Zondag 29/11/2020

Topsport op tachtig

‘Ik kan me echt kwaad maken op leeftijdgenoten die binnen zitten weg te kwijnen. Kom toch buiten!’

Van links naar rechts: Henri Lenoir (87), Wim Waes (80) en Herman De Ridder (82). ‘Ik kan me echt kwaad maken op leeftijdgenoten die binnen zitten weg te kwijnen. ‘Kom toch eens buiten!’’Beeld Wouter Van Vaerenbergh

Kan een mens nog grenzen verleggen na zijn 80ste? Ja, zelfs met de vingers in de neus. Daar zijn Wim Waes, Herman De Ridder en Henri Lenoir het levende bewijs van: drie krasse tachtigers, voor wie hun leeftijd een loos getal is. Ze temmen Frans-Spaanse bergketens, jagen records na, en lopen en fietsen om het hardst. Hun enthousiasme is aanstekelijk: ‘Laten we over twintig jaar nog eens afspreken. Reserveren we alvast deze tafel?’

Wim Waes (80) – dezelfde ogen, dezelfde mond en dezelfde lach als zoon Tom – mocht onlangs aanschuiven in ‘Vandaag over een jaar’. Vol trots kwam hij er bij Cath Luyten vertellen over zijn geslaagde pelgrimstocht naar Compostella. Herman De Ridder (82) is een krak op de fiets: hij verbeterde in november nog het uurrecord voor 80-plussers op de wielerpiste. Terwijl de twee heren kennismaken en meteen elkaars prestaties vergelijken, belt Henri Lenoir (87): er zijn problemen met de trein, hij zal wat later zijn. Dat is niet zijn gewoonte: op de 100 en de 200 meter is hij de op één na snelste 85-plusser ter wereld.

Wim Waes: “Zeg, Herman, jij hebt het Belgische wieleruurrecord verbeterd. Hoeveel bedraagt het nu?”

Herman De Ridder: “37 km per uur. Ik heb er vier maanden serieus voor moeten trainen, met een coach en een strak trainingsschema. Op zo’n piste rijden is niet eenvoudig, zeker niet op onze leeftijd. Je mag niet bang zijn om te vallen. Ik ben 22 keer naar de Eddy Merckx-piste in Gent gereden, om het pistegevoel in de benen te krijgen.”

Waes: “Op hoeveel staat het werelduurrecord?”

De Ridder: “39 kilometer. Dat is maar 2 kilometer meer dan mijn record. Tijdens het trainen heb ik even gedacht: het ligt binnen bereik, waarom niet? Maar ik heb het niet gedaan. Ik wilde niet afwijken van mijn trainingsschema. Die 39 kilometer was misschien wel haalbaar, maar dan had ik met een tijdritstuur moeten rijden en dat kan ik niet.

“Maar jij bent dus te voet naar Compostella gestapt?”

Waes: “Vanuit Saint-Jean-Pied-de-Port, in Frankrijk.”

De Ridder: “Ik heb die route eind jaren 80 al fietsend afgelegd.”

Waes: “Mijn broer had het met de fiets gedaan in 2000, dus ik dacht: dat kan ik ook. Het is een afstand van 900 kilometer. Ter voorbereiding hebben mijn stapkameraad Bob en ik ongeveer evenveel kilometers afgelegd. Hier ging het vlotjes: het landschap is vlak. Maar daar begonnen we op 160 meter boven de zeespiegel, om vervolgens naar 1.460 meter te stijgen en dan – dat is het ergste – 500 meter af te dalen. Pijnlijke kuiten! Ik heb mijn huisarts gebeld vanuit Spanje, maar die kon alleen ibuprofen aanraden. Ik heb er een week lang op overleefd. Bob en ik noemden het onze vitamine I.”

In ‘Vandaag over een jaar’ klaagde je dat Bob je heeft afgejakkerd.

Waes: “Hij is twaalf jaar jonger dan ik en meet 1 meter 92. Met mijn 1 meter 72 kon ik hem niet altijd bijbenen.”

De Ridder: “Ben jij nog niet gekrompen? Ik wel. Zes centimeter ben ik al kwijt. Ik schrok me een ongeluk dat het zoveel was.”

Waes: “Ik zal me nog eens meten. Het is van mijn legerdienst geleden, geloof ik.

