Zondag 21/04/2019

Meensel-Kiezegem

"Ik kreeg een pistool: ‘Hier Jef, ge kunt ’m doodschieten’"

Jozef Craeninckx heeft zijn vader nooit meer terug­­gezien. ‘En ik kan u ­zeggen dat het tijd kost voor dat besef tot u doordringt.’ Beeld Stefaan Temmerman

Precies 74 jaar geleden brak de hel los in het anders zo vredige Hagelandse dorp Meensel-Kiezegem. Boerenzonen werden gefusilleerd of in vrachtwagens geladen, om nooit meer terug te keren. Jozef Craeninckx is de laatste die er nog over kan vertellen. ‘Een snotaap die je vader tegen de grond slaat, dat is voor mij de oorlog.’

"Soms, als ik jonge mensen hoor klagen, denk ik dat ze zich ­misschien eens vier weken in de gevangenis moeten laten opsluiten. Niet de gevangenis van nu. Nee, het Sint-Gillis van toen. Toen de Gestapo het voor het zeggen had. Mijn motto is achteraf altijd geweest: ik wil leven tot ik doodga. Er zijn mensen die leven, die gezond zijn, en die niks uit hun leven halen. Verstaat ge?”

Massa-executie

De naam Jozef Craeninckx (90) is de enige ­zonder overlijdensdatum op het oorlogs­monument voor ‘Zij Die Weerkeerden’ op het kleine kerkhof van Meensel. Ook al vielen er ‘slechts’ 67 doden, vergelijken historici het drama van Meensel-Kiezegem vaak met de massa-executie in het Franse Oradour-sur-Glane, waar kort na de landing van de geallieerden in Normandië 642 mensen werden gedood. Als dwaze, blinde vergelding in een toch al verloren oorlog.

Er is één enkel verschil: in Meensel-Kiezegem waren het geen Duitse soldaten. Het waren Vlamingen. Jongens van wie sommigen voor de oorlog nog hadden gevoetbald met hun latere slachtoffers.

De meest beroemde boreling van Meensel-Kiezegem is Eddy Merckx. Zijn ouders stonden weliswaar bekend als “witten”, maar verlieten het dorp met al zijn intriges kort na de oorlog al. Dat deed ook Jozef. Hij ontvangt ons in het met oorlogsboeken gevulde bureel in zijn zorgflat aan de rand van Gent. Hij is niet zo geweldig goed meer ter been. Hij staat er wel op om zelf naar de keuken te schuifelen voor een paar glazen water. Hij zegt het nog eens. “Ik wil leven tot ik doodga.”

U was zestien in de zomer van 1944.

Jozef Craeninckx: “Wij waren met vier jongens thuis. Twee tweelingen. De oudsten, zes jaar ouder dan Frans en ik, waren opgevorderd om in Duitsland te gaan werken, maar onze va had op de boerderij een schuilplaats voor ze gebouwd. De Duitsers hebben hen nooit gevonden. Ook niet die nacht, de nacht van de razzia’s. Het is een vreemde historie, een historie van laagmenselijkheid. Meensel-Kiezegem, dat was een dubbel dorp, het waren twee parochies en misschien was dat beter zo gebleven.”

Meensel was de haard van het verzet en Kiezegem dat van de Duitsgezinden?

“Dat zégt men. Men spreekt over witten en ­zwarten, maar de breuklijnen gingen terug op oude dorpsruzies. In een oorlog heeft men weinig keuze. Ons dorp lag op de vaste route van de ­geallieerde bommenwerpers die Duitse steden gingen platleggen. Er viel al eens een vliegtuig tegen de grond en dan moest de piloot op zoek naar voedsel en mensen van de weerstand. Op een boerderij is er altijd voedsel. Mijn vader kreeg op een dag weerstanders op bezoek die hem ­zeiden dat hij een piloot in huis moest halen. Had hij dat geweigerd, dan had men hem waarschijnlijk ingedeeld bij de zwarten. Mijn vader was – hoe noemt men dat? – een practicus.

