Maandag 14/10/2019

‘Ik kan nog steeds over straat. Niemand herkent me’

Gestrikt voor een interview: bestsellerauteur Haruki Murakami

Haruki Murakami is uitgegroeid tot een van de populairste schrijvers van de hele wereld. Ieder jaar duikt zijn naam op in de geruchtenmolen rond de Nobelprijs Literatuur. De Japanse bestsellerauteur laat zich zelden interviewen. De Volkskrant slaagde er als eerste Nederlandstalige krant in om de schrijver in Tokio uitgebreid te spreken.

oto’s doen we niet, was vooraf afgesproken. Wel jammer, denk ik, na zeer Japans mijn schoenen te hebben uitgedaan voor de deur die toegang geeft tot de kamer in Tokio - driehoog in een non-descript kantoorgebouwtje - waar Haruki Murakami (61) op mij zit te wachten. Ondanks de klamme hitte heb ik een jasje over mijn overhemd aangetrokken, uit angst een beleefdheidsregel te schenden. Na de traditionele buiging (heb ik de vorige nacht ingestudeerd tijdens het benen strekken in het vliegtuig, ergens boven Ulaanbaatar) gulpt het zweet al mijn sokken in. De schrijver zit er heel anders bij: ongeschoren, barrevoets, en met een rode polo op een korte kakibroek. We zijn bij Murakami thuis, ook al is dit zijn kantoor.

Vier bij vier meter ongeveer; boekenkastje, bureautje, raampje, rode koffiemok op tafel, karafje water voor mij, niets bijzonders. Hij begint meteen, in helder Engels. “Vanochtend heb ik een paar uur geschreven, in mijn huis, in de suburbs van Tokio. Nu neem ik rust. Hier ontmoet ik mensen, en bespreek zaken met mijn assistente Yuki. Schrijven doe ik altijd vroeg, zo ongeveer van vier uur tot negen. Elke dag precies even veel woorden: twee of drie keer een computerscherm vol, dan stop ik. Maar wel elke dag.”

Dan heeft hij een vergelijkbare discipline als de negentiende-eeuwse schrijvers die hij in Waarover ik praat als ik over hardlopen praat onbereikbare reuzen noemt: Balzac en Dickens. “Hadden die ook zo’n straf werkritme? Ik weet het wel van Anthony Trollope, dat hij iedere dag dezelfde hoeveelheid woorden schreef. Het is een gewoonte geworden. Alsof ik een businessman ben die naar zijn werk gaat. Om vier uur beginnen, met hete zwarte koffie en een croissantje of een scone. Dan bekijk ik eerst wat ik de dag tevoren heb geschreven. Daardoor kom ik op een beeld, en dan kan ik verder.”

De romans en verhalen stromen naar buiten, zijn imposante productie spreekt voor zich, die sinds zijn doorbraak met de roman Norwegian Wood (1987) over de hele wereld wordt verslonden (vertalingen in 42 talen) en hem de status van serieuze Nobelprijskandidaat heeft opgeleverd.

Schrijven als aderlaten. Maar intussen zijn de eerste twee delen van Murakami’s laatste roman 1q84 gemodelleerd naar Das wohltemperierte Klavier van Johann Sebastian Bach: twee boeken, 48 hoofdstukken (bij Bach preludes en fuga’s), afwisselend mineur (de hoofdstukken waarin Tengo wordt gevolgd, de wiskundige voor wie Bachs compositie ‘hemelse muziek’ is) en majeur (de hoofdstukken rond Aomame, martial arts-specialist en moordenares).

De grote vraag is of de twee personages - die elkaar uitsluitend twintig jaar geleden zagen en dat nooit zijn vergeten - elkaar in liefde zullen vinden, of de verhaallijnen elkaar gaan kruisen, en of dat in deze wereld gaat gebeuren of alleen in de verbeelding. Een dergelijke uitgekiende constructie, die kan toch niet fluitend, bij toeval zijn ontstaan?

Murakami: “Bij dit boek ging er dit aan vooraf: ik bedacht die twee personages, een man en een vrouw, beiden ongeveer dertig jaar, en dat ik hun verhalen afwisselend zou vertellen. Dat deed mij denken aan Das wohltemperierte Klavier. Toen wist ik dat het twee delen gingen worden, van elk 24 hoofdstukken. Symmetrie.”