“Op 5 april vertrek ik voor de tweede keer naar Compostella. Vorig jaar was het ons louter om het stappen te doen, en onderweg staken we mensen die dertig of veertig jaar jonger waren vlot voorbij. Maar nu wil ik het rustiger aan doen en er meer van genieten, en kerken en kapelletjes bezoeken. Het is een bijzondere ervaring. Ik kan het iedereen aanraden.”

De Ridder: “Zeker. Compostella is een hype geworden.”

Waes: “Zelfs de koning en de koningin doen het. Toen de ober van een café hoorde dat Bob en ik Belgen waren, werd hij opeens enthousiast: ‘Jullie koning was hier twee dagen geleden!’ Hij troonde ons mee naar het kleinste kamertje: ‘Hier is de koningin naar het toilet geweest. Neem maar een foto.’ Nu heb ik dus een foto van een Spaanse toiletpot waar koningin Mathilde op heeft gezeten.”

Jullie maakten het jezelf wel makkelijker door voor het comfort van hotels te kiezen. De hardcorepelgrim overnacht in een slaapzaal.

Waes: “Tom had ons dat aangeraden. ‘Je zit niet meer bij de scouts,’ zei hij. Hij wilde niet dat ik in zo’n stinkende slaapzaal zou liggen, waar je altijd een oogje op je spullen moet houden, of ze zijn ermee weg. Ik ben blij dat ik naar hem heb geluisterd.”

Hij leende je ook zijn stapspullen, waaronder zijn nordic walking-stokken.

Waes: “Krukken noemde hij ze. Ik heb ze maar een halfuurtje gebruikt, toen we een steil stuk berg moesten afdalen in de sneeuw. De rest van de reis zijn die stokken aan mijn rugzak blijven hangen. Ik kon ze moeilijk achterlaten: ze waren niet van mij.”

Henri Lenoir: ‘Als je op het podium staat en het volkslied hoort, grijp je automatisch even naar je hart. En niet om te checken of het nog klopt.'Beeld Wouter Van Vaerenbergh

Doodgaan op de piste

Eindelijk arriveert atletiekkampioen Henri Lenoir, samen met zijn vrouw. Het hoogbejaarde koppel is nog altijd niet bekomen van hun ochtendlijke avontuur.

Henri Lenoir: “We wilden in Halle op de trein stappen. Toen ik me omdraaide om mijn vrouw een handje te helpen, gingen de deuren voor onze neus dicht. De conducteur stond naast me, en ik zei hem: ‘Mijn vrouw moet er nog op!’ Maar hij haalde zijn schouders op: hij kon niks doen, de deuren sluiten automatisch, dicht is dicht. Ik kon niet anders dan meerijden tot in Brussel-Zuid en meteen een trein terug nemen, om mijn vrouw op te pikken.”

De Ridder: “Maar jullie zijn er nu. Ga zitten en vertel eens: wat zijn jouw disciplines in de atletiek?”

Lenoir: “Ik beoefen alles: speerwerpen, hamerslingeren, verspringen, gewichtwerpen, hink-stap-springen... Ik concentreer me nu vooral op de sprint, omdat mijn uithouding niet goed meer is. Vroeger liep ik halve marathons, maar als ik nu één keer de 400 meter loop, is mijn kaars uit.”

Waes: “Hoelang doe jij over die 100 meter?”

Lenoir: “Iets minder dan 17 seconden – de honderdsten weet ik niet meer.”

Waes: “Da’s straf.”

Op het WK van 2018 moest je één leeftijdgenoot laten voorgaan: de Japanner Hiroo Tanaka. Je gezworen aartsvijand?

Lenoir: “Eerder een kameraad. Hij is een paar maanden ouder dan ik. Op het WK van 2018 in Málaga had ik hem bijna geklopt op de 100 meter outdoor. Het scheelde maar een zucht, maar in de atletiek maakt een zucht het verschil tussen goud en zilver. De derde was een Duitser, maar die lag zo ver achter ons dat je hem zelfs niet op de foto van onze aankomst zag.

“Ik ben niet slecht, al zeg ik het zelf. Op het EK van 2018 haalde ik goud op de 60 en de 200 meter indoor. Maar op wereldvlak is er in mijn categorie altijd eentje beter: meneer Tanaka. Dat is oké: ik doe aan atletiek voor mijn plezier. Bij ons in de atletiekclub ben ik de oudste, maar we zijn met vier 80-plussers. Op 30 januari kun je ons op tv zien: voor ‘Vandaag over een jaar’ hebben vier andere tachtigers ons Belgische record op de 4 maal 100 meter estafette aangevallen. Of het hun lukt ons record te breken, kan ik nog niet verklappen. Daarvoor zul je moeten kijken.”

