Woensdag 07/12/2022

InterviewTess Uytterhoeven

‘Ik kreeg vaak het gevoel dat ik niet normaal was. En ik wás al niet normaal, want ik zat met die bekende vader’

Ann Van Hoey en Mark Uytterhoeven. Beeld Nathalie Samain
Ann Van Hoey en Mark Uytterhoeven.Beeld Nathalie Samain

Bronnen bij de politie bevestigen dat het strafblad van Tess Uytterhoeven (37) onbeschreven is – zelfs geen kruimeldiefstalletje dat het bevuilt. Strikt genomen heeft ze dus niets te zoeken in de gevangenis. Toch is dat de plek waar de televisiemaakster van Woestijnvis – ze is ook de dochter van de lof en prijzen stapelende keramiste Ann Van Hoey en de verdienstelijke KV Mechelen-supporter Mark Uytterhoeven – de afgelopen jaren veel tijd zoek maakte. Haar alibi: ze wroette op Ooit vrij, en werkt nu aan een programma over de nieuwe gevangenis van Haren.

Jeroen Maris

Tess Uytterhoeven maakte ook Het proces dat niemand wou, de onthutsende driedelige documentaire over Bart De Pauw en zijn slachtoffers – al wil ze daar niets over kwijt. Intussen loopt op Play4 het derde seizoen van Ooit vrij, het programma waarin gevangenen op hun weg naar vrijheid gevolgd worden, en dat bedacht werd door Uytterhoeven.

Tess Uytterhoeven: “Ik ben er heel blij mee: ’t is een knap seizoen geworden. Alle lof daarvoor mag naar de nieuwe ploeg die het maakte, onder leiding van Marleen Wetzelaer, die de eindredactie van het programma van me heeft overgenomen. Zelf heb ik er een beetje als een satelliet rondgecirkeld.”

Je bereidt een programma voor over de nieuwe gevangenis in Haren, die weldra de deuren opent.

“En vervolgens diezelfde deuren weer sluit, want anders zou het geen gevangenis zijn. (lacht)

“Dat programma zal Recht naar de gevangenis heten en draait rond immersie: rechters, gevangenisdirecteurs en personeel zullen zich enkele dagen laten opsluiten. Zo zullen ze aan den lijve ondervinden hoe het is om in de gevangenis te zitten. Die persoonlijke ervaring wordt dan de basis voor gesprekken over het detentiesysteem in ons land.”

Het is best opmerkelijk dat je die mensen zover hebt gekregen dat ze zich vrijwillig hebben laten opsluiten.

“Dat heeft veel met Ooit vrij te maken. Aanvankelijk wilden maar weinig mensen praten, omdat het zo’n complex en gevoelig onderwerp is. Maar intussen is er veel vertrouwen: iedereen heeft gezien dat Ooit vrij een integer programma is. We kliederen er geen vette saus over.”

Wat voor een plek is de gevangenis voor wie er binnenloopt, maar er ook weer buiten mag?

“Aanvankelijk vond ik het heel intimiderend. Ik herinner me hoe ik op mijn eerste draaidag in de hulpgevangenis van Leuven met mijn perche (filmmicrofoon op een steel, red.) de keuken binnenliep, en terugdeinsde voor al die kloeke mannen die daar met grote messen groente aan het snijden waren. De kokkin stelde me gerust: ‘Zelfs voor een moord is er altijd een aanleiding, Tess. Ze zullen je heus niet te lijf gaan.’ (verontschuldigend) Ik ben opgegroeid in het Marc Dutroux-tijdperk, hè, en daar hoorde de gedachte bij dat achter die hoge gevangenismuren het absolute kwaad huist.

“Die angst verdween snel. Mijn beeld – vooral gebaseerd op televisieseries en wat ik in de kranten las, besef ik nu – verkleurde: een gevangenis is een mini-universum waarin de dingen soms ook gewoon góéd gaan. Mensen leven er samen, gedetineerden en cipiers hebben soms wat aan elkaar, er zijn gedetineerden die hard werken om weer een ticketje voor de samenleving te krijgen.”

Is dat geen heel optimistische kijk?

