Maandag 01/03/2021

'Ik hoop maar dat ik niet te veel onzin uitkraam'

Een verhakkeld zwart plastic kratje verspert de toegang tot de voordeur. Er kleeft een eenvoudig handgeschreven briefje op: 'Michel Tournier'. Aan chique naamplaatjes heeft Frankrijks beroemdste, levende klassieke schrijver nooit gedaan. 'Entrez!', roept Tournier vanuit zijn woonkamer.

Zevenentachtig jaar is de auteur van meesterwerken als De Elzenkoning (1970) en De gouden druppel (1985) nu. Toch woont hij nog steeds op zijn eentje in de pittoreske, oude pastorie in Choisel die hij een halve eeuw geleden kocht. Ooit haalde Tournier zijn bezoek met de auto zelf op aan het station van Saint-Rémy-lès-Chevreuse, drie kwartier sporen van Parijs. Maar in 2007 brak hij na een radio-uitzending zijn heup en sindsdien loopt hij met een stok. "Ik verplaats me steeds minder. Noodgedwongen", zucht Tournier. Zijn auto deed hij van de hand, zijn zo gekoesterde jaarlijkse vakantie aan zee in Bretagne is geschrapt. Zijn zitje in de Académie Goncourt gaf hij in 2010 op, het is inmiddels ingenomen door schrijver Régis Debray. "Ouderdom is vreselijk", sakkert hij. Aan de kapstok hangen zijn jassen en de hem kenmerkende gehaakte mutsjes er nutteloos bij. Zittend op een bank die minstens even oud lijkt als hijzelf, voert hij soeverein het woord. Docerend én schalks tegelijk. "Ik hoop maar dat ik niet te veel onzin uitkraam."

Vernedering

Het beslissende moment in Tourniers leven was een vernedering. Op 24-jarige leeftijd zakte hij voor zijn agrégation de philosophie. In zijn autobiografie Le vent Paraclet (Een vlaag van bezieling, 1977) legt hij de schuld bij de loterij van het Franse agrégation-systeem: "Ik beschouwde mijzelf nochtans als de beste van mijn generatie." Er wordt beweerd dat hij totaal niet was voorbereid op het examen, waarvoor Gilles Deleuze, de latere filosoof, wél zou slagen. Zijn droom om filosofie op de universiteit te doceren, viel in duigen en de jonge Tournier moest aan de kost komen als vertaler, in de pr en met baantjes voor radio, televisie en uitgeverij. Meer dan zestig jaar later zit de frustratie nog steeds diep. "Ik was gezakt!", gromt hij. "Ik was mislukt!"

Tournier nam zijn tijd voor een revanche. "Ik deed alles altijd wat later, ik publiceerde mijn eerste roman pas op mijn tweeënveertigste. Terwijl ik een vreselijk vroegwijze klasgenoot had: Roger Nimier. Zijn eerste roman kwam er op achttienjarige leeftijd en hij stierf bij een auto-ongeluk toen hij zesendertig was. We zaten naast elkaar in de hoogste klas van het lycée. Hij was de jongste en de slimste. En ik was traag. Nimier zag mij als een zwakzinnige. Hij had gelijk. Want ik stelde niets voor." (lacht)

Mislukt is Tournier dus in het geheel niet. Met Vendredi ou les Limbes du Pacifique (Vrijdag, of Het andere eiland) debuteerde hij in 1967. Het is zijn versie van Robinson Crusoe, gezien vanuit het perspectief van zijn zwarte hulpje Vrijdag. Hij won er meteen de Grand Prix du Roman van de Académie Française mee. Drie jaar later was het opnieuw raak met de Prix Goncourt voor Le Roi des Aulnes (De Elzenkoning). Intussen zijn van zijn romans en essays zo'n 7 miljoen exemplaren verkocht en is zijn werk in meer dan veertig talen vertaald.

Als geen andere schrijver vlecht Tournier de grote mythen uit de wereldcultuur in zijn boeken. "Akkoord, ik las altijd al. En een lezer is ook een soort schrijver. Hij schrijft het boek dat hij aan het lezen is. Maar het publiek besliste dat ik schrijver werd. Auteur zijn betekent dat je de kost moet kunnen verdienen met je pen, zo simpel is het. Voor mij was dat de Prix Goncourt in 1970. Wie schrijft moet ook aanleg hebben om connecties aan te knopen. Als je niet wordt uitgegeven, besta je niet." In 1985 zat Tournier trouwens op een vingerlengte van de Nobelprijs. Samen met nouveau romancier Claude Simon werd hij in Stockholm door de Zweedse Academie een week lang ondervraagd. "Na een tijd hadden we er schoon genoeg van!" Kort nadien bleek dat Simon de prestigieuze prijs kreeg. "Ach, ik was blij voor hem", zegt hij. "Simon had nog nooit een prijs gekregen."

