Zaterdag 15/08/2020

‘Ik kende maar één weg: keihard werken’

‘Of ik een mes in de rug gekregen heb?’, zei Verhaegen onlangs over de twisten bij Germinal Beerschot. Hij spreidde zijn handen wijd uiteen: ‘Zoveel messen, heel mijn rug ligt open.’

“En als we nu eens wat truitjes met onze firmanaam aan die mannen schenken? Ach, ja, truitjes, waarom niet?” Ongeveer zo ging het gesprek tussen Jos Verhaegen, zijn broer Albert en firmavennoot René Snelders, op een zonnige zaterdagnamiddag in 1976. Het trio keek toen in het Veltwijckpark naar het in derde provinciale spelende Germinal Ekeren, in degradatiegevaar om te zakken naar vierde. Zo onschuldig is het dus begonnen, wisten ze toen veel waar dat zou eindigen? Onder Verhaegen en co. dwong Germinal Ekeren promotie na promotie af, tot de entree in eerste klasse in 1989 en de eerste Europese campagne in 1991. In 1997 volgde een nieuwe straffe piek met de bekertitel tegen Anderlecht. Euforie alom, behalve misschien bij Verhaegen. Hij zag al verder: naar verluidt zou hij temidden de feestvreugde aan vertrouwelingen gezegd hebben: “Eigenlijk moeten we nu stoppen. Dit is het plafond, hoger kunnen we niet.” Verhaegen wist dat Ekeren met zijn 3.000 à 4.000 vaste toeschouwers nooit verder zou kunnen doorgroeien.

Spelers voor een appel en een ei

Toen zijn club later noodgedwongen het Veltwijckpark moest verlaten, zag hij in een fusie met het traditierijke Beerschot de kans om wél hoger te mikken. Helaas kwam dat project nooit op kruissnelheid. Al te dikwijls botste het tussen de clan-Verhaegen en de nieuwlichters van ‘den Beerschot’. Het poldermodel van Ekeren gekoppeld aan de flair en grandeur van Beerschot leverde niet de verhoopte vonken op. Op één sportieve triomf na - de beker in 2005 - haalde de club negatief het nieuws met ruzie over transfers, spelerscontracten, postjes in de organisatie, de werkwijze van trainers: het was al te vaak een circus op het Kiel.

Onlangs zaten we met Jos Verhaegen aan tafel. Ja, als hij terugblikt op zijn carrière als voetballeider, dan situeert hij zijn mooiste momenten toch in Ekeren. “De sfeer was er gemoedelijker, we trokken allen aan hetzelfde zeel. We hadden een team dat blindelings op elkaar kon rekenen. Daar is nooit gevochten”, zei hij veelbetekenend.

“We schuimden toen de Nederlandse markt af, waar amateurs voor een appel en een ei te koop waren. Zo tikten we bijvoorbeeld Van der Korput op de kop, een sublieme speler die losweg bij elke eersteklasser meekon. Henk Vos was nog zo’n gouden transfer. Nederlanders hebben Ekeren groot gemaakt, ja. Met Jean Fraiponts hadden we ook een meesterscout. En een correct iemand. We gaven hem honderd frank mee voor een opdracht om een speler te zien. En hij kwam terug en zei: ik mocht gratis binnen en heb alleen een watertje gedronken. Hier hebt ge 90 frank terug. Ik heb het de laatste jaren hier wel anders gezien.”

Maar een echt geheim is er niet, zegt Verhaegen, tenzij: “Ik kende altijd maar één weg: keihard werken.” Verhaegen maakt graag de vergelijking tussen het voetbal en het bedrijfsleven, waarin hij het als een selfmade businessman helemaal maakte. Opgegroeid in een bescheiden familie verdiende de jonge Verhaegen zijn eerste centen als zelfstandige loodgieter. “Ik werkte bijna elke dag van vijf uur ’s ochtends tot middernacht.” Wat later ontwikkelde zijn zakeninstinct. Hij stampte met Vimmo en Versnel succesrijke firma’s in sanitair en de bouw uit de grond, in totaal werkten 70 mensen onder hem. “Die mensen werken vanaf zeven uur een hele dag. In het voetbal trainen ze soms maar twee uur per dag, dat heeft me altijd wel gestoord”, vertelt Verhaegen graag. Hij was dan ook de man die de trainingen bij Ekeren en later in de beginperiode van Germinal Beerschot graag van nabij opvolgde, om als een big brother te waken of spelers en trainer wel genoeg ijver aan de dag legden.