“Een gevangenis is geen plek waar je alleen maar op goeie bedoelingen, harmonie en geluk stuit – dat is waar. Maar net omdat ik vooral hardheid en ellende verwachtte, werd ik verwonderd door alle goeie dingen die ik zag.

“Het is niet zo dat Ooit vrij mijn mens- en wereldbeeld drastisch heeft veranderd, maar het heeft me wel nog scherper doen beseffen dat mensen complex en ambigu zijn, en dat je hen dus niet op één aspect mag afrekenen. Iemand kan een zwaar misdrijf gepleegd hebben en tegelijk een bekommerde vader zijn: die twee sluiten elkaar niet uit. Het idee dat in de gevangenis alleen door en door slechte mensen zitten, klopt simpelweg niet.”

De penibele staat van de infrastructuur, overbevolking, de karige verloning van cipiers, smokkel, relletjes: het gevangeniswezen komt vooral negatief in het nieuws.

“En precies dat stoort me. Want de dingen die jij aanhaalt, zijn een stuk van de werkelijkheid, zeker, maar het is jammer dat het alléén daarover gaat. Ooit vrij is opgezet om het volledige plaatje te laten zien. We wilden de verhalen brengen die de krant nooit halen.”

Het programma focust op de weg van gevangenen naar de vrijheid, en hun herintegratie in de samenleving. Dat parcours stuit weleens op verzet van die samenleving: veel mensen willen criminelen het liefst zo lang mogelijk in de cel.

(knikt) Precies op dat kruispunt wilden we gaan staan: de onderbuik die lange en strenge straffen wil versus de wetenschap die stelt dat je gedetineerden best perspectief biedt, en hen zo goed mogelijk voorbereidt op een nieuw leven buiten de cel. Tijdens onze research voor de eerste reeks praatte ik met psychologen die advies geven over een mogelijk verlof voor gedetineerden. Voor hen is zo’n verlof cruciaal – het geeft hun de kans om te gaan solliciteren, of om hun terminale oma te bezoeken. En net toen knalde een gedetineerde op verlof in Luik drie mensen neer. Hij had al meerdere keren verlof gehad, en dat was telkens goed gegaan: het was heus niet zo gek dat de psycholoog geoordeeld had dat het goed zou blíjven lopen. Maar voor de camera’s verdrongen politici zich meteen om te roepen dat het systeem veel strenger moest. Dat vond ik jammer, want die politici kénnen de wetenschappelijke data: ze weten dat je de maatschappij net veiliger maakt als je gedetineerden voorbereidt op het leven buiten de cel. Gooi mensen in de vergeetput en ze worden alleen maar vatbaarder voor de lokroep van de criminaliteit. Maar: geen enkel systeem is waterdicht, en een samenleving zonder criminaliteit is een utopie. Dus is de vraag hoe je die samenleving zo veilig mogelijk krijgt. En dan kom je toch altijd weer uit bij: bereid gedetineerden voor op het leven na de straf. Zelfs al zal dat niet voor iedereen lukken.”

PRO BONO

Je bent licentiaat in de letterkunde en master in de antropologie.

“Die studies zeggen iets over wie ik ben: mensen interesseren me. Op de universiteit hebben ze me indertijd gevraagd om te doctoreren. Ik vond dat best aanlokkelijk, want ik hou ervan dingen te bestuderen, en vooral: met mensen te praten. Maar als je aan een doctoraat werkt, zit je daarna wel alleen aan je bureautje. Schrijven is een solitaire bezigheid, hè – dat hoef ik jou niet uit te leggen. Daarom heb ik het toen niet gedaan.

“Televisie zit me lekker: je maakt zo’n programma per definitie sámen. En ik ben iemand die de groep nodig heeft. Het gevoel op kamp te zijn, dat doet mijn werk me telkens weer cadeau. Toch hoef ik niet voor altijd een tv-maker te zijn. Met mensen praten, een stukje van de wereld blootleggen: dat kan op veel manieren. Ik sluit niet uit dat ik ooit nog wat anders ga doen.”

Aanvankelijk wilde je zelfs geen televisiemaker worden, toch?