Wij hebben de aflevering al gezien: we waren vooral blij dat ze levend de meet hadden gehaald. Soms zag het er toch een beetje uit als doodgaan op een atletiekpiste.

Lenoir: “Bij de tegenstanders misschien. Niet bij ons (lacht).”

Waarom doen jullie het?

Waes: “Omdat wij een beetje zot zijn, zeker?”

Lenoir: “Een beetje veel. Ik zal het maar niet te luid zeggen, anders hoort mijn vrouw het nog (wijst naar zijn vrouw, die onverstoorbaar de krant zit te lezen). Dat sporten heeft er altijd in gezeten, al ben ik pas 55 jaar geleden met atletiek begonnen, na mijn 30ste. Eigenlijk is dat vrij recent.”

Beeld Wouter Van Vaerenbergh

Brak je toen ook al records?

Lenoir: “Nee. Toen probeerde ik dat niet eens. Pas toen ik ouder werd, begon het te kriebelen.”

De Ridder: “Bij mij ook. Het idee de beste te zijn is pas op latere leeftijd gegroeid.”

Klopt het dat het idee voor de recordpoging van VRT-journalist Bart Schols kwam?

De Ridder: “Ja. Elk voorjaar gaan we met onze wielerploeg, De Heidestoempers, naar Mallorca. Bart rijdt daar met ons mee. Toen hij zag dat ik kon volgen met de A-mannen, zei hij: ‘Jij zou makkelijk dat record kunnen aanvallen.’ Eerst lachte ik het weg, maar op de één of andere manier is het idee de burgemeester van Kalmthout ter ore gekomen. Twee dagen later kwam hij langs: ‘Wij gaan dat record serieus aanpakken.’ Mijn vrouw zat ernaast en reclameerde niet. Zo is het begonnen.”

Zo werd je Superherman.

De Ridder: “Die bijnaam is bedacht door de ploeg die me geholpen heeft bij de recordpoging. Je wilt niet weten hoeveel er geregeld moest worden: paperassen, een ambulance, bussen voor de supporters... Zonder een team lukt het niet. Maar die Super-herman? Daar was ik tégen. Ik vond het onnozel: wat zouden de mensen van Kalmthout wel denken? Maar de T-shirts waren al gedrukt voor ik het goed en wel besefte. Toen had ik geen andere keuze meer: ik moest die naam wel waarmaken.”

Opeens stond je in het middelpunt van de belangstelling.

De Ridder: “Ja, er kwamen journalisten van kranten en filmploegen van VTM en de VRT. Op dat moment besefte ik het niet eens – ik heb het allemaal ondergaan. Terwijl ze me aan het filmen waren, zat ik op mijn gemak een rijstvlaai te eten. Ik wist van de trainingssessies dat het record haalbaar was, maar zou ik het ook kunnen als er vierhonderd supporters op mijn vingers stonden te kijken? Dat spookte toen door mijn hoofd.”

Waes: “Ik had dezelfde stress: zal ik Compostella bereiken? Zal ik in ‘Vandaag over een jaar’ kunnen vertellen dat ik het heb gehaald?”

De Ridder: “Maar uiteindelijk doe je het voor jezelf. Achteraf ben je zo trots.”

Waes: “Op het plein voor de kathedraal van Compostella overviel me een enorm gevoel van geluk. Zes weken lang hadden we gestapt, om daar te eindigen. Ik kreeg er tranen van in mijn ogen.”

Lenoir: “Je mag op een podium stappen en hoort het volkslied weerklinken: de emoties die dan door je heen gaan, zijn onbeschrijflijk. Automatisch grijp je even naar je hart. En niet om te checken of het nog klopt.”

De Ridder: “Je mag het echt niet onderschatten, zo’n record proberen te verbeteren. Bradley Wiggins, die het uurrecord op zijn naam had staan vóór Victor Campenaerts het van hem overnam, noemde het één van de zwaarste uitdagingen die hij ooit was aangegaan. Je moet een uur lang alles geven. Toen ik van mijn fiets stapte, kon ik zelfs het podium niet meer op. Mijn hele lichaam was verkrampt door een uur lang in dezelfde houding te zitten.”

Gezond klinkt dat niet.

De Ridder: “Op mijn leeftijd niet, nee.”

