Maandag 21/10/2019

'Ik kijk naar hem als door de ogen van een vlieg'

Morgen komt Kwaadschiks uit, de nieuwe roman van A.F.Th. van der Heijden waar hij acht jaar aan werkte. In die periode stierf zijn zoon, schreef hij een boek over Tonio dat verfilmd werd en werkte stug door, want 'als het schrijven ophoudt, houdt alles op'.

Nadat zijn enige kind, Tonio, slechts 21 jaar oud, op 23 mei 2010, 'Zwarte Pinksterdag', was overleden na een noodlottig verkeersongeval, kwam A.F.Th. van der Heijden nauwelijks de deur meer uit. "Ik kon niet meer", zegt Van der Heijden. "Ik schaamde me voor de dood van Tonio, voelde me schuldig - en wilde niemand meer onder ogen komen."

Slechts zelden liet Van der Heijden de afgelopen jaren nog iemand toe in zijn werkkamer. Geen interviewers, maar ook geen vrienden. Alleen zijn vrouw, Mirjam Rotenstreich, was er welkom.

Toch zal zijn werkkamer de lezers van zijn requiemroman Tonio (2011) bekend voorkomen. Het mysterieuze meisje Jenny, naar wie Van der Heijden op zoek ging omdat Tonio op een van zijn laatste dagen foto's van haar had gemaakt, keek er stiekem rond. 'Op die lange tafel lagen verschillende kaarten uitgespreid. Plattegronden van Amsterdam, Amstelveen, Valkenburg... Volgens Tonio waren die voor een roman die je aan het schrijven bent. Over de moord op een Amsterdamse, of nee, Amstelveense politieagente.'

Aan de lange tafel met de elektrische schrijfmachines, mappen met documentatie, twee 'ordnertreintjes' met de typoscripten van de nog te verschijnen romans MX17 en De grafdelver of Schwantje's fijne vleeschwaren, troont de schrijver. Rechte rug en fel vonkende groene ogen. Op 15 oktober werd Van der Heijden 65 jaar, maar hij ziet er allerminst uit alsof hij rijp is voor zijn pensioen. "Nooit! Alleen de gedachte al. Als het schrijven ophoudt, houdt alles op."

Zijn rechterhand rust beschermend op een dik, wit boekblok: 1.296 pagina's Kwaadschiks, de roman waaraan hij de afgelopen acht jaar in verschillende intensieve perioden heeft gewerkt. "Aangekondigd door De Bezige Bij als een boek van 1.408 pagina's", zegt Van der Heijden. "Om de zeurkousen vast voor te zijn: ik heb er meer dan honderd pagina's uitgehaald. Dit boek kan geen pagina korter. Wat zeg ik: geen woord."

Tonio had het Jenny goed verteld. Voor Kwaadschiks baseerde Van der Heijden zich op de moord op een Amstelveense agente die destijds breed werd uitgemeten in het nieuws. Op 9 juli 2008 reed de 49-jarige Franklin F. stomdronken naar het huis van zijn ex-schoonouders. Daar schoot hij met zijn pistool tweemaal op de voordeur. Vervolgens reed hij slingerend in zijn donkerblauwe BMW naar het huis van zijn ex-vriendin. Op de Piet de Winterlaan in Amstelveen werd hij staande gehouden door de 28-jarige agente Gabriëlle Cevat, die in burgerkleding op weg was naar haar werk. Zodra Gabriëlle naast zijn auto opdook, schoot F. haar neer. Zij overleed nog dezelfde nacht.

"Die zaak moest iets van me", zegt Van der Heijden. "Ik volgde alles in de media en zag de beelden van haar begrafenis. Collega-agenten droegen borden mee met uitvergrote portretten van Gabriëlle Cevat. Dat beeld maakte een onuitwisbare indruk op me. Steeds hetzelfde portret van een goudharige, lichtogige, jonge, opgewekte vrouw. De zaak raakte me vanwege het heftige contrast. Aan de ene kant Gabriëlles vanzelfsprekende rechtvaardigheid: 'Dit kan ik niet laten passeren.' En aan de andere kant het totale cynisme van de doorzopen psychopaat die het schot loste."