“Klopt: ik poneerde heel stellig dat ik nóóit die richting zou uitgaan. Dat medium had mijn jeugd gedomineerd, en ik wilde iets helemaal anders. Nu weet ik dat een televisieprogramma iets waardevols kan zijn, dat het een maatschappelijk nut kan hebben, maar toen vond ik het vooral triviaal. Ik wilde iets ernstigs doen, riep ik: dokter worden, of psycholoog. En nog het liefst: iets in de ontwikkelingssamenwerking doen.”

En toch belandde je meteen bij Woestijnvis.

“Voor de research voor een nieuw programma zochten ze iemand die goed Spaans sprak. Prima, dacht ik: een tijdelijk baantje, en daarna zoek ik me een serieuze job. Maar het draaide helemaal anders uit: dat programma is er nooit gekomen, en ik kwam op de redactie van Man bijt hond terecht. Dat was een uitstekende cursus in omgaan met mensen. Op dat moment studeerde ik antropologie, en het voelde alsof ik mijn praktijkvakken op de werkvloer kreeg. Man bijt hond was een soort van antropologie van de Vlaming, hè.

Het dorp vond ik een heel fijne rubriek om te maken. Op pad gaan, lukraak ergens aanbellen, en vragen: ‘Wie ben jij, en wat maakt jou gelukkig?’ Ik ontdekte al snel dat een camera geen sta-in-de-weg is, maar mensen net opener maakt. En eigenlijk is dat niet zo gek: het is vaak makkelijker om te praten met iemand die maar even door je leven glijdt dan met iemand die je heel dierbaar is.

“Enfin, dankzij Man bijt hond rijpte het besef: ik vind televisie léúk.”

Je maakte bij Woestijnvis de woelige periode mee, toen de holding achter het productiehuis de zenders VIER en VIJF overnam en daarna een poos in troebel water zwom.

“Als je het over antropologie hebt: toen viel er wel wat te observeren. (lacht) Ik werkte in die periode op de redactie van De kruitfabriek, de groots opgezette talkshow die uiteindelijk geen succes werd. Ik zat op de eerste rij, dus, maar zonder grote verantwoordelijkheid: ik heb toen goed kunnen kijken, en heel veel geleerd over mensen.

“Na De kruitfabriek maakte ik mee Heylen en de herkomst, het programma van Martin Heylen. Dat was heel fijn, en het was ook de eerste keer dat ik als regisseur naar het buitenland ging.”

Toch verhuisde je daarna even naar de Belgische poot van ONE, de ngo die mee door Bono gesticht werd.

“Ik had ondertussen dat diploma antropologie en wilde daar toch echt iets mee doen. Maar het was geen goeie keuze. Ik was de persverantwoordelijke, en ik moest telkens hetzelfde kransje van tien journalisten tot een mini-artikeltje in de krant bewegen. Dat was me toch wat te saai, en toen Hazel Pleysier, de programmadirecteur van Woestijnvis, me vroeg om mee Topdokters te komen maken, twijfelde ik niet. Dat was op dat moment het enige programma dat ik consequent opnam op mijn digicorder!”

Bij Woestijnvis zit je in het kamp van de human interest.

“Ik zie dat niet als een kamp. Het is niet: sérieux versus lichtheid. Je kunt ook van betekenis zijn door fijne amusementsprogramma’s of grappige fictiereeksen te maken. Maar die human interest ligt me gewoon goed. In mijn eigen leven zit veel fundamenteel góéd: ik heb fijne ouders die nooit bespaard hebben op liefde en kansen, ik heb nu zelf een prachtig gezin, formidabele vrienden, een mooie job. Net daarom vind ik het voor mezelf belangrijk om na te denken over de onderdelen van onze samenleving waaraan nog geschaafd moet worden. Om met een kleine zaklantaarn te schijnen over stukjes wereld die dat licht goed kunnen gebruiken. Ik heb geen talent voor onverschilligheid: gewoon een beetje door het leven huppelen, dat kan ik niet.