Maar Bach schreef geen derde boek. En Murakami heeft het derde en vooralsnog laatste deel van 1q84 in april van dit jaar in Japan gepubliceerd. “Dat geef ik toe. Maar dat kwam doordat ik tevoren geen plannen had voor een vervolg. De structuur is ook anders, want in het derde deel komen niet twee, maar drie stemmen aan bod. Je kunt dat deel desgewenst vergelijken met Bachs Inventionen, immers ook driestemmig. Achteraf gezegd dan. Ik dacht aanvankelijk dat het bij twee delen zou blijven.”

Iets anders: hij betuigt zijn deelneming met het verlies van het Nederlandse voetbalelftal in de finale van het laatste wereldkampioenschap. “Too bad. U en ik hebben in de voorrondes nog tegen elkaar gespeeld.”

Even op gesprek bij Murakami. Alsof het gewoon is. Onderweg naar Tokio, met een extra koffer voor het oeuvre, ga je al bijna rekenen op onverwachte gebeurtenissen. Loopt de voorspelde regen de ingang in van metrostation Akasaka-mitsuke, vlak bij mijn hotel? Verschijnen er ’s nachts twee manen in de lucht boven de stad? Deuren, trappen, spiegels: door middel van alledaagse (en in de sprookjesliteratuur welbekende) attributen kan in Murakami’s verhalen razendsnel en ongemerkt een andere wereld worden betreden. Zoals rampen, die elke zekerheid in één klap kunnen ondermijnen: een gifgasaanval, een aardbeving, een mijnramp, ziekte. Jonge mensen in een metropool, zonder anker, lijken Murakami’s voorkeur te hebben. Vervreemdend, geestig, maar ook vol dreiging zijn de verhalen en romans van de Japanner die is doordrenkt van Europese en Amerikaanse literatuur, en die Carver, Salinger en Scott Fitzgerald in het Japans vertaalde.

Doodgemoedereerd kan Murakami verhalen van een man die thuiskomt en ziet dat er bezoek is. ‘Ze hadden wel even kunnen aanbellen voordat ze de deur gingen forceren, denkt hij. Maar nee, het moest kennelijk met groot geweld. Hij staat oog in oog met een reus - Big Boy: kaal hoofd, kakibroek, hawaïhemd, tennisschoenen - met achter hem een klein mannetje, Junior, die een sigaret gaat zitten roken. ‘Jean-Luc Godard zou zo’n scène de titel Il regardait le feu de son tabac hebben gegeven. Pech dat Godard-films niet meer in de mode waren.’ De twee zeggen dat ze even komen babbelen. Waarop de huiseigenaar probeert: ‘Een gemiddeld postuur komt in jullie familie zeker niet voor?’’ (uit Hardboiled Wonderland en het einde van de wereld).

Of neem Katagiri, een mager mannetje, dat als geldloper bij een kredietbank werkt en thuiskomt in zijn flatje: ‘Zat er een reusachtige kikker op hem te wachten. Deur dicht en schoenen uit, zegt de kikker, wij moeten eens praten.’ (‘Kikker redt Tokyo’, uit Na de aardbeving)

Alsof het gewoon is; die toon en houding bewerkstelligt het vervreemdende effect - door Michaël Zeeman trefzeker de bedwelming genoemd - van Murakami’s proza dat miljoenen in de greep heeft. Grappig, beangstigend en ontroerend tegelijk. Zouden zijn vreemde werelden de echte zijn, en leven wíj doorgaans in een droom? Is die ‘andere wereld’ allang begonnen, bijvoorbeeld in 1984, en hebben wij het niet in de gaten, wat de suggestie is in zijn jongste 1q84 - met de q van question mark?

Murakami: “Waar het verhaal over zou gaan, toen ik begon? Geen idee. Ik had alleen een man en een vrouw, de structuur van Bach, en natuurlijk het jaar waarin het zou spelen: 1984. Het nabije verleden. Er bestaan films en boeken over de nabije toekomst, Terminator, Blade Runner, of 1984 van George Orwell uit 1949. Een goed boek, maar ook een tikje saai en vrijblijvend, omdat het over de toekomst gaat. Mij leek het spannender om het nabije verleden te herschrijven.”

En waarom dan weer, na De opwindvogelkronieken, dat ook in 1984 speelde, voor dat specifieke jaar gekozen?

“Coïncidentie! Helemaal vergeten dat ik dat al eens had gedaan. Ik wilde destijds dat jaar gebruiken alleen vanwege de referentie met Orwell. Maar bij dit project dacht ik: 1984 is niet alleen een boektitel, het is ook een belangrijk jaar geweest. To me. Yesss. Omdat toen het grote, gesofisticeerde kapitalisme begon. Je kunt de jaren zestig en de vroege jaren zeventig als het tijdperk van revolutie zien, en van idealisme. Ik was toen een jaar of twintig, en studeerde theaterwetenschappen in Tokio. De latere jaren zeventig vond ik stomvervelend. Iedereen settelde zich. Stilstand.

