Zondag 24/10/2021

Zij waren onschuldig

"Ik heb zijn moeder gezien, gebogen over haar dode zoon. Ze riep: ‘Nu gaan er honderd mensen moeten sterven!’"

Jozef Craeninckx, de laatste overlevende van het drama van Meensel-Kiezegem. Beeld Stefaan Temmerman
Jozef Craeninckx, de laatste overlevende van het drama van Meensel-Kiezegem.Beeld Stefaan Temmerman

Een toevallige vondst op een rommelmarkt bracht ons op het spoor van Jos Cels (1923-2003), journalist en verbeten strijder tegen gerechtelijke dwalingen. Vandaag in deel 3: het drama van Meensel-Kiezegem.

Toen de Leuvense assisenjury terugkeerde en de vier verdachten schuldig achtte aan de moord op de boer uit Kiezegem, gingen achteraan in de zaal enkele mannen rechtstaan. Ze riepen: "Zij hebben het niet gedaan! Wij hebben het gedaan! Wij hebben boer Pittomvils vermoord!"

De wereld van Jos Cels was zwart-wit. Een woord was een woord, of het nu was uitgesproken door een rechter, een priester of jijzelf. Je kwam niet terug op een gegeven woord, toch niet zonder consequenties. De misdaadjournalist werd begin jaren 60 op de Antwerpse redactie van De Nieuwe Gids verliefd op de jonge typiste Mia. Vervelend, want hij had een gezin en drie kinderen.

Een halve eeuw later vindt Mia het nog altijd een liever te omzeilen gespreksonderwerp, ook al dringt dochter Kathleen aan: “Jullie zijn toen toch allebei ontslagen? Omdat dat niet mocht, bij een christelijke gazet?”

Mia: “Zo is dat niet helemaal gegaan.”

Het is wel een feit, zegt ze, dat Jos in de meest letterlijke zin alle contact moest verbreken met z’n ex en z’n drie eerdere kinderen. Dat zulke dingen in die tijd gewoon zo gingen.

Oorlogsdrama

Er waren wel meer dingen anders in de jaren waarin Jos Cels ten strijde trok tegen in de rechtszaal uitgesproken onrecht.

In zijn boek Zij waren onschuldig (1963) neemt hij ons mee naar het Hagelandse Meensel-Kiezegem, het geboortedorp van wielerlegende Eddy Merckx. Daar wordt in de nacht van 25 op 26 augustus 1945 Louis Pittomvils vermoord. Jos Cels schrijft: ‘De landbouwer werd door een struise gemaskerde kerel met een mitraillette koelbloedig neergeschoten. Hij bleef op slag dood. Emma Timmermans, zijn vrouw, werd in de kelder geduwd waarna de woning in brand werd gestoken. Na het vertrek van de daders gelukte het de vrouw er in zich uit de kelder te bevrijden en met de medehulp van haar zoon het stoffelijk overschot van de landbouwer uit de brandende hoeve te bevrijden.’

Wat denk je, Sherlock? Waarom zou iemand zoiets doen?

De grafsteen van Louis Pittomvils, met sinds 1980 Emma naast zich, is bewaard gebleven op het kleine kerkhofje naast de kerk van Kiezegem. Het is een en al oorlog en gedenkstenen daar, en ook op dat van buurdorp Meensel.

Meensel-Kiezegem is ons eigen Ouradour-sur-Glâne. De bevolking van het Franse dorpje werd op 10 juni 1944 zo goed als volledig gedecimeerd als vergelding voor D-Day, vier dagen eerder. In Meensel-Kiezegem vielen er een 70-tal doden. Wat het drama zoveel ingrijpender maakt, is dat de moorden en de deportaties niet het werk waren van de nazi’s, maar van jongens die voor de oorlog nog hadden gevoetbald en pintjes gedronken met hun slachtoffers.

“Er was in Meensel-Kiezegem in die hele oorlog geen schot gelost”, zegt Jozef Craeninckx (90), de laatste overlevende, de allerlaatste ook van wie de overlijdensdatum nog niet is toegevoegd op de gedenksteen voor ‘Zij Die Weerkeerden’ op het kerkhof van Meensel. “Niet één schot.”

Jozef praat graag over het drama, zeker nu hij de laatste is die dat nog kan. Over één zij-aspect praat hij niet. Hij gaat over op fluistertoon: "Ik zou die zaak laten rusten als ik u was. Trouwens, ik weet helemaal niets over de zaak-Pittomvils."