“Nu, begrijp me alsjeblieft niet verkeerd: ik dicht mijn werk voor televisie geen groot maatschappelijk nut toe. Nee, wat ik bedoel is dat ik voor mezelf een soort van nut wil ervaren. Elke mens is op zoek naar zin, en wie die niet vindt, wordt ongelukkig. Wel, ik word gelukkig van het soort programma’s dat ik maak. Het is wat ik graag doe.”

Nieuwe media, streamingdiensten, versnippering: het leidt er allemaal toe dat de impact van televisie kleiner wordt. Vind je dat jammer?

(haalt de schouders op) Het is behoorlijk zinloos om wakker te liggen van iets wat niet om te keren valt. Zeker als het over iets relatief onbenulligs als televisie gaat. Dat soort hiërarchie probeer ik wel aan te brengen in de dingen, ja: het is verschrikkelijk dat de holocaust is gebeurd, níét dat televisie aan impact verliest.

“Die versnippering is ook niet per se kwalijk. Ze zorgt voor een groter aanbod, en dus voor verrijking. Voor een kwetsbaar programma is het soms vechten om aandacht, dat is waar. Maar het is wat het is. Ik werk ook mee aan Hotel Römantiek, en daar vertellen de camera- en klankmannen weleens verhalen van vroeger. Drie dagen in Glasgow voor een interview van twee uur: natuurlijk had ik dat graag eens meegemaakt. Maar in mijn kampeerbusje naast de gevangenis slapen heeft ook iets, toch? (lacht)

DE TAFEL VAN TWEE

Je bent opgegroeid in Mechelen. Nu is dat een bijzonder charmante centrumstad, maar in de jaren 90 kleefde er een onfris luchtje aan.

“Ha, het levensgevaarlijke Mechelen! Ik herinner me een televisiereportage waarin de reporter een ronde deed langs de cafés, en overal moest aankloppen omdat de kroegbazen uit angst hun deuren op slot hielden. Ik zat daar met open mond naar te kijken: ik kende geen enkel café in Mechelen waar ze dat deden, en ik vond de stad helemáál niet onveilig. Wat wel waar is: Mechelen is zonniger geworden. Het is hier mooier nu, netter, de stad heeft een hogere hartslag gekregen.

“Dat ik het ook in de jaren 90 al een ontzettend fijne plek vond, heeft mede te maken met de mensen die me toen omringden. Die zijn er nu nog steeds: met mijn vriendinnen van de middelbare school vorm ik nog altijd een ondeelbare groep. Zoiets bewaren, dat vind ik mooi. We hebben evenveel geschiedenis als toekomst samen. (enthousiast) Eind augustus was het Maanrock in de stad, en stonden we daar met onze kinderen én onze ouders. Dat is Mechelen voor mij: ik ben hier heel goed geaard.”

Hebben je ouders niet ooit overwogen om definitief naar Frankrijk te verhuizen?

“Dat was een fantasietje waar mijn vader mee speelde, ja. Hij stelde voor dat ik daar dan naar de internationale school zou gaan. Mijn moeder en ik hebben ons toen verzet – met succes, trouwens, want het plan is nooit uitgevoerd. Ik wilde niet weg uit Mechelen, want daar woonden mijn vrienden. Maar ondertussen begrijp ik mijn vader óók. Er was zijn situatie, natuurlijk – op het toppunt van zijn populariteit werd hij op straat in Vlaanderen voor een levende praatpaal aangezien. En daarnaast heb ik intussen zelf ook al die zucht naar nieuwe lucht gevoeld. Onlangs was ik met mijn gezin in Mexico. Een heel mooie reis was dat, en meteen dacht ik: kunnen we niet enkele jaren in Mexico City gaan wonen? Dat zou toch fijn, spannend en boeiend zijn, ook voor onze twee kinderen? Maar ik corrigeerde mezelf meteen: ik moet mijn kinderen de aarding gunnen die ik in mijn jeugd zelf gekregen heb. Je kunt pas voor het avontuur kiezen als er een nest is om telkens weer op aan te vliegen.

(denkt na) Ik ben van nature nogal onzeker. Maar dankzij die solide basis – mijn ouders, mijn gezin, mijn beste vrienden – gaat die onzekerheid nooit wild woekeren. Zonder dat nest zou ik vatbaarder zijn voor melancholie, denk ik.”