“Toen kwamen de jaren tachtig. Reagan en Thatcher. Het kapitalisme werd almachtig. De economiebubbel hier in Japan. Er werden rampen voorbereid, naar mijn idee: de oorlog in Irak, de schok van het terrorisme op 9/11 in New York. Op 20 maart 1995 was er de saringifgasaanval van de geheimzinnige Aum-Shinrikyo-sekte in de ondergrondse van Tokio. De economiebel klapte uit elkaar, en er kwam een recessie. Terugredenerend denk ik: dat is begonnen in 1984.

“Dat is mijn verzinsel, fictie. De wereld van 1q84 is een andere dan de werkelijke van 1984: het is mijn versie van die tijd. En tegelijk is het een liefdesverhaal: een boy meets girl-story.”

Wil hij suggereren dat dat klassieke Romeo en Juliet-thema - zullen Tengo en Aomame elkaar krijgen, of slingeren hun werelden eeuwig om elkaar heen - dat de poëzie van die liefde, uitgedrukt in hoofdstukken die op allerlei niveaus rijmen (enkele prozacritici van 1q84 misten de antenne voor poëzie, en voor ritme en melodie, bij Murakami minstens zo belangrijk als het verhaal), sterker is dan alle dreiging die van dat omineuze jaar uitgaat?

Murakami: “Ja. Toen ze tien jaar waren, hebben die jongen en het meisje elkaar ontmoet. Daarna gingen hun wegen uiteen. Ze blijven naar een vereniging verlangen, maar dat lukt niet in het echte leven, ook al leven ze in elkaars nabijheid, zonder dat te weten. Om elkaar te ontmoeten moeten ze een andere wereld binnengaan: ze moeten testen ondergaan, door water en vuur gaan, hindernissen overbruggen, als de protagonisten in Die Zauberflöte van Mozart. Duisternis en demonen trotseren. In die zin is 1q84 een modern mythologisch verhaal.”

Aan het einde van deel twee hebben Tengo en Aomame elkaar nog niet. De lezer blijft in het ongewisse of het liefdesverhaal in een tragedie of een verhoopte romance uitmondt. Murakami: “Net als ik! Het schrijven was voor mij erachter komen wat er met hen zou gebeuren. Als ik de uitkomst al tevoren had geweten, zou het schrijven me gaan tegenstaan.”

Komt er in deel drie dan een conclusie? Kan hij dat zijn lezers in Nederland verzekeren? “Yes. Een soort van conclusie.” Hij lacht. “Maar misschien niet zoals u verwacht. Meer zeg ik daar niet over. Deel drie moet nog in het Nederlands worden vertaald, ziet u.”

Het kattenstadje dan, uit deel 2. Een wonderschoon droef sprookje, binnen het grote verhaal. Tengo is onderweg naar zijn dementerende vader, en onderweg daarheen leest hij in een pocket een fantastische vertelling over een stadje bestuurd door katten. Daar gaat een jongeman heen, nieuwsgierig. De katten zien hem niet. Ze ruiken hem wel. Hij maakt zich uit de voeten, snelt terug naar het station. Maar de avondtrein stopt niet. Het lijkt alsof ze hem helemaal niet zien staan, alsof het station niet bestaat. ‘Toen begreep hij dat hij verloren was. Eindelijk had hij het door: dit was helemaal geen stad voor katten. Het was de plaats waar hij verloren moest gaan. Dit stadje was speciaal voor hem neergezet. Het was geen plaats van deze wereld. En de trein die hem terug kon voeren naar de oorspronkelijke wereld zou nooit meer stoppen op dit station - tot in alle eeuwigheid.’

Dat leest Tengo, onderweg naar zijn vader wiens geest de normale wereld heeft verlaten. Een fascinerend verhaal, dat de eenzaamheid lijkt te verbeelden van het individu in een wereld die ‘van slag is’, zoals herhaaldelijk in 1q84 wordt opgemerkt.

Eenzelfde ontroering bewerkstelligt Murakami in het verhaal over Aomame, die een enge sekteleider kan vermoorden. De reus ligt naakt voor haar te wachten op een massage in een kamer van het Okura-hotel, en dan ontspint zich een subtiele dialoog tussen hen, zo fijnbesnaard dat je nog geraakt wordt ook, juist omdat je honderden pagina’s bent voorbereid op diabolische actie.