Dat was de kiem. Maar in Kwaadschiks dwaalt Van der Heijden vervolgens van de werkelijke zaak af. "Ik wist al snel dat ik een etmaal uit het leven van een psychopaat heel gedetailleerd wilde beschrijven - van 's morgens, als hij op kantoor zit met een kater, tot 's nachts laat als hij op het politiebureau wordt verhoord over de moord. Binnen dat etmaal wilde ik de allerkleinste verschuivingen in zijn humeuren en temperamenten weergeven. Ik zou naar hem kijken als door de ogen van een vlieg."

Van der Heijden filosofeert even verder over zijn eigen metafoor. "De vlieg ziet vele facetten van zijn omgeving. Die ogen! Twee grote, halve bollen. Gerasterd. Schermmaskers. De kop van een vlieg uitvergroot: twee enorme vrouwenbillen in netkousen met iets wat lijkt op het kruis van een slipje ertussen."

Whotookit

De psychopaat uit Kwaadschiks, de copywriter Nicodemus Dorlas, is niet Franklin F. en Elbarte Huistra is niet Gabriëlle Cevat. "Ik wilde geen biografie van de dader schrijven en ook niet van het slachtoffer. Het ging me om de gebeurtenissen, waar ik me losjes op heb gebaseerd."

Omdat Van der Heijden zich vrij wilde voelen om zijn verbeelding te laten stromen, koos hij er ook niet voor om - zoals Truman Capote deed voor In Cold Blood - contact te zoeken met de rechercheurs, de advocaat of de dader. "Ik wilde van de zaak niet meer weten dan de gemiddelde burger."

In de Amstelveense moordzaak was sprake van een Antilliaan van Italiaanse afkomst. "Die raciale achtergrond heb ik weggelaten. Heel bewust. Dorlas moest een 'doorsnee'-psychopaat worden. Als zoiets bestaat. Ik wilde de lezer laten voelen hoe het begint te zoemen in hem, hoe er iets in hem vaart dat hij niet de baas is. Heeft dat te maken met zijn vader, die op sterven ligt, en die zo'n neerdrukkende rol in zijn leven heeft gespeeld? Heeft het te maken met zijn stiefmoeder, tante Hetty, die hem als jongen heeft verleid? Of speelt de verlatingsangst hem parten nadat zijn vriendin, Desirée Harthoorn, Dees, na een ruzie zijn huis heeft verlaten?"

Van der Heijden speelt in Kwaadschiks met de conventies van de detective. "De meest voorkomende vorm is een whodunit. Wie heeft het gedaan. Dat wordt dan duidelijk aan het slot - zoals bij Agatha Christie. Maar je kunt ook je lezer meteen laten weten wie het heeft gedaan. Dat doet Dostojevski in Schuld en boete. Raskolnikov heeft het gedaan, dat weten we al spoedig. Maar daarna krijgen we nog duizend adembenemende pagina's waarin wordt ontrafeld wat er precies is gebeurd. Kwaadschiks is een whotookit."

Aanvankelijk keek Van der Heijden in intermezzi vooruit op de berechting van Dorlas. Dat gebeurt nu alleen nog in de proloog, die speelt op de dag dat het slachtoffer op 'Commervlugt' wordt begraven. Dorlas beroept zich tijdens het verhoor op zijn zwijgrecht.

"De advocaat van de psychopaat", zegt Van der Heijden, "speelde een belangrijke rol in die vooruitblikken. Maar ik kreeg zijn profiel - in de zaak van Franklin F. was dat Peter Plasman - maar niet helder. Tot het me plotseling inviel. Waarom maakte ik er geen zaak van voor mr. Ernst Quispel? Die kende ik nog uit Advocaat van de hanen. Vanaf dat moment schreef het boek zichzelf."

Er zijn 22 jaar verstreken sinds Quispel advocaat van 'de hanen' was, en helderheid moest verschaffen in de dood van krakersleider Kiliaan Noppen in een Amsterdamse politiecel.

In Kwaadschiks is Quispel een bekende society-advocaat die steeds grotere zaken heeft aangenomen om daar zelf als steeds grotere advocaat uit op te rijzen. Hij is er wat beroepsethiek betreft een stuk cynischer op geworden. Zelfs zijn cliënt Dorlas spreekt hem daarop aan. Omgekeerd ziet Quispel in Dorlas een tweelingbroer die de verkeerde kant is opgegaan. De alcoholisch paranoide Dorlas, die vodka drinkt als water, verwekt in Quispel ook heimwee naar zijn afgezworen perioden van liederlijke drankzucht, de dipsomanie.