Lenoir: “Geen enkele dokter heeft me verboden te lopen, zelfs niet na mijn twee hartoperaties. ‘Met die overbruggingen is je hart nu sterker dan vroeger,’ zei de dokter. Hij vond het prima dat ik aan atletiek bleef doen. Maar ik luister goed naar mijn lichaam. Ik weet hoever ik mag gaan.”

De Ridder: “Ook mijn cardioloog heeft me groen licht gegeven voor mijn recordpoging. ‘Met een lichaam en een conditie als die van jou had je een carrière als coureur kunnen hebben,’ zei ze. Maar ik ben blij dat ik nooit wielrenner ben geworden. In mijn tijd slikten de coureurs allemaal verboden spul, en ik had wellicht hetzelfde gedaan, want anders kon je niet volgen.”

Dokter Kris Van der Mieren van Belgian Cycling, zoals de wielerbond nu heet, vond jouw recordpoging onverantwoord. Een 80-plusser die een uur lang tot het uiterste gaat, vergeleek hij met een uur plankgas geven in een oldtimer: ‘Ik zou het niemand aanraden.’

De Ridder: “Ik las zijn reactie in de krant één dag vóór ik moest fietsen. Ik dacht: wat is me dat? Gelukkig had ik toen geen tijd om erbij stil te staan. Ik maakte me wel zorgen over mijn hartslag: op zo’n pistefiets mag je geen hartslagmeter zetten. Ik weet dus niet hoe hoog mijn hartslag precies was, maar ik moet daar toch een uur lang met een hartslag van meer dan 150 hebben gereden. Mijn cardioloog had er vast niet mee kunnen lachen. Ik heb er niks van gevoeld, maar achteraf dacht ik wel: wat heb ik eigenlijk gedaan?”

Waes: “Ik geloof dat wel, van die oldtimer en plankgas geven. Echt verantwoord is het niet. Mijn eigen vader is gestorven op de hometrainer bij de cardioloog. Hij was pas 59. Pas op: hij was hartpatiënt en had zijn leven lang astma. Maar het spookt toch altijd door mijn hoofd als ik bij de dokter op de fiets zit.

“Vóór ik naar Compostella vertrok, heb ik mijn hart nog laten testen. Na de echo en de fietstest kwam ik bij de cardioloog: ‘En? Mag ik vertrekken?’ Hij keek me bedenkelijk aan: ‘Op één voorwaarde.’ Ik was al bang dat er slecht nieuws zat aan te komen, maar toen zei hij: ‘Je moet me beloven dat je me nu en dan een kaartje stuurt.’ Ik had 210 procent gehaald op de fiets. Dat is het dubbele van wat je hoort te halen op mijn leeftijd. Mijn hart was tiptop in orde. En ja, ik heb hem die kaartjes gestuurd.”

De Ridder: “Sporten doet meer goed dan slecht op onze leeftijd. Ik geloof sterk in wat de Nederlandse neuropsycholoog Erik Scherder zegt: hij vindt dat ouderen vaker moeten hardlopen. Volgens hem moet je je lichaam blijven uitdagen.”

Waes: “Je ziet het tegenwoordig in elke wachtkamer hangen bij de dokter: ouderen moeten in beweging blijven. Dan stel je de rollator nog tien jaar uit. Ik kan me echt kwaad maken op leeftijdgenoten die binnen zitten weg te kwijnen. Kom toch buiten!”

Wim Waes: 'Ik heb lange tijd judo gedaan, maar bij de veteranen deden ze niet meer aan competitie. Dan is het plezier er snel af.'Beeld Wouter Van Vaerenbergh

Chocomelk

Beschermt sporten je tegen ziek worden?

De Ridder: “Ik geloof dat, ja. In veel artikels lees je dat sportende ouderen niet alleen veel minder kans maken op allerlei ouderdomskwaaltjes, maar ook minder snel alzheimer en kanker krijgen.”

Lenoir: “Ik begin nu wel vaker dingen te vergeten. Wellicht is het de ouderdom, maar ik heb me toch laten testen op alzheimer. Voorlopig zijn de resultaten negatief.”

De Ridder: “Had jij niet gesport, dan waren die resultaten anders uitgedraaid. Daar ben ik zeker van. Ik heb trouwens ook ergens gelezen dat mannen op hun 82ste het meest tevreden zijn over hun lichaam. Dat treft!”