Tourniers goudmijn is nog steeds Vendredi ou la vie sauvage, het kinderboek uit 1971 dat hij baseerde op Vendredi ou les Limbes du Pacifique. "Een betere versie dan het origineel", grinnikt hij. Veel Franse scholen gebruiken het in de filosofielessen, waarmee hij zijn droom om docent wijsbegeerte te worden toch nog benaderde. Net daarom noemen ze Tournier wel eens de 'Socrates van de zandbak'.

Toch beklaagt hij zich over de inzet van zijn vaste uitgever Gallimard: "De relatie tussen Gallimard en zijn auteurs ligt moeilijk. Alle schrijvers vinden dat hun uitgever zijn werk niet doet. Ik ook, bien sûr. Kijk, ik werkte bij een pr-bureau, en ik kan u zeggen, er bestaat een vaste regel: hoe beter een boek verkoopt, hoe meer je je best moet doen om er nog méér van te verkopen. Eh bien, als je navraag doet bij Gallimard wat het pr-budget is dat er sinds het debuut is besteed, dan is dat nul. En waarom? Waarom zou je reclame maken voor boeken die zichzelf verkopen? C'est scandaleux! Ils s'en foutent!"

Tournier bespeelde dan maar zelf de publiciteit en dat deed hij meesterlijk, bij voorkeur als er weer een nieuwe roman op het punt stond te verschijnen. Veel stof deed Tournier in 1989 opwaaien na een interview met het Amerikaanse Newsweek: daarin sprak hij zich uit tegen abortus en vergeleek hij aborteurs met de beulen van Auschwitz. Ook vergeleek hij Frankrijk ooit met een koeienvlaai, om bij het daaropvolgende schandaal opnieuw te beweren dat hij verkeerd geciteerd was. Hij verweet Hitler dat hij zijn belofte om Parijs plat te branden niet nakwam. "U weet dat ik een hartgrondige hekel heb aan de hoofdstad", lacht hij.

Vandaar dat hij destijds de luwte zocht in het dorpje Choisel. Maar nu wordt het daar wel erg stil. Veel naburige woningen staan leeg of fungeren als weekendhuisjes. Winkels zijn er amper nog, cafés al helemaal niet. Doodsheid alom. "De mensen zijn met de noorderzon vertrokken. Ik verveel me hier vaak. Ik luister naar muziek en kijk veel naar de Duitse televisie. De Duitse taal is voor mij de beste manier om aan dit gat te ontsnappen."

Tournier groeide op met één been in Duitsland. "Het is mijn tweede vaderland." Zijn ouders, beiden germanist, en zijn Duitse gouvernante brachten met het gezin de zomervakanties door in Duitsland. Zo kreeg de jonge Michel de Duitse taal onder de knie, die hij nog steeds vloeiend spreekt. Het is niet verwonderlijk dat hij juist in Duitsland De Elzenkoning situeerde, zijn meest barokke roman over de afstotelijke automonteur Abel Tiffauges, waarin nazi-Duitsland, de verschrikkingen van de kampen en het Pruisische landschap de boventoon voeren.

Gebroken levens

Tournier grijpt naar zijn stok en wijst naar de schoorsteenmantel waarop talrijke foto's van dierbaren. Een ervan dateert uit 1938: Tournier in korte broek met twee Duitse vriendjes. Het oudste jongetje op de foto sneuvelde op zijn zeventiende aan het Russische front. "Ik heb veel geleden onder de oorlog, al ging hij dan over mijn hoofd heen. Ik heb nooit een uniform gedragen. Mijn neef, die drie jaar ouder was, kreeg de volle lading: voor het leger opgeroepen in 1939, krijgsgevangen in 1940, vier jaar in een kamp. Er waren twee miljoen Franse krijgsgevangenen in Duitsland. Na de oorlog werden ze slecht ontvangen. Mijn neef kon zich nooit meer aanpassen en pleegde zelfmoord. Een van de drie zelfmoorden in mijn leven, zoals die van mijn vriend Gilles Deleuze. Heel tragisch." En Tournier bedenkt: "Voor echte tegenslag moet je ofwel jonger zijn dan achttien ofwel ouder dan dertig. Als je tegenslag krijgt tussen je achttiende en je dertigste, dan kom je daar nooit meer overheen, dan breekt je leven." Zonder haperen zingt hij plots een Duits liedje, uit de tijd voor de oorlog die alles zou veranderen. Het is prachtig Duits. Zijn geheugen is nog altijd ijzersterk.