Dag Nul

Zo werd Kwaadschiks ineens ook onderdeel van de cyclus De tandeloze tijd. Aan de zijde van Quispel duikt ook Albert Egberts op, het alter ego van de schrijver, die in de gebeurtenissen een Shakespeareaans toneelstuk ziet. "Het gaf mij het perfecte alibi om ook dit verhaal 'in de breedte' te rekken", zegt Van der Heijden.

Vanaf het najaar van 2008 had hij al tweemaal een periode van honderd dagen besteed aan Kwaadschiks. "Ik was goed op dreef. Dat laat de film Tonio ook mooi zien. Bij Pierre Bokma, die mij speelt, hangt een groot werkschema aan de muur. Dat hebben ze gekopieerd van mijn eigen schema."

Eerste Pinksterdag 2010 was Dag Nul van de derde periode van Honderd Dagen, waarin hij Kwaadschiks wilde afronden. "Ik maak al decennia lang schema's voor Honderd Dagen, en begin dan op Dag Nul. Dat is de dag waarop ik mezelf laat zien dat ik de hoeveelheid werk aankan. Tegelijk verplicht Dag Nul tot niets: die mag zelfs mislukken. Er kan nog niets verloren gaan."

Terwijl Van der Heijden 's ochtends in bed lag te genieten van wat die dag zou brengen, sneed de bel door het trappenhuis. Twee agenten voor de deur. "Op Dag Nul", zegt hij, "verongelukte Tonio. Ik mag van Mirjam nooit meer een schema maken met een Dag Nul erin. Maar nu is het te laat. Die dag bereikte mij de opdracht om een heel ander boek te beginnen. Het boek dat ik nooit had willen schrijven."

Eén ondeelbaar ogenblik overwoog Van der Heijden helemaal te stoppen met schrijven. En dus met zijn leven. Maar daarna schoof hij Kwaadschiks bruusk terzijde en begon, woest ratelend op zijn schrijfmachine - zo hard en verbeten dat zijn ongeknipte nagels tot bloedens toe in vingers sneden - aan het requiem voor zijn zoon. Na de begrafenis trok hij elke dag hetzelfde versleten houthakkershemd aan en werkte verder. Hij zette geen voet meer buiten de deur. Tonio verscheen exact een jaar na de dag van het ongeluk, op 23 mei 2011.

"Je zou zeggen", zegt Van der Heijden verontschuldigend, "dat ik na het voltooien van Tonio meteen Kwaadschiks weer zou hebben opgepakt."

Maar dat gebeurde niet. Hij werkte verder aan twee geschiedenissen die zich in Geldrop, zijn geboortedorp, afspeelden: De IJzeren Man en De grafdelver of Schwantje's fijne vleeschwaren. Beide ook toekomstige delen van De tandeloze tijd.

Altijd weer Oedipus

Van der Heijden heeft het gevoel dat zijn romans ook zelfstandig hun weg naar buiten zoeken. Dat hij ze niet altijd kan sturen. De schrijver wijst op een van de stalen archiefkasten langs de wand van zijn kamer. "Mirjam raadde mij aan om die kast eens open te trekken. Ooit was ik begonnen aan een grote, historische roman over de Gouden Eeuw, maar slaagde er niet in die te voltooien. Mirjam zei tegen mij: 'Waarschijnlijk ben je met die roman al veel verder dan je denkt'."

Dat klopte en dat klopte niet. "De roman was nog lang niet klaar. Maar ik had het deel dat speelde rond de Vrede van Nijmegen er al uit losgehaald. Dat materiaal heb ik nog wel bewerkt, maar lag in feite gereed op mij te wachten: De ochtendgave. Die heb ik dus aan Mirjam te danken.'"