Ben jij blijer met dit lichaam dan met het lichaam dat je had als twintiger of dertiger?

De Ridder: “Ja. Wat ik nu kan, kon ik twintig jaar geleden niet. Ik ben pas intensief gaan fietsen nadat ik op mijn 60ste was gestopt met werken – ik was onderdirecteur op een technische school. Ik dacht dat ik nog vijf jaar zou kunnen fietsen, maar mijn conditie ging ongelooflijk snel de hoogte in. Op mijn 67ste was ik toevallig in de buurt van de Mont Ventoux op vakantie. Ik dacht: ik probeer het eens. Voor ik het wist, was ik hem drie keer opgereden. Nu ben ik dus officieel lid van Les Fous du Ventoux.”

Wat drijft je dan? Wilde je per se de Mont Ventoux afvinken op je lijstje?

De Ridder: “Dat speelt mee, ja. Die prestatiedrang had ik vroeger niet. Pas toen het begon te lukken, dacht ik: wat is er nog haalbaar? Mijn conditie is nu iets minder top dan een paar jaar geleden, maar ik voel me heel gelukkig en gezond, en ik heb weinig last van stress. Ik weet ook wel dat ik vol rimpels sta, maar de aftakeling is zeker nog niet begonnen. Ik moet niet onderdoen voor mijn jongere ik.”

Lenoir: “Mijn lichaam is een paar jaar geleden, zo rond mijn 84ste, achteruit beginnen te gaan. Ik voel dat het minder wordt, maar ik hoop nog lang te kunnen sporten. Zelfs als ik niet meer kan lopen, blijf ik nog aan atletiek doen. Voor de kampnummers hoef je geen grote inspanningen te doen. Hamerslingeren? Geen probleem.”

Waes: “Hoeveel kilo weegt zo’n hamer?”

Lenoir: “3 kilo. Mijn record is 28 meter.”

Ben jij tevreden over je lichaam, Wim?

Waes: “Ja. Ik zou wel nog aan bodybuilding willen beginnen. Alles wordt slapper en met bodybuilding kun je dat misschien tegengaan. Kijk naar Tom: voor het programma ‘Tomtesteron’ heeft hij meegedaan aan het Belgisch kampioenschap bodybuilding. In een paar maanden tijd zag hij er afgetraind uit. En zonder iets te slikken!”

Een tikje jaloers?

Waes: “Eigenlijk wel. Niet dat ik hem wil kloppen, dat kan ik niet, maar ik ga wel graag de concurrentie aan. Ik wil dat record van Henri op de 100 meter ook weleens proberen.”

Ben jij een even groot haantje als Tom?

Waes: “Ja. Ik hou van gezonde competitie. Ik heb tot mijn 75ste meegedaan met Start 2 Run, maar nu doe ik het niet meer, omdat het slecht is voor de gewrichten. En ik ken mezelf: als iemand me voorbijloopt, kan ik het niet laten een tandje bij te steken. Ik deed vroeger judo. Ik had bijna mijn zwarte gordel, maar toen leerde ik mijn vrouw kennen en was het gedaan. Daar heb ik altijd spijt van gehad: alsof je de Everest beklimt en vlak voor de top afhaakt. Ik ben later wel opnieuw met judo begonnen, maar bij de veteranen deden ze niet meer aan competitie. Dan is het plezier er snel af.”

Herman De Ridder: 'Ik vond die bijnaam 'Superherman' onnozel: wat zouden de mensen van Kalmthout wel denken? Maar de T-shirts waren al gedrukt voor ik het goed en wel besefte.'Beeld Wouter Van Vaerenbergh

Is er een geheim om records te breken op je 80ste? Veel rijstvlaaien eten?

Lenoir: “Ik eet gezond, maar ik hou me niet aan één of ander dieet. Ik drink nog elke dag een glaasje wijn of een stevig biertje.”

Waes: “Soms durf ik zelfs een aperitief én een glaasje wijn te drinken. Mijn cardioloog heeft me wel aangeraden rode wijn te drinken in plaats van witte: dat is beter voor het hart.”

De Ridder: “Vroeger werd er onder wielertoeristen stevig gedronken. Als we bij een café stopten, stond de hele tafel al snel vol glazen trappist. Maar als we nu met een groepje van tien een café binnenstappen, dan drinken er negen een chocomelk. De mentaliteit is veranderd.”

Overdrijven we niet met die gezondheidshype?