Murakami: “Aomame is vastbesloten deze kinderverkrachter en sekteleider te vermoorden. Als ze hem ontmoet, blijkt dat hij niet dacht dat ze hem slechts zou masseren. Hij wist dat ze snodere plannen had. Dat legt hij haar uit. Bijna slaat hij haar de wapens uit handen. Dat spel tussen die twee, dat was zo moeilijk om te schrijven, maar ook enerverend.”

Naar eigen zeggen zeggen dacht hij in 1978, op 1 april, half twee ’s middags, bij het kijken naar een honkbalwedstrijd in het Jingu-stadion, pilsje in de hand: ‘Oké, laat ik proberen een roman te schrijven.’ Een sterk verhaal. “En nog waar ook. Ik was 29. Het idee om een boek te schrijven welde werkelijk spontaan op. Very strange! Ik las graag, was getrouwd, luisterde veel naar jazz, maar dacht altijd dat ik geen schrijftalent had.” Zijn leven nam een wending. Met zijn vrouw had hij in Tokio een jazzclub in die dagen - overdag koffie en een hapje, jazzplaten op de achtergrond, ’s avonds optredende bandjes - maar hij kon na zeven jaar het nachtleven niet volhouden. Schrijven werd zijn werk, en fanatiek hardlopen: twee dingen die je in je eentje doet.

“Uitgaan is er niet meer bij. Schrijven vergt concentratie, ik moet daar energie voor hebben. Die kracht krijg ik door dagelijks te hardlopen, met rockmuziek in mijn oren. Die twee bezigheden gaan niet gelijk op: ik loop niet harder nu ik de zestig ben gepasseerd. Als schrijver hoop ik wél gegroeid te zijn.

“In Japan zijn drie miljoen exemplaren van de drie delen 1q84 verkocht. Maar ik kan nog steeds over straat of in de bus of metro. Niemand herkent me. Ik verschijn nooit op de tv, geef hooguit twee interviews per jaar. Ik wil niet beroemd zijn. Ik ben geen persoonlijkheid als Mishima of Kawabata, schrijvers die zichzelf de hele dag een aparte artiest vonden. Ik wil iets schrijven in het donker, underneath this world. Als ik schrijf, zie ik personen, vreemde dingen, in het donker. Misschien dingen die andere mensen niet zien. That is my gift.

“Tot mijn 29ste leefde ik op de oppervlakte van de aarde, en vroeg mij niet af wat daar onder zit. Want dat is schrijven: je graaft een gat, ontdekt iets vreemds en speciaals, en je wilt almaar dieper. Dat is er met mij gebeurd. Het gat dat ik in dertig jaar heb gegraven is nu zo diep, zo wijd, zo ruim, dat mijn boeken steeds beter worden. Hoop ik. Als ik niet meer de kracht heb om te graven, dan betekent dat het eind van mijn carrière. Daarom moet ik ook zo veel hardlopen.”

After Dark heet een van zijn boeken. Als de avond valt, verandert alles. Wat normaal was, is dat niet langer. Wat wij voor realistisch houden, kan veranderen. Zo buitengewoon is dat niet; hoe vaak zeggen we niet tegen elkaar dat er iets ongelooflijks is gebeurd? Daar ga je al. Dat besef, dat Murakami’s verhalen geen verzinsels zijn, maar benadrukken dat er helemaal geen gewone werkelijkheid bestaat, maakt zijn oeuvre aanlokkelijk en verontrustend. De schrijver glimlacht. “You know, ik ga elke avond om een uur of negen, tien, naar bed, als ik op tv nog een honkbalwedstrijdje heb gekeken. Dus ik weet niets over de wereld na middernacht! Nadat ik After Dark had geschreven, ging ik ’s avonds laat weer eens de wijk Shibuya in. Stappen, als vroeger. Ik werd er bang van. Het nachtleven is een andere wereld. Liever leid ik een vredig leven, met ’s ochtends wat barokmuziek, onder het rennen rock, en ’s avonds jazz. Gewoon thuis.”

Leven is door raadselen omgeven worden, de wereld staat op desintegreren, en dat zorgt voor droefheid en humor. Maar altijd is er, ook bij Murakami, muziek die je in vervoering kan brengen, als een geleider naar een droomwereld, muziek als voedsel ook van het verlangen en de liefde.