Dat je nog steeds omringd wordt door je vrienden uit de middelbare school verbaast me eigenlijk niet. Je vader is ook ontzettend loyaal. Of het nu gaat om zijn vrouw, zijn vrienden, zijn stamkroeg, zijn favoriete voetbalclub of zijn jeugdidolen: hij blijft trouw aan waar hij ooit voor viel.

“Ja, da’s een rake typering. Je weet dat Herman Vanspringel zijn grote wielerheld was? Vorige maand is hij gestorven, en mijn vader las iets voor op de begrafenis. Zelf kon ik niet bij de plechtigheid zijn, maar ik las nadien wel zijn tekst. Prachtige woorden waren het: zinnen vol vriendschap en trouw. En dat is mijn vader. Of beter: dat is óók mijn vader. Want… Hoe moet ik dat nu verwoorden? Hij kan soms ook, euh, speciaal zijn.”

Heel benaderbaar, en toch niet toegankelijk?

(denkt na) Ja, dat is het eigenlijk. Maar hij is een fundamenteel móóie mens. En in zo’n tekst bij de dood van iemand die hij heel hoog zitten had, komt die schoonheid bloot te liggen.

“Je hebt allicht gelijk als je zegt dat ik ook zo trouw ben, maar het is geen principe dat ik bewust nastreef. Het zat gewoon in mijn opvoeding, denk ik, ik draag het mee als iets vanzelfsprekends. Net zoals ik de andere pijlers van die opvoeding nooit onderuit heb willen schoppen: respect hebben, geen haai zijn, en jezelf niet als de ster van de grote operette zien. ‘Ons vader kan dat toevallig goed, televisiemaken,’ was thuis het standaardzinnetje als het over zijn populariteit ging. Er werd nooit dik gedaan over zijn vak: net zo goed was hij een getalenteerde schoenmaker geweest, of een begenadigde verkoper in een worstenkraam. Zelfs op het toppunt van zijn beroemdheid zag ik mijn vader elke zondagochtend vertrekken met het wielertoeristenclubje van café Tilt, zijn stamkroeg in Mechelen. En dat was geen statement, hè, niet een manier om te pronken: ‘Kijk eens hoe het allemaal níét naar mijn hoofd gestegen is.’ Neen, hij deed dat graag.

“Als tiener begreep ik die populariteit niet zo goed. Mijn vader was geen regeringsleider, geen spoedarts, geen briljante wetenschapper – hij was gewoon een grappige man die heel goed was in wat hij deed op televisie. Zo speciaal is hij toch niet, dacht ik de hele tijd. Hij is gewoon mijn vader: een man met goeie en slechte kanten die zich net als iedereen door het leven stuntelt. En toch werd hij zo verafgood! Mensen vielen haast in zwijm, of deden heel rare dingen zodra ze in zijn buurt kwamen. Op restaurant gaan was bijvoorbeeld onmogelijk: dat deden we simpelweg niet meer. Ik vind het nog altijd iets heel geks, blinde bewondering.»

Je vader, alumnus van de Perfectionistische School, werkte héél hard aan zijn programma’s. Moest je hem dan vaak missen?

“Ja: hij werkte als een bezetene wanneer hij in België was, en met evenveel passie deed hij niets wanneer hij vervolgens in Frankrijk ging uitpuffen. (lacht) Ik merkte natuurlijk wel op dat er bij mijn beste vriendin thuis elke dag een papa aan tafel zat, en bij mij niet. Maar vond ik dat ook érg? Ik heb hem nooit echt gemist. Ik had mijn mama, en zij was prachtig – dat volstond voor mijn geluk. Ik dacht nooit: o, zat mijn papa nu toch maar mee aan tafel.

“Als puber vond ik wel dat hij niet te veel te zeggen had over mij. Als je er niet bent, heb je ook niet het recht om me te begrenzen of te corrigeren, redeneerde ik. (peinzend) Ik mag niet zeuren over mijn jeugd. Ik was bevoorrecht: er was liefde, er was steun, er was vertrouwen. Maar ik mag wel zeggen dat het een bijzondere jeugd was, en dat ik het gedoe rond het werk van mijn vader niet altijd even plezierig vond. Nu ben ik wel heel blij met wat ik zo allemaal heb opgestoken: mijn jeugd was een snelcursus mensen lezen.”