Even wonderlijk verging het Van der Heijden toen hem de P.C. Hooftprijs werd toegekend. "Ik had het plan om op 30 mei 2014, de dag dat mij de prijs werd uitgereikt, Kwaadschiks te presenteren. Dat leek me een mooi levensteken. Zo van: jullie geven me nu wel de P.C. Hooftprijs, maar dit is alvast de eerste kilometerpaal op weg naar de rest. Dat lukte me toen niet, maar ik had nog wel de tijd om iets kleiners te schrijven. Daarbij kreeg ik de hulp van Gustave Flaubert."

Dat zat zo. "Ik herlas Un coeur simple van Flaubert. Dat verhaal gaat over een vrouw die haar hele leven in dienst stelt van haar werkhuizen. In haar eenzaamheid neemt ze een papegaai als gezelschap. Vervolgens sterft de papegaai en laat de dienstbode die opzetten om nog wat aanspraak te hebben - ook al is die eenzijdig. Een droevig en toch troostrijk verhaal over een vrouw die na een leven van zwoegen in dienstbaarheid sterft. Toen dacht ik: dit is nu precies het omgekeerde van het verhaal van mijn tante, Tientje Poets. Zij was een protesterende dienstbode die het iedereen zo moeilijk mogelijk wenste te maken. Haar verhaal had altijd al in mijn hoofd rondgespookt, maar nu wist ik hoe ik dat moest vertellen. In vijf weken schreef ik De helleveeg achter elkaar op.'

Op zijn bureau ligt een stapeltje recensies over Das Biest, de Duitse vertaling. In Duitsland heeft men vooral aandacht voor de tintelende erotische scènes van de jonge Albert Egberts met tante Tientje. 'Dichter bij mijn moeder kon ik niet komen', concludeert Albert droogjes.

"Bij mij is Oedipus nooit ver weg", zegt Van der Heijden. "Hij waart ook rond in Kwaadschiks. Dorlas gaat als 15-jarige jongen met zijn nieuwe stiefmoeder naar bed als zijn vader hem net is voorgegaan. Vader en zoon zijn verliefd op dezelfde vrouw, Hetty. De vader is alleen bijna drie keer zo oud als de zoon. Hetty is zo obsceen dat ze, nog geen kwartier nadat ze gemeenschap heeft gehad met de vader, de zoon het nog eens laat overdoen. Met de suggestie: wie zal nu de vader van mijn kind worden..."

Slaapziekte

In het najaar van 2013 liet Van der Heijden een nieuw Honderd Dagen-schema ingaan voor Kwaadschiks. Het was niet genoeg om de roman te voltooien. En of de duvel ermee speelde, ook het volgende schema werd niet gehaald. Op 17 juli 2014 zat Van der Heijden gekluisterd aan het televisietoestel nadat de ramp met de MH17 zich had voltrokken. Drie weken later begon hij aan MX17 - waarvan het ordnertreintje klaar staat op de lange sorteertafel - en puurde daar deze zomer alvast een feuilleton voor NRC-Handelsblad uit: President Tsaar op Obama Beach.

In MX17 duikt een oorlogsfotograaf op, Natan, die mede is gemodelleerd naar Tonio. "Ik vroeg me af: hoe zou het Tonio vier jaar na zijn dood zijn vergaan als hij nog had geleefd? Hoe ver zouden zijn ambities als fotograaf nu reiken? Dus toen ik een oorlogscorrespondent nodig had die tussen de wrakstukken naar de waarheid zocht, schoot mij dat weer te binnen.

"Tonio zou overigens nooit naar het rampgebied zijn afgereisd. Hij riep de figuur van Natan in mij wakker, maar Natan zocht zijn eigen weg. Ik was huiverig om aan Mirjam te vertellen dat Tonio opnieuw de weg naar mijn werk had gevonden. Tot mijn verbazing was ze daar razend enthousiast over. Ze had de gesprekken gemist die we over Tonio hadden gehad toen ik de requiemroman schreef."

Iets meer dan een jaar geleden kreeg Van der Heijden een mail via De Bezige Bij - zelf houdt hij zich nog altijd ver van een computer - van een hoofdinspecteur van politie. "De inspecteur had Tonio gelezen en was geïntrigeerd door het zinnetje in mijn boek waaruit bleek dat ik mij bezighield met de moord op een Amstelveense agente. 'Vergis ik me of gaat dat over Gabriëlle Cevat', mailde hij me. Als ik daar meer over wilde weten, kon hij me in contact brengen met de collega's die zich met de zaak hadden beziggehouden. En met de moeder van Gabriëlle Cevat."

