooral door de lagere pers, zoals ik het maar noem. Ik weet wel hoe Privé en De Telegraaf reageren: niet erg intelligent, gericht op vunzige inzichten. Op het boek van Els werd destijds ook schandelijk gereageerd, ook door de Volkskrant en NRC; ze moest haar bek houden, was de teneur. Trouw noemde Els in een bespreking ‘een vaag soort kunstenares’. Laat dat nou over aan de Privé.”

‘De gevoelens van de familie Heijn zijn voor mij minder interessant. De gruwelijkheid van een verdwenen geliefde, dat is een ander onderwerp.’ Beeld Hilde Harshagen

Ontluisterend vond ik de sinistere grappen van het gezin van E. U en de familie gingen naar Bloemendaal, langs het huis van de familie Heijn. Hun hondje dreigde het erf op te rennen, waardoor de grap opkwam aan te bellen met de mededeling: ‘De hond van Ferdi E. zit in uw tuin.’ Met Sinterklaas kreeg Ferdi in de gevangenis een keer van een van zijn dochters zo’n opwindbare wandelende vinger, als surprise.

“Als je zo lang geconfronteerd wordt met zoiets zwaars, moet je daar doorheen. Daar schreef Els in haar boek ook over. Wrange grappen zijn voorbehouden aan de slachtoffers, aan beide kanten. Zij mogen dat.”

De vraag is of je ze in een boek moet zetten.

“Ik mag alles opschrijven wat waargebeurd is. Sommige mensen verzwijgen vreselijke gebeurtenissen, anderen maken er wrange grappen over. Over de pink van Heijn, daar kun je haast niet géén grappen over maken, als je zo betrokken bent als zij. Er is niets schandelijks aan, maar zo wordt het wel gevonden.”

Zegt u dat ook tegen de familie Heijn?

“De familie heeft op mij altijd de indruk gemaakt van redelijke en slimme mensen, die dit naar waarde kunnen schatten. Ze hebben contact met de familie gezocht en gehad: zoon Ronald Jan met Ferdi en de kinderen, weduwe Hank met Els. Ze toonden begrip voor hoe het aan ‘die andere kant’ moet zijn geweest. Ook toen Ferdi dood ging werd hij alom verafschuwd, maar de familie Heijn reageerde heel lief in kranten.”

Hebt u contact met de familie gehad voor dit boek?

“Nee, waarom zou ik? Ondiplomatisch gesproken: de gevoelens van de familie Heijn zijn voor mij minder interessant. Als je dit als titel van het stuk gebruikt, zijn de poppen aan het dansen, maar ik vind het wel. De gruwelijkheid van een verdwenen geliefde, dat is een ander onderwerp, waar Het gouden ei deels over gaat. Dit boek gaat daar niet over. Ik heb wel via de uitgeverij laten weten dat dit eraan kwam. Ze stelden de mededeling op prijs, heb ik begrepen. Het zou me verbazen wanneer ze niet zeer redelijk zouden reageren op dit boek. Er is niets waaraan ze aanstoot zouden kunnen nemen. Het zijn intelligente mensen die wel tegen een stootje kunnen.”

Is dit onderwerp nu afgesloten, of keert het thema nog eens terug in een roman?

“Ik ben er nu wel klaar mee. Deze zaak was te interessant voor fictie. Daarin kan alles, maar juist dat dit geen fictie is, vind ik interessant. Het raadsel blijft hoe gewone mensen tot zoiets kunnen komen.”

Ferdi E. was behalve misdadiger ook een gewoon mens.

“Enkele maanden na zijn moord solliciteerde hij bij Amnesty International. Els heeft hem later gevraagd of hij de afpersing zou hebben doorgezet als hij was aangenomen. Hij antwoordde: ‘Niet schrikken, maar ik denk van wel’. Vóór de moord heeft hij gesolliciteerd bij het Koninklijk Instituut voor de Tropen. Toen had hij zijn geweer al in huis.”

Beeld Hilde Harshagen

Hebt u door dit boek inzicht gekregen in het ongewone deel van zijn persoon?

“Ik denk van wel. De psychologie zal er wel een term voor hebben, ik benoem het zo: er ontbrak bij Ferdi een schakel tussen aandrift en daad. Ferdi begón gewoon. Hij wilde woest om zich heen slaan, weg van zijn gezin. Hij bedacht een plan, kocht een geweer, knoopte een valse snor, zocht een kaasplankje uit om die vinger op af te snijden. Allemaal ongevaarlijke stappen. ‘Pas toen ik met Heijn in de auto zat, wist ik dat ik het echt ging doen’, zei Ferdi later tegen me. Op zeker moment liep hij in het bos met Heijn, toen was het enkel nog de beweging van de trekker overhalen.

“Ik vroeg hem wanneer hij wist hij dat hij Heijn zou doden. ‘Toen ik het deed’, antwoordde Ferdi. De rol van de wil moet je niet overschatten. Die is soms helemaal afwezig. Vergelijk het met opstaan. Je ligt in bed en denkt: ik moet opstaan. Op zeker moment bén je opgestaan. Het exacte moment waarop de wil daarin een rol speelt, is niet te betrappen. In De renner schrijf ik daar ook over: wanneer exact besluit je te demarreren? Dat is niet aan te wijzen.”

Bent u als schrijver dichter bij Ferdi E. gekomen dan de psychologen?

“Zeker! Ik heb alle vertrouwen in de psychologie verloren. De psychologen die Ferdi behandelden, waren de enigen die zijn achternaam verkeerd spelden. Kenmerkend voor de geringe mate van exactheid in die branche. Psychologen doen testjes en gebruiken een kant-en-klaar begrippenapparaat. Daar moet alles in passen. In de Van Mesdag-kliniek werd hij genezen verklaard op grond van wekelijkse gesprekken van drie kwartier – hou toch op. De inschatting vooraf was dat zijn behandeling negen jaar zou duren. Bleek in drie jaar te kunnen. Dat is toch gek? Ik heb Ferdi 272 keer opgezocht in de gevangenis, meer dan twintig jaar lang met hem gesproken; natuurlijk kom je dan dichterbij dan een psycholoog.”

Het boek heet Vrienden. Waren jullie dat?

“Niet in de zware betekenis die Ferdi eraan gaf. Wel in de lichte betekenis die ik eraan geef. Een vriend is voor mij iemand die je regelmatig ziet en met wie je het meestal wel kunt vinden. Ferdi was bijzonder, een niet-criminele crimineel. Hij was niet alleen maar een slecht mens, maar ook een mens als ik. Een heel warm contact was het niet, maar wel een soort vriendschappelijkheid. Hij gaf me volledig toegang tot zichzelf. Voor Ferdi betekende vriendschap dat je achter je vriend blijft staan, tegen je eigen moraal in. Dat gold voor mij niet.”

Tim Krabbé, ‘Vrienden’, Prometheus, 800 p., 24,99 euro. Beeld RV
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234