Hoe is de relatie nu?

“Het is prachtig hoe mijn vader smélt telkens als hij mijn kinderen ziet. Ik heb het gevoel dat ik een nieuwe fase ben ingegaan met hem – door zelf kinderen te krijgen, en ook gewoon door ouder te worden. Ik heb mijn vader nog nooit zo graag gezien als nu.”

WIT, BRIL, BUIK

Hoe is je band met zijn andere dochter: KV Mechelen?

“Dat is een voetbalclub in geel en rood, neen? (lacht) Onbestaande, dus: net als mijn moeder heb ik niets met sport, en dus ook niet met Malinwa. Het is een beetje vreemd, vind ik, zo verliefd zijn op een voetbalclub, maar tegelijk vind ik het ook móói. Want er is niets gespeeld aan die passie: mijn vader is écht dol op dat geel en rood.

“In de jaren 90 was voetbal – zowel spelen als kijken – toch nog vooral iets voor mannen. Een meisje dat ging voetballen, of gewoon geïnteresseerd was in de sport? Het bestond misschien wel, maar het werd niet aangereikt. Mijn zoontje kreeg vorig jaar les van juf Jessie – Jessie Defour, de zus van Steven. Ze is gek op voetbal, en heeft zelf ook altijd gespeeld. Wel, met zo iemand voor de klas was ik misschien wel voor de sport gevallen. Hetzelfde met wielrennen. Ik zit graag op een koersfiets, maar ik heb het nooit als zelfs maar een mógelijkheid beschouwd om daar wat meer mee te doen. Ik zag hoe mijn moeder af en toe meereed met de wielertoeristenclub, en hoe daar toch vooral schamper over gedaan werd: ‘Kijk nu, een vrouw op een koersfiets!’ Maar misschien was het wél een droom geworden als er in de jaren 90 al een Lotte Kopecky was geweest?”

Praat je over dat soort onderwerpen met de oudere witte heteroman Mark Uytterhoeven? Vorig jaar hekelde hij in een column in het supportersmagazine van KV Mechelen de ingebakken vrouwonvriendelijkheid van het voetbal, en merkte hij fijntjes het volgende op: ‘Ons bestuur: allemaal mannetjes, wit, bril, buik.’

(blij) Echt? O, dat vind ik fijn om te horen. En het klopt, ja: we hebben dat soort gesprekken. Maar lang duren die nooit, want doorgaans is hij het al snel met me eens. Mijn vader is echt geen stugge man die z’n gedachten heeft laten roesten. Hij is ook pertinent over wat er later op zijn grafzerk moet: ‘Hier ligt meneer Van Hoey’.”

Juist: laten we het eens over die prachtige moeder van je hebben.

“Het baken! Je kunt me geen groter compliment geven dan door te zeggen dat ik op haar lijk. Want als dat zo is, dan zit het goed. Ze is er altijd geweest, ze heeft me altijd ondersteund – maar gelukkig zonder me kritiekloos de hemel in te prijzen.

“Mijn hele leven al vind ik het indrukwekkend hoe ze de boel laat draaien. In praktische zin: het is mijn moeder die thuis de lampen vervangt, want je kunt mijn vader niet op een ladder laten kruipen zonder meteen ook een ambulance te bellen. (lacht) En in emotionele zin: ze is de kapitein van ons schip.”

Een kapitein met een bijzonder levensverhaal, bovendien. Decennialang liet ze een passie – keramiek – chambreren. Pas op haar vijftigste ging ze er helemaal voor. Met verbluffend resultaat: ze stelt over de hele wereld tentoon, wint internationale prijzen, en wordt als een grote kunstenares ingehaald.

(glundert) Wat een verhaal, hè. Eentje dat veel vrouwen inspireert, want mijn moeder heeft laten zien dat je ook na je vijftigste nog een radicale keuze kunt maken, en nieuwe, grootse dingen kunt doen.