Hoewel van der Heijden juist niet op zoek was gegaan naar meer feitelijke of persoonlijke gegevens, bracht hij, samen met Mirjam en de hoofdinspecteur, een bezoek aan de moeder van Gabriëlle. "Ik wilde haar graag geruststellen. Misschien zou ze wel teleurgesteld zijn dat het géén exacte reconstructie van de moordzaak was. Ik heb haar uitgelegd waarom het mij niet ging om de biografie van de dader en of haar dochter, maar om de psychologie van de psychopaat. Dat ik hem in fictie zo dicht mogelijk op de hielen wilde zitten."

Van der Heijden zat 'Dorlas, Nicodemus' (Joh 3:1, de farizeeër die Christus opzocht om met Hem van gedachten te wisselen), zelfs zo dicht op de hielen dat er een aantal eigenschappen van de schrijver in hem terechtkwamen. De meest in het oog springende is misschien wel de apneu, de slaapziekte waaraan Dorlas lijdt, en waarvoor hij 's nachts een masker op moet dat met een slurf is verbonden aan een luchtapparaat.

"Bij mij werd het pas laat ontdekt. Ik was al tijden dood- en doodmoe. En dat kan heel goed worden verklaard uit het feit dat ik leed aan een constant zuurstofgebrek in mijn bloed. Je adem staat 's nachts soms minuten stil. Achteraf is het vreemd dat we daar niet eerder aan gedacht hebben. Mijn vader had ook apneu. 's Zondags ging hij liggen slapen op de bank. Als kind observeerde ik hem en ging ik mee in het ritme van zijn adem. Die stokte en kwam pas na een ijselijk lange stilte weer los met een kreun. Een soort doodsrochel."

Een stemmetje

In Kwaadschiks kon Van der Heijden die ziekte en de claustrofobie van een slaapmasker goed gebruiken. "Dat je niet meer vanzelfsprekend ademt. Het beangstigende geluid dat je voortbrengt. En dat voor iemand die, zoals Dorlas, tegelijkertijd als obsessie heeft het aardse bestaan te verruilen voor het Domein van de Stilte."

Aan verregaande spiegeling van zichzelf met Dorlas wil Van der Heijden zich niet wagen. "Ik wil het ook niet weten, wat er van mijzelf in die psychopaat terecht is gekomen. Het is een motief dat ik absoluut niet aan mijn boek gehecht wil zien: dat ik begrip zou willen kweken voor zo'n misdadiger. Geenszins. Maar ik moest hem wel begrijpen om Kwaadschiks te kunnen schrijven.

"Kijk, waar het me eigenlijk om gaat... in onze tijd verkeren de mensen in angst, en ook nog eens in onzekerheid over waar ze bang voor moeten zijn. Een aanslag. Was het een terrorist of een gestoord, verward persoon? In Kwaadschiks breng ik minutieus de gedachten en handelingen van zo'n gestoorde in kaart. Het zal de angst van de mensen niet wegnemen, maar zoals Harry Mulisch zei: 'Als je verpletterd dreigt te raken, kun je maar beter weten door wie of wat'."

Het heeft er alle schijn van dat Van der Heijden, ondanks alles wat hem is overkomen, en al het obsederende, eindeloze werk, zich bevrijd voelt. De gedachte verrast Van der Heijden, maar na een kort stilzwijgen concludeert hij dat het klopt. "Wat een bevrijding is geweest, is de ontdekking dat ik in de tien maanden na Tonio's dood dat boek over hem kon schrijven. Een stemmetje in mij zei: als je dat kunt, kun je alles. In de schaduw van zijn dood kan ik al het andere lichter nemen. Wat kan mij nu nog overkomen?"

Toen Tonio nog thuis woonde, vroeg hij altijd hoffelijk aan zijn vader: 'Goed gewerkt, Adri? Zit je vandaag al aan de tien pagina's?'

"Ik kan hem nu niet meer antwoorden. Behalve in daden. In de eindeloze gesprekken die ik nog steeds met hem voer, kan ik hem zeggen: kom gerust kijken. Het gaat wel weer."

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234