“Je had aan de kant van de zwarten Rémy Merckx, een welstellende katholieke boer en ­politicus. Daarnaast had je Felix Broos, die dacht dat hij de koning van Meensel-Kiezegem was. Zijn ene zoon studeerde voor ingenieur, de andere zat aan het oostfront. Aan de andere kant had je de liberale familie Pypen die goede connecties had met de directie van de Tienense suikerfabriek. Rond hem en notaris Mertens was een ­plaatselijke cel ontstaan van de NKB (Nationale Koninklijke Beweging, DDC), de weerstanders.

“Nu moet ik u zeggen: mijn broer Frans en ik zagen dat allemaal als één groot avontuur. Een spel van de grote mensen. In feite had in Meensel-Kiezegem nooit iemand last van iemand.”

Jozef Craeninckx woont niet meer in Meensel-Kiezegem. Hij is 90 jaar ­intussen, maar wil niet naar een ­rusthuis. ‘Ik wil leven tot ik doodga.’ Beeld Stefaan Temmerman

Tot die dag.

(knikt) “30 juli 1944. Het was een zondag. Het was kermis in Attenhove. Gaston Merckx, de jongste zoon van boer Merckx, was daar met een paar maten naar op weg. Hij werd doodgeschoten. Zomaar. Op 300 meter van ons thuis. Die jongen was pas 24.”

De Gewapende Partizanen, de communisten, eisten na de oorlog de moord op Merckx op. Het was volgens hen een vergismoord.

“Partizanen? Ik noem dat liever bandieten. Ze zijn ooit bij ons op de boerderij gekomen. Ze zeiden: ‘Geeft ons geld, anders schieten wij u dood’. Zo was de oorlog.

“Het ging onmiddellijk rond in het dorp dat de kleine Merckx was doodgeschoten. Iedereen is gaan kijken. Ik zie moeder Merckx nog voor mij. Ze riep: ‘Nu moeten er honderd mensen sterven!’ Je vóélde dat: alsof de hel was neergedaald over Meensel-Kiezegem. De dag was prachtig begonnen: volle zon. Na de moord barstte er een onweer los. Opeens was er overal water en modder.

“De Merckxen vonden dat zij boven alles ­stonden, dat zij de belangen van het dorp goed hadden gediend. Ik doe u ook opmerken dat twee maanden eerder de geallieerden waren geland. De oorlog was aan het kantelen. Dat speelde ­allemaal.”

Tussen de lange rijen witte kruisjes op het kerkhof van Meensel, is er ook eentje voor uw neef August.

“Ja, August. Hij is die namiddag naar het café gegaan. Hij heeft daar bij een pintje staan roepen: ‘En ziet ’m daar nu liggen, kleine Merckx, met zijn kloten omhoog!’ August was het eerste slachtoffer van de eerste razzia, op 1 augustus. Ze hebben toen ook Oscar Beddegenoodts doodgeschoten, de leider van de partizanen. En daarna Petrus Vander Meeren. Die had de pech dat hij juist met zijn fiets voorbijkwam. Tussen hem en boer Broos was er oud dispuut over een onecht kind. Ik hoor ze nog roepen, net nadat ze Vander Meeren hadden neergeschoten: ‘En daar zijn we dan ook van af!’ Paf, weg. Dood. Ik zeg het u, er was geen menselijkheid meer. Ze namen zo’n vijftien mensen mee, mannen en vrouwen. Die werden naar de gevangenis in Leuven overgebracht.”

Vanuit Antwerpen kwam op 11 augustus 1944 onder leiding van de Vlaamse collaborateur Robert Verbelen een commando van DeVlag en de Sicherheitsdienst over.