“Ik herinner me nog hoe mijn moeder een jaar of tien geleden haar debuut maakte op COLLECT in Londen, een heel prestigieuze beurs. Plots werd ze omsingeld door een groepje euforische Zuid-Koreanen: ‘Oh, you’re Ann Van Hoey! You’re a superstar!’ (lacht) Eén van die jongens van toen is nu zelf een legendarische keramist. Onlangs heeft hij nog bij mijn ouders gelogeerd.

“In Azië, waar keramiek heel populair is, afficheren musea het werk van mijn moeder met haar naam in gigantische letters. Ik vind dat geweldig indrukwekkend. En tegelijkertijd ben ik eeuwig aan het relativeren: over honderd jaar weet niemand nog wie Ann Van Hoey of Mark Uytterhoeven waren. Het gaat in het leven over plezier maken en je nuttig maken, niet over status verwerven. Maar toch: ik ben heel blij dat mijn moeder die oude passie teruggevonden heeft, en dat zij nu de ster van ons gezin is.”

In de internationale wereld van de keramiek is je vader ook écht meneer Van Hoey.

“Hij heeft er nooit een probleem mee gehad dat de rollen verschoven. Terwijl andere mannen misschien beduusd zouden opmerken: ‘Zeg, de schijnwerpers waren toch voor mij?’ Maar mijn vader vindt het heerlijk en holt vrolijk achter mama aan, met een kodakske om alles vast te leggen.”

GEWICHTLOOS

Je ouders leggen de lat hoog voor zichzelf. Doe jij dat ook?

“Het is alleszins de sfeer waarin ik ben opgegroeid: haalde ik een negen, dan volgde weleens de vraag waarom het geen tien was. En ik weet niet of het genetisch is, of eerder een gevolg van mijn opvoeding, maar ik heb ook de neiging om me te verliezen in mijn werk. Niet omdat ik iets wil bewijzen, wel omdat ik dat werk zo graag doe.

“In de tijd van mijn vader was het normaal om als man niet bezig te zijn met de vraag wat al dat harde werken voor je gezin betekende. Maar ik ben een vrouw, en ik leef in déze tijd – en dus probeer ik er alert voor te zijn. En ik heb een echtgenote die onomwonden zegt: ‘Ik ga niet het sloofje spelen.’ Dat helpt. (lacht)

Vind je dat we het in dit gesprek over je geaardheid moeten hebben?

“Toch wel. Omdat we nog altijd niet zijn waar we moeten zijn. Ik hoor mensen soms zuchten: ‘Zijn ze daar nu wéér? De strijd is gestreden, de wetten gestemd, holebi’s kunnen toch trouwen en kinderen krijgen? We kunnen er toch over ophouden?’ Maar er zijn nog steeds te veel mensen die afzien.

“Ook voor mij is het niet gemakkelijk geweest. Plots had ik gevoelens waarvoor ik geen taal kende. Ik werd verliefd op een vrouw, en leerde vervolgens pas het woord dat daarop geplakt werd. Lesbisch – het klonk wat agressief, en de term had in die tijd ook een expliciet negatieve lading. In de Verenigde Staten was Ellen DeGeneres al uit de kast gekomen, maar dat was het wel zo’n beetje. Het waren ook de begindagen van het internet: daar werden holebi’s nog als wandelende afwijkingen neergezet.

“Ik vertelde je al over de hechte meisjeskliek die tot op vandaag mijn vriendengroep is. Wel, in mijn tienerjaren zaten er elk weekend acht jonge vrouwen in mijn kamer. Want ik woonde in Mechelen, en ik had de gemakkelijkste ouders – en dus spraken we altijd bij mij af. Toen ik wist dat ik op vrouwen viel, durfde ik dat eerst niet te vertellen aan mijn vriendinnen. Want zouden ze dan niet denken dat ik hen op een ándere manier bekeek? Dat is een heel eenzaam jaar geweest – het donkerste van mijn leven. Later, toen ik het verteld had, hoorde ik vaak: ‘Pas maar op dat ze niet naar u aan het loeren is!’ Alsof ik plots elke vrouw zou bespringen.