Zojuist verscheen in Frankrijk de interviewbundel Je m'avance masqué met journalist en schrijver Michel Martin-Roland, waarin hij openhartiger is dan ooit: "Het is een eigenaardig boek: alles is van mijn hand maar ik heb geen regel geschreven." En dan is er ook de uitgave van de reisbundel Voyages et paysages van hoogleraar en Tournier-kenner Arlette Bouloumié, nu in een Folio bij Gallimard. Het boek bevat een duizelingwekkende lijst van de reizen die de schrijver sinds de jaren zeventig maakte, zoals naar Japan en IJsland voor Les Météores uit 1975. "Om de twee maanden maakte ik een grote reis. In de Instituts français in elke wereldstad signeerde ik en hield ik lezingen. Dat mocht geld kosten en ik genoot daarvan. Dan trok ik naar Ierland, naar IJsland of naar Italië en werd prachtig ontvangen door mijn buitenlandse uitgevers. Heel leuk maar erg vermoeiend. Maar wat moet je anders op reis? Of je doet niets, dat is een naargeestig alternatief." Aan anekdoten onderweg geen gebrek. Zo vertelt hij over een medepassagier in de nachttrein naar Monaco die 's ochtends aanbiedt hem te scheren. Het blijkt zijn beroep te zijn. "Het was de beste scheerbeurt die ik ooit heb gehad." De man neemt het compliment in ontvangst en biecht dan op: "Normaliter scheer ik alleen lijken."

In Je m'avance masqué lanceert hij ook een voorstel om de Prix Goncourt te hervormen. "Als de uitgever van het winnende boek nu eens 10 procent van die opbrengst aan de Académie Goncourt zou schenken? Het zou de straatarme Académie een stuk onafhankelijker maken", vindt Tournier. De jury wilde er geschokt niets van weten. Nu rekent hij vlot voor welke omzet een bekroond boek vertegenwoordigt. "Ik kan u de cheque laten zien die ik kreeg toen ik de Prix Goncourt won: 50 francs. En ik heb 'm niet geïnd, die is hier nog. Tegelijkertijd hebben de verkoopcijfers ongekende hoogten bereikt, tot 600.000 exemplaren nu. Het is een ideaal cadeau geworden: niet duur, complimenteus en mét actualiteitswaarde. Dus als ik voor mijn uitgever Gallimard de Prix Goncourt win, doe ik hem een enorm cadeau, dat hij mij eigenlijk verschuldigd is. Dat heeft iets van corruptie. Mais oui!"

Bewonderenswaardig

We lopen nog even in de schitterende tuin met de robuuste lindes en kastanjes. Hier landde president Mitterrand ooit met zijn privéhelikopter om Tournier met een bezoek te vereren. Achter in de boomgaard ligt zijn moeder begraven, ze overleed in 1992 op bijna honderdjarige leeftijd. Er is een speciale plaquette voor haar aangebracht in de tuinmuur. "Dat wilde ze zo." Zelf houdt Tournier de dood zo lang mogelijk op afstand in zijn kluizenaarsnest. Want ondanks de eenzaamheid en de ouderdom blijft L'Angelus Choisel, zoals hij zichzelf ergens noemt, schrijven. Een titel en een opzet voor zijn volgende boek heeft hij al: Mirabilia.

"Op sommige dagen valt het me op hoe naargeestig de berichtgeving op de radio en de televisie is. Er gebeuren miljarden dingen op de wereld, waarom zoekt men dan steeds de rampen, de branden, moordaanslagen op? Waarom kiezen ze niet zo nu en dan wat positiefs? Als ik op een dag Mirabilia publiceer, wat 'de bewonderenswaardige dingen' betekent, dan wordt dat een positief boek. En dat is meestal het geval bij mij", zegt hij er met enige zelfspot bij.

Met dank aan professor Arlette Bouloumié

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234