Wat voorafging

Op zondag 30 juli 1944 stappen vier twintigers vanuit Kiezegem naar de kermis in Attenrode, het volgende dorp. Een van hen is Gaston Merckx, de 24-jarige leider van de Duitsgezinde Vlaamse Wacht in Kiezegem. Een kilometer buiten het dorp zien ze twee jongens en een meisje sleutelen aan een gevallen fiets. De spanning is die dag te snijden in Kiezegem. ’s Ochtends is er een pamflet opgedoken waarin de partizanen, de communisten dus, hebben aangekondigd dat ze weldra zullen afrekenen met de zwarte families Merckx en Broos.

In een op YouTube te vinden documentaire van VRT-coryfee Maurice De Wilde vertelt oud-partizanenleider Louis Van Brussel in 1986 hoe de drie naar de bossen rond Kiezegem waren gestuurd voor een terreinverkenning. De Britse RAF wou met het oog op de nakende bevrijding parachutes met wapens droppen voor het verzet. In de fietstassen zaten gedemonteerde machinegeweren. Een loop was in de spaken van een fiets gedraaid en was dat niet gebeurd, dan prijkten er nu geen 54 witte kruisjes op het kerkhof van Meensel.

Jozef Craeninckx: “De Merckxen, dat waren rijke boeren. Zij speelden graag de baas. Zij vonden dat het aan hen te danken was, aan hun goede connecties met den Duits, dat er in die hele oorlog nooit geen kweddelen waren geweest.”

Kweddelen is lokaal taalgebruik voor geruzie.

Louis Van Brussel, in 1986: “Die partizanen waren daar niet van op de hoogte (van dat pamflet, DDC). Zij waren niet afkomstig uit de streek. Zij hadden alleen als opdracht die parachutage voor te bereiden.”

Volgens de overlevering sprak Gaston de drie aan: “Ik ken ullie niet! Wat komde gullie ier doen? Ik ben van de Gestapo, toont ullie papieren!”

Een van de drie trok zijn 6.35, maar het pistool haperde, waarna een van de drie zijn 9 mm trok. Een schot. Gaston Merckx zeeg neer tegen een tarweschoof.

Jozef Craeninckx: “Ik heb hem zien liggen, het gebeurde op een paar honderd meter van onze boerderij. En ik heb zijn moeder gezien, gebogen over haar dode zoon. Ze riep: ‘Nu gaan er honderd mensen moeten sterven!’ Twee dagen later hebben ze de eerste drie mannen geëxecuteerd. Een van hen was mijn neef August. Waarom? Omdat die die zondag op café had staan lachen met Gaston. Zo van: ‘Ziet hem daar nu liggen, met zijn kloten in het gras!’ Er zijn dan ook nog eens veertien anderen, onder wie enkele vrouwen, opgepakt en afgevoerd.”

En dat is pas het begin.

De gedenksteen voor ‘Zij Die Weerkeerden’ op het kerkhof van Meensel. Beeld Stefaan Temmerman
De gedenksteen voor ‘Zij Die Weerkeerden’ op het kerkhof van Meensel.Beeld Stefaan Temmerman

In de nacht van 10 op 11 augustus omsingelt een 300-koppig commando van de SS Vlaanderen, DeVlag, de Vlaamse Wacht en de Duitse Sicherheitsdienst het dorp. Alle mannen tussen 16 en 65 jaar worden op de speelplaats van de oude meisjesschool van Meensel samengedreven. Daar worden ze een voor een voor Marcel en Albert Merckx geleid, de twee oudere broers van Gaston. Ze hebben allebei een zwaar mishandeld verzetslid aan zich vastgeketend. Zij moeten die nacht met een hoofdknik bevestigen of de voorgeleide wel of niet deel uitmaakt van de partizanen.

Jozef Craeninckx: “Mijn vader heette Vital. Een van de partizanen die ze zochten, heette ook Vital. Dus werden onze va, mijn tweelingbroer Frans en ik, mee op de op de vrachtwagen geladen.”

Geruchten en speculaties

Jozef, Frans en nog een tiental anderen uit Meensel-Kiezegem overleven de oorlog doordat de machinist van hun deportatietrein knoeit met een wissel en naar Mechelen rijdt in plaats van naar een Duits concentratiekamp. Begin september zijn Jozef en Frans al terug thuis.

Jozef Craeninckx: “In het dorp hebben ze lang gedacht dat ook de anderen wel zouden terugkeren. Er zijn er uiteindelijk drie teruggekeerd. (stil) Bij de eerste, Joske Claes, wist ge ’t al. Meer skelet dan mens. Onze va hebben we nooit meer gezien.”