“Wat ook vaak gebeurt: mensen die goede bedoelingen hebben, maar je toch kwetsen. ‘Ah, en kunnen jullie dan vrijen?’ ‘Ocharme, dat zal ook niet makkelijk zijn voor je ouders.’ ‘Vinden jullie kinderen het niet erg?’ Dat is goedbedoelde nieuwsgierigheid – maar ze bevestigt wel het idee dat je iets ráárs bent. Of mensen die hun ruimdenkendheid willen etaleren: ‘Van mij mogen jullie trouwen en kinderen krijgen! Allemaal prima!’ Alsof ons daarmee een voorrecht wordt verleend. De intentie – ‘Ik aanvaard je’ – is goed, maar wat zo iemand in wezen zegt, is: ‘Je hebt onze goedkeuring nodig om iets te doen dat voor ons vanzelfsprekend is. Je staat een trapje lager op de ladder.’ En dat zijn dan nog de voorbeelden van de subtiele afwijzing. Ik ben ook al verbaal en fysiek aangevallen vanwege mijn geaardheid. Dat zijn geen anekdotes die je snel even klasseert: er kwam schaamte van, en zelfcensuur. Je kunt zoiets niet gewoon uitzetten: dat is werken, een leven lang.

“Enfin, ik kreeg dus vaak het gevoel dat ik niet normaal was. En ik wás al niet normaal, want ik zat met die bekende vader. (lacht) Ach, ik zei al dat ik ben opgegroeid in een bad vol privileges, maar tegelijk was er dus ook die worsteling – mijn eigen kleine penibele situatie.”

Wat zijn tot nog toe de grote cesuren in je leven geweest?

“De periodes waarin ik in het buitenland woonde, hebben me heel erg bepaald. Want daar was ik gewichtloos: niemand identificeerde me er als de dochter van die bekende vader, dus kon ik helder kijken naar wie ik was.

“Als tiener heb ik twee maanden in Argentinië doorgebracht in een uitwisselingsproject, om Spaans te leren. Ik raakte er bevriend met een Amerikaans meisje dat een jaar later in Canada zou gaan studeren. Waarop ik dacht: dat wil ik ook! Het is bijzonder hoe soepel mijn moeder daarop reageerde: ‘O, wil je dat graag proberen? Prima, ga maar eens kijken.’ Waarop ik als 16-jarige in m’n eentje een week naar Montreal ging. Ik logeerde er bij een Canadese operazangeres die ik toevallig had leren kennen op de Night of the Proms, maakte kennis met de stad en de universiteit, en besloot om er een jaar te gaan studeren. Dat ging met vallen en opstaan, natuurlijk, maar het was een prachtige tijd.

“Daarna ben ik op Erasmus geweest naar Granada, en tijdens mijn tweede studie heb ik met mijn vrouw in Peru gewoond – ik maakte er mijn thesis over de homobeweging in Lima. Dat was een magistrale periode die me heel erg gevormd heeft.”

Waar haal jij je troost?

“Uit de gedachte dat we niet eens een speldenkopje in de ruimte en de tijd zijn. Dat het niet belangrijk is dat je bestaat, en dat de wereld je niet zal onthouden. Je moet je zingeving dus in het heden vinden: als je hier en nu iets kunt betekenen voor iemand, dan is dat al heel wat. Voor mij ligt daar het geluk.”

Raad je tot slot eens van wie dit citaat komt: ‘Weet je, welk geniaal stuk keramiek ik ooit nog ontwerp, welke mooie kom of welk prachtig kopje er nog uit mijn oven komt, mijn écht meesterwerk heb ik al gemaakt: mijn dochter.’

“Och, heeft mama dat ooit gezegd?”

Twaalf jaar geleden, in deze kolommen.

“Zo mooi! En daar zie je het dus, hè, het grote comfort in mijn leven: ik hoef niets uitzonderlijks te doen om de liefde van mijn ouders te verdienen. Zij omhelzen me gewoon.”

Ooit vrij, vanavond om 22.15 uur op Play4.

© Humo

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234