“In die tijd was je op je zestiende op de boeren­buiten nog een kind. Ik herinner me de Duitse officier, het geroep in de nacht. Ze doorzochten onze boerderij. Mijn oudste broers waren er, maar ze hebben ze niet gevonden. Onze va en wij, wij moesten mee. Naar de zusterkesschool.”

Marcel en Albert Merckx, twee oudere broers, hielden twee zwaar mishandelde verzetsmannen vast aan een ketting op de speelplaats.

“We werden één voor één naar voren geduwd. Een van de Merckxen vroeg: ‘Heeft dieje het verzet gesteund?’ En die twee sukkelaars, die al niet meer konden spreken, konden alleen knikken. In de achteraf zeer naïef gebleken hoop dat ze in leven zouden worden gelaten.

“Frans en ik zagen het gevaar niet. Onze va was mee in de vrachtwagen geladen, de dokter van het dorp, de burgemeester en zelfs mijnheer ­pastoor. Allemaal mensen bij wie wij ons veilig voelden. In de gevangenis in Leuven was er plaatsgebrek, wij moesten op de gang slapen. Na een paar dagen zijn we afgevoerd naar de Gestapo, aan de Louizalaan in Brussel. Daar werd het al minder avontuurlijk. ‘Op uw knieën! Niet bougeren!’ Er liep zo’n zwarte rond, een Vlaming met een bandietengezicht. En maar vloeken op ons, de hele tijd.

“Wij zaten daar, het was snikheet. Enkele meters verder lagen de meisjes van de Gestapo, allemaal in bikini, te zonnen. We mochten van die Gestapo-man niet kijken, maar we deden het natuurlijk toch. (lachje) De mannen van de Gestapo hadden altijd de mooiste meisjes.

Jozef Craeninckx, de laatste overlevende van het drama van Meensel-Kiezegem. Hij kon destijds aan de dood ontsnappen dankzij de spooktrein. Beeld Stefaan Temmerman

“Daarna zijn we met de camion naar de ­gevangenis van Sint-Gillis overgebracht. Tot op dat moment waren wij samen, Frans, mijn vader en ik. Ik had het gevoel dat ons niks kon ­overkomen.

“En daar, in Sint-Gillis, is mijn oorlog ­begonnen. Mijn vader zei iets, ik weet al niet meer wat. Hij werd voor onze ogen tegen de grond geslagen. Een Vlaming alweer, een zwarte, die riep: ‘Gij hebt hier niks te willen!’ Gewoon een snotaap die je vader tegen de grond slaat. (geëmotioneerd) Ik kan dat niet goed onder woorden brengen. Uw vader, de man naar wie gij altijd zo hebt ­opgekeken. Die daar dan ligt. Voor mij is dat de hele oorlog, in dat ene moment.”

U hebt uw vader nooit meer teruggezien.

“Nee, en ik kan u zeggen dat het tijd kost voor dat besef tot u doordringt. 

"Ik zat in Sint-Gillis opgesloten in cel 331. Met vier man op één cel. Ik was de jongste en in het begin vertrouwden de anderen mij niet. Ze zagen me aan voor een spion. De mannen in de cel waren echte weerstanders. Ik kon dat opmaken uit hun gesprekken, uit hoe ze elkaar met ­getokkel op verwarmingsbuizen gecodeerde boodschappen stuurden. Door het spionoogje in de deur kon ik zien hoe ze elke ochtend iemand uit de cellen aan de overkant van de gang ­haalden. ’s Ochtends liepen ze, ’s avonds werden ze gesleept. Helemaal onder het bloed.

“Begin september ’44 was onze gang aan de beurt. Eén voor één werden we weggehaald. De laatste met wie ik daar zat, was een Waal. Hij was in 1942 al opgepakt en ter dood veroordeeld nadat hij was betrapt bij het geven van lichtsignalen aan geallieerde vliegtuigen. Hij was ervan overtuigd dat ze hem zouden executeren.