De Ridder: “Nee, we moeten het net toejuichen. Chocomelk is een goeie recuperatiedrank. Ik drink het ook als ik van de fiets stap. En na die chocomelk kan er altijd nog een pintje volgen.”

Wagen jullie je weleens aan supplementen?

Waes: “Ja. Ik slik elke dag twee capsules omega 3, en ook magnesium, tegen de spierkrampen.”

Lenoir: “Vitamines zijn oké, maar aan doping of bloedtransfusies zou ik nooit beginnen. Op onze leeftijd kun je er dan maar beter mee stoppen.”

Zijn er in jouw leeftijdscategorie nog dopingcontroles?

Lenoir: “Een paar jaar geleden, op het wereldkampioenschap atletiek in Zuid-Afrika, was er een dopingcontrole, maar ik hoefde niet te gaan. Ik ben eigenlijk nog nooit gecontroleerd. Ik zou het gerust willen doen, hoor. Bij mij zullen ze niets vinden.”

De Ridder: “Ik heb het meegemaakt in Gent: voor elke recordpoging word je gecontroleerd. Dat is serieus, ze lachen er niet mee. Maar ik was er gerust in: ik heb nooit iets genomen. Ik hou het bij isotone sportdrank, meer niet. En tegenwoordig drink ik na een zware rit ook melkwei. Heel onschuldig.”

Lenoir: “Ik hou het bij een warme chocomelk, eventueel met een scheutje rum erin. Dat is geen doping.”

Sommige leeftijd-genoten klagen dat ze zich afgeschreven voelen door de maatschappij.

Lenoir: “Ik voel me alleen afgeschreven als de NMBS mijn vrouw op het perron laat staan. Dat zal ik toch niet snel vergeten. Maar verder? Nee. Jonathan Sacoor is lid van mijn atletiekclub. Tot voor twee jaar trainde ik zelfs mee met de jonge garde, maar jaloers op hun talent ben ik niet. Ik heb vooral bewondering.”

Zitten de endorfines die vrijkomen bij het sporten, daar voor iets tussen?

Lenoir: “Sporten maakt me gelukkig, ja. Ik train drie keer per week en ik zou het niet kunnen missen.”

Waes: “Het is een verslaving.”

De Ridder: “Na zo’n zware inspanning ben ik tevreden over mijn lichaam: ik kan het nog. Als ik de mannen van twintig jaar jonger kan bijbenen bij De Heidestoempers, dan geeft me dat voldoening. Die mannen kijken naar me op: ze willen later wel kunnen wat ik kan. Dat doet me plezier.

“Weet je dat wij de eerste generatie tachtigers zijn die aan sport doet? Marathons lopen: dat deden mijn grootouders niet.”

Waes: “Ik heb mijn grootouders alleen gekend als oudjes die in een hoek van de kamer als een kaarsje zaten uit te doven.”

Beeld Wouter Van Vaerenbergh

Het zal jullie niet overkomen.

Waes: “Ik zou er direct voor tekenen om 100 te worden. Als het zonder mankementen kan? Ja, zeker.”

Lenoir: “Oude mensen die over euthanasie spreken, begrijp ik niet goed.”

Lutgart Simoens is 91 en vindt dat het leven mooi is geweest. Het mag stilaan stoppen voor haar.

Lenoir: “Ik mag er niet aan denken!”

Waes: “Als je echt lijdt en ziek bent, dan kan ik daarin komen.”

Lenoir: “Ik heb er niks op tegen, euthanasie moet kunnen. Maar nu kan ik het me nog niet voorstellen. Mijn lichaam zal nog flink moeten aftakelen, voor ik vind dat het mooi is geweest. Ik ben nu al bang voor dat moment. Ik ga liever nog twintig jaar lopen.”

Tegen dan ben je 107.

De Ridder: “De Fransman Robert Marchand heeft op z’n 105de nog het werelduurrecord verbroken, in de categorie voor 105-plussers (lacht). En ik ken een man van 93 die nog fietst. Zelf vertrekken kan hij niet: zijn zoon moet hem op zijn koersfiets zetten en een duwtje geven. Daarna springt de zoon zelf op de fiets en rijdt hij achter zijn vader aan, om hem op te vangen als hij stopt.”

Waes: “Ik zie mezelf ook nog lang doorgaan. Opgeven staat niet in mijn woordenboek. Laten we over twintig jaar nog eens afspreken. Reserveren we alvast deze tafel?”

© Humo

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234