Soms lijkt het of het Murakami met name om een surreële sfeer gaat, reden waarom zijn verhalen wel als plotloos zijn beschouwd. Het personage Oshima vertelt in Kafka op het strand meeslepend over de pianosonate van Schubert in D-groot (opus 53, nr. 17, D 580): die is duivels lastig, er bestaat geen perfecte uitvoering van, en waardoor dat komt? Doordat er aan de sonate iets ontbreekt: ‘Hij is niet af. (…) Werken die op een bepaalde manier onaf zijn, raken de harten van de mensen juist omdát ze onaf zijn. (…) Goede onvolmaaktheid stimuleert het denken en scherpt de aandacht.’

Is dat het, getransponeerd naar literatuur, dat Murakami zijn verhalen dikwijls plotseling beëindigt, zonder conventionele finale - om ons scherp te houden? Is zijn plotloosheid een vorm van goede onvolmaaktheid?

Murakami: “Ah! Schubert! Een van mijn favorieten! Maar nu uw vraag: het antwoord is... nee. Het eind van mijn verhalen is mijn conclusie. Neem het werk van Kafka. Geen van zijn boeken is compleet. Misschien ben ik door hem beïnvloed. Hoe dan ook, mijn voorkeur gaat uit naar een open eind. Daardoor kan de lezer na het eind doorgaan met denken en fantaseren.

“Aan het eind van Kafka op het strand gaat de hoofdpersoon terug naar zijn huis in Tokio. Door de treinraampjes kijkt hij naar het landschap, en de huizen. Daar houdt het boek op. Sommige lezers en critici willen weten wat er daarna met hem gaat gebeuren. Ik niet. Dat beeld, die man die naar Tokio kijkt, dat vond ik het eind. Zomaar stoppen. Net als het leven zelf.

“Als ik beroepslezers zie roepen, hier in Japan vooral, waar ze het minder gewend zijn dan in de westerse wereld dat ik de lezer achterlaat in het midden van een verhaal, dan denk ik: nee, dat ís niet het midden van het verhaal. Want het is mijn slot.”

Hij lacht aanstekelijk. “Voor mijzelf werkt het inspirerend, die zogenaamde onafheden. Ik wil meteen verder met een nieuw verhaal.”

In een van zijn kortste verhalen, Een stoomfluit midden in de nacht, vraagt een meisje aan een jongen: ‘Hoeveel hou je van me?’ De jongen denkt na en antwoordt dan: ‘Zoveel als van een stoomfluit midden in de nacht.’ En hij licht toe: het is midden in de nacht, je wordt wakker, alles is zwart, je bent verwijderd van alles en iedereen. Al verdwijn ik, kun je denken, dan zal niemand het merken. Nog even en je gaat dood. ‘Maar op dat ogenblik hoor ik in de verte een stoomfluit’, zonder nog een trein in zicht. Alleen die fluit, zo ver en vaag dat je niet eens weet of het wel echt is. Die maakt dat je hart niet langer pijn doet. ‘En zoals ik van die stoomfluit houd, zo hou ik van jou.’

Poëtisch, en poëticaal. Is dat de troost die kunst kan schenken? De schrijver knikt. “Goeie metafoor, vindt u ook niet? Ik hou van die allegorieën.” Even staart hij in gedachten naar buiten, naar de boompjes die deze straat in het district Minami-Aoyama een haast rustieke aanblik geven.

Met een ruk: “Wacht, ik roep mijn assistente.” De jeugdige Yuki komt binnen, krijgt een opdracht, en bezorgt mij een minuut later de kopieën van een kort verhaal met een Engelse titel.

Murakami: “Hier zat ik aan te denken. Lang geleden schreef ik dit verhaal, met de titel On Seeing The 100% Perfect Girl One Beautiful April Morning. Een jongen en een meisje - hij is 18, zij 16 jaar - ontmoeten elkaar op straat, en ze weten allebei meteen: dit is de 100 procent perfecte partner voor mij. Miraculeus. Ze kunnen het zelfs niet geloven. Als het waar is, spreken ze daarom af, dan ontmoeten we elkaar later zomaar wéér, dat kan niet missen, en dán pas weten we zeker dat het klopt.

“Maar in de jaren erna verliezen ze door een akelig virus hun geheugen. Op een zekere morgen, veertien jaar later, passeren ze elkaar weer, denken even: hé, die heeft iets speciaals, en ze lopen door. Zonder een woord. A sad story, don’t you think? Heb ik een kwart eeuw geleden geschreven. Uit dat verhaal, uit die vier paginaatjes, denk ik nu, na een kwart eeuw verder en dieper graven, zijn die drie dikke delen van 1q84 voortgekomen.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234