“Dat is geen pretje: uw cel delen met iemand die weet dat hij gaat worden doodgeschoten. De Waal liep nacht na nacht in zijn blootje heen en weer in onze cel, met de bundel papieren van zijn terdoodveroordeling tegen zijn borst aangedrukt. Ik zei: ‘De oorlog is bijna gedaan. Ge moet blijven hopen.’ Het had geen effect, hij was geobsedeerd. ‘Mais non! Ils vont me fusiller!’ Hij had een vrouw, ­vertelde hij me, hij had kinderen en hij was er zeker van dat hij ze nooit meer zou zien.

“Op een dag is een Duitse cipier mij komen melden dat ze de Waal om drie over twaalf ­hadden doodgeschoten. Ik had daar niet om gevraagd, om op de hoogte te worden gehouden.”

Bent u mishandeld?

(zucht) “Op een dag kwamen ze mij uithalen. Ik werd naar de Gestapo op de Louizalaan ­overgebracht. Ik moest ‘verklaringen afleggen’. Men heeft me tegen de grond gemept, ze ­stampten me waar ze konden. Ik ben sinds die dag doof aan m’n linkeroor, dat is toen helemaal kapot gestampt.

“Ze toonden een document van vier ­bladzijden, in het Duits. ‘Tekenen’, zeiden ze. Ik weigerde. Ik kreeg nog meer slaag en heb dan getekend. Ze zochten informatie over Vital Craeninckx, mijn neef. Onze va, die heette ook Vital. Het is ons niet gelukt om aan de Gestapo uit te leggen dat ze twee Vitals door elkaar hadden gehaald.

“Op een ochtend was ik aan de beurt: ‘Fertig machen!’ Ik kwam op de binnenkoer, ik zocht mensen van Meensel, en zag niemand die ik kende. We moesten in camions stappen en die brachten ons naar ’t Klein Eiland (Brussels ­goederenstation, DDC). Daar werden we met 80 man in een beestenwagen geduwd. Het was vechten voor je plekje, in zo’n wagon. Het was overleven. 

“Heeft u ooit gehoord over Jean de Selys Longchamps?”

De Belgische RAF-piloot die in januari 1943 van zijn eskadron afweek en het Gestapo-gebouw aan de Louizalaan onder vuur nam.

“Hij heeft die dag de nummer twee van de Gestapo gedood. Daarop had de nummer één gezworen dat geen enkele Belgische politieke gevangene de oorlog zou overleven. Dat is wat moest gebeuren op zaterdag 2 september 1944. Wij waren met 1.400 gevangenen die net voor de bevrijding nog naar Duitse kampen moesten ­worden overgebracht. Wij hebben uren in die trein gezeten. Stoppen, weer verder rijden, geluid van blaffende honden.”

Jullie zaten op de spooktrein, bestuurd door machinist Louis Verheggen. Hij hield de nazi’s voor de gek: in plaats van vanuit Brussel naar Duitsland te rijden, ging hij richting Mechelen.

(enthousiast) “Dát noem ik nog eens een echte weerstander! Wat die man heeft gedaan, dát is heldhaftig. Hij en zijn stoker hebben meer dan duizend levens gered, waaronder het mijne. Hij is in een boog tot aan Mechelen gereden, en dan gewoon weer terug naar het Klein Eiland.”

Er is niet eens een straat naar hem genoemd.

“Louis Verheggen was een bescheiden man, hij was niet uit op erkenning of decoraties. Frans is hem tot aan zijn dood meerdere keren gaan bezoeken. Hij zei altijd opnieuw dat hij alleen maar zijn plicht had gedaan. Dat het iets ­vanzelfsprekends was geweest. Er moest daar zo geen spel van worden gemaakt, zei hij.