Megalomaan Ajax

Verhaegen stortte zich in het voetbal met dezelfde wilskracht in het bedrijf. In 35 jaar moet hij een van de Belgische voetbalbazen zijn die het meeste transfers afsloot. Vaak ging hij spelers zelf bekijken: hij had een kennersoog, niet vergeten dat hij als jonge knaap nog bij de jeugd van Antwerp en Beerschot gespeeld had. Lonende transfers behoorden tot de peilers van zijn succes. Tomasz Radzinski bijvoorbeeld: “Voor 750.000 frank gekocht, voor 90 miljoen euro verkocht aan Anderlecht. Maar alleen met goeie transfers konden we overleven.”

Die neus voor het opsporen van talent brokkelde misschien ook wat af bij de opstart van de fusieclub van Germinal Beerschot. Of anders gezegd: Verhaegen kon voor het eerst niet meer alleen zijn zin doordrijven, want Ajax participeerde in de club. De megalomane politiek van Ajax botste met de legendarische zuinigheidspolitiek van Verhaegen. Bij Ekeren ging hij ten slotte zelf controleren of alle lichten uit waren om te besparen op de energiefactuur. “In het begin was het goed dat Ajax er was, maar daarna zijn er serieuze fouten gebeurd”, zegt Verhaegen over die periode. “Het is altijd hetzelfde: wie verder springt dan de stok lang is, komt vroeg of laat in de problemen. Ik heb daar Ajax voor verwittigd... Tja, wij waren maar die boeren uit Ekeren. Maar we hebben daar wel elke eurocent duizend keer omgedraaid.”

Tien miljoen euro luidde het deficit na vier jaar Ajax. Uit onvrede met die politiek zette Verhaegen tussen 2001 en 2003 een stap terug. Tegenover journalisten kon Verhaegen dan sappig vertellen hoe Ajax het geld door deuren en vensters smeet, vaak begeleid met zijn stopzinnetje - “ge moet toch serieus blijven hé, zoiets kan niet blijven duren.” Maar Verhaegen keerde op zijn stappen terug, omdat hij de teloorging van Germinal Beerschot niet kon aanzien. Zijn hart kon de club niet loslaten.

Zijn ‘revanche’ kwam ook later: Ajax liet de verlieslatende buitenlandse Beerschot-investering vallen, vereffende wel de schulden en Verhaegen kreeg de club in 2003 voor een symbolische euro weer in handen. De eerste beleidsdaad van Verhaegen was drastisch saneren op de lonen. Het is Verhaegen ten voeten uit: “Bij mij moet de rekening op het eind van het seizoen kloppen. Een voetbalploeg moet zoals een bedrijf zelfbedruipend zijn. Real Madrid dat 300 miljoen euro schulden heeft, daar is mijn verstand te klein voor.”

Het eergevoel van Verhaegen kreeg een boost toen Germinal Beerschot in 2005 met beperkte middelen en een op papier modale ploeg de beker pakte, met Marc Brys als architect, een ‘werker’ zoals Verhaegen ze graag had. Maar ook die triomf kende geen vervolg: de volgende seizoenen was het het huiswerk qua transfers bij het begin van de competitie nog niet af, en meestal miste Germinal Beerschot zijn start om daarna toch nog recht te krabbelen.

Vanaf juli 2008 zette Verhaegen door gezondheidsproblemen ook enkele maanden een stap terug - Herman Kesters profileerde zich als nieuwe voorzitter meer en meer in de club en hij luidde in de zomer van 2011 ook de komst van trainer Glen De Boeck in. De tweespalt die daarna groeide met het kamp Kesters/De Boeck, samen met de drang van Patrick Vanoppen om de club over te nemen, luidde het einde van het tijdperk Verhaegen in. Gekwetst ook door uitlatingen van een deel van de harde kern van Germinal Beerschot gaf Verhaegen de club over, evenwel onder de voorwaarde dat Kesters zijn voorzittersstoel moest afstaan en De Boeck geen functie meer in de club mag krijgen. “Of ik een mes in de rug gekregen heb?”, zei Verhaegen onlangs. En hij spreidde zijn handen wijd uiteen: “Zoveel messen, heel mijn rug ligt open.”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234