“De dag van de bevrijding van Brussel mochten wij dan eindelijk uit die trein komen. We zijn doorgelopen tot aan de ­perrons van het Zuidstation. En daar zagen we ze, de vrouwen van Meensel. En Frans, mijn broer. Alleen mijn vader, die was er niet. We zijn aan de terugweg begonnen. Van onze nonkel, die in de Wetstraat woonde, kregen we twee fietsen en daarmee zijn we naar de Leuvensesteenweg ­gereden. We zaten middenin de stroom van vluchtende Duitsers. In Linden, iets voorbij Leuven, zijn we gestopt bij Jef, mijn peter. Op zijn boerderij kregen wij te eten.”

Weet u nog wat?

“Spek met eieren. Het lekkerste wat ik ooit in mijn leven heb gegeten.

“De volgende dag besloten Frans en ik naar ons moe terug te keren. Men raadde ons dat af, want overal waren er Duitsers en Duitsgezinden aan het vluchten die vanuit de lucht werden bestookt door de RAF. We hebben één keer voor de kogels moeten schuilen in een schuur. In Lubbeek zijn we drie jonge Duitse soldaten tegengekomen, nog zo jong en groen achter de oren als wij. We ­hebben met hen een pint gedronken. Ja, de oorlog was voorbij.

“Ons moeder en onze broers vielen omver van het verschieten toen wij op de boerderij aankwamen. Ik heb nog dat beeld van ons dorp, die eerste dag. Aan de zusterkesschool, dezelfde plaats, waren mannen drie zwarten in elkaar aan het kloppen. Een van hen gaf me zijn pistool en zei: ‘Hier Jef, ge kunt ’m doodschieten’. Zo was het nu, in het daarvoor zo rustige Meensel-Kiezegem.”

Jozef Craeninckx, de laatste overlevende van het drama van Meensel-Kiezegem, in gesprek met journalist Douglas De Coninck. Beeld Stefaan Temmerman

Gaston Merckx, weten we nu, werd vermoord omdat hij toevallig het pad had gekruist van drie jonge partizanen die wapens aan het smokkelen waren.

“Dat zegt gij. Dat zeggen de boekskens. Ik weet dat zo niet. Enfin, ik spreek liever niet over wat ik heb opgevangen.”

Van wie zou u na 74 jaar nog schrik hebben?

“Ik heb er in mijn hele leven niet over gesproken en ga dat nu niet meer veranderen.”

Heeft u geaarzeld, toen men u dat pistool ­aanreikte?

“Nee, natuurlijk niet! Geen moment. Negen op de tien mensen zijn goed. Het is voor die tiende dat ge moet opletten. En die tiende, die vond ge in de oorlog aan beide kanten, zowel bij de witten als bij de zwarten.”

Wanneer daagde het de vrouwen in Meensel-Kiezegem dat hun mannen bijna allemaal waren omgekomen in Duitse kampen?

“We hebben Jefke Claes weten terugkeren. Daarna Marcel Loddewykx en Frans Trompet. Dat was al in het voorjaar van ’45. Als ge hen zag – meer geraamte dan mens – dat wist ge ’t wel. Hoe het moest zijn geweest in Neuengamme.

“Ik heb mij in mijn latere leven nooit nog door iemand laten commanderen. Deed ik mijn werk niet meer graag? Dan ging ik iets anders doen. Ik heb aan de staat gewerkt, bij het ministerie van Koloniën. Ik ben op een dag – gewoon omdat ik daar zin in had – rechten gaan studeren. Ik heb een hypotheekmaatschappij opgericht. Op mijn 60ste ben ik seminaries gaan organiseren om mensen voor te bereiden op hun brugpensioen.

“Weet ge wat die paar weken in de Gestapo-gevangenis van mij gemaakt hebben? Een vrij mens. Ik heb geleefd als een vrij mens. Voilà, ik denk dat het dat zo’n beetje is. Nu ben ik 90 en wil ik níét naar een zorgcentrum. Ik heb het gevoel dat ze mij daar gaan commanderen.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.