De grafzerkjes in Meensel vermelden vaak maart en april 1945 als overlijdensdatum. De locaties: Neuengamme, Meppen of Bergen-Belsen. Een na een zijn de gedeporteerden, boeren en boerenzonen die met die hele oorlog niks te maken wilden hebben, bezweken in de laatste weken van de oorlog.

Jos Cels schrijft: 'Het was begin augustus 1945 dat de eerste berichten over hun lot in de gemeente toekwamen.'

Van drie inwoners valt na de oorlog geen spoor meer te bekennen. Albert en Marcel Merckx zijn samen met hun derde broer Maurice verdwenen. Ze zijn vanaf de zomer van 1945 een constante bron van geruchten en speculaties. Dat ze in Duitsland zitten, dat ze de oceaan zijn overgestoken, dat ze als kluizenaars leven in een hol, diep in het bos.

En juist dan wordt er een boer vermoord. De 60-jarige Louis Pittomvils, van wie bekend is dat hij zoals zovelen zwart noch wit wou zijn. In Meensel was het gerucht gaan smeulen dat Pittomvils een van de zonen van Merckx had verstopt in zijn schuur. Zoals ook het hele drama van Meensel-Kiezegem terugging op een foute aanname, was dat ook zo met de moord op Louis Pittomvils.

Een bekentenis

Als speurders van de Leuvense bijzondere opsporingsbrigade (BOB) in 1945 naar Meensel-Kiezegem worden gestuurd, stoten ze op een muur van stilte. Ze mogen praten, smeken, intimideren: niets helpt. Zowel in Meensel als in Kiezegem heerst een Siciliaanse omerta.

Het duurt tot in 1949 voor de BOB’ers een beetje out of the box gaan denken. Ze sluiten een zekere Karel Baert op in de gevangenis, meppen hem bewusteloos en doen hem bekennen dat hij samen met de broers Wittemans en een zekere Loddewijckx de moord heeft gepleegd en dat het motief los zou staan van de oorlog. Pittomvils zou zijn vermoord vanwege illegale slachtingen.

Tijdens het assisenproces in Leuven legt Baert in juni 1952 uit dat zijn bekentenissen hem zijn afgedwongen, dat hij met die hele moord juist niks te maken had, maar de jury weigert hem te geloven en veroordeelt de broers Wittemans en Loddewijckx tot tien jaar dwangarbeid. Karel Baert komt er vanaf met zeven jaar cel.

Hier pas wordt het een interessante zaak voor Jos Cels, die schrijft: ‘Blijkbaar werden bekentenissen dus als verzachtende omstandigheid in aanmerking genomen. Wee derhalve de onschuldige beklaagden, want hoe hardnekkiger zij hun onschuld zullen staande houden, hoe meer kans ze lopen om meteen tot een zwaardere straf te worden veroordeeld!’

Mia: "Dat hield hem erg bezig. De waarde die justitie in veel zaken hecht aan een bekentenis, ook als die kant noch wal raakt. Jos vond dat geweldig onrechtvaardig."

Tijdens het voorlezen van het verdict in de Leuvense assisenzaal gebeurt iets unieks. Vanop de publieksbanken wordt er geroepen: “Zij hebben het niet gedaan! Wij hebben het gedaan! Wij hebben boer Pittomvils vermoord!”

Ze waren met acht, die nacht, legt een van hen later uit aan Maurice De Wilde: “Wij dachten allemaal dat het op een vrijspraak ging uitdraaien. Wij konden ons niet inbeelden dat ze vier personen zouden veroordelen die er niet bij geweest waren.”

De acht hadden ook onderling afspraken gemaakt over wat te doen als die verdomde jury de vier tegen alle verwachtingen in toch schuldig zou achten. Een woord was in die jaren echt wel een woord.

De man die het fatale schot heeft gelost, Felix Coeckelberghs, trekt naar de Leuvense onderzoeksrechter en eist in staat van beschuldiging te worden gesteld voor de moord waarover de assisenjury zonet recht heeft gesproken.

Mia: "En toch wou het gerecht ook in die zaak niet buigen."

Alfa en omega

Jos Cels wordt er moedeloos van. Met net zoveel pathos als de met de vuist afgedwongen bekentenis van Baert is verheven tot alfa en omega van de zaak, minimaliseert het Leuvense Openbaar Ministerie de door zeven anderen ondersteunde bekentenis van Coeckelberghs.

Jos Cels: ‘Volgens het Openbaar Ministerie, bij monde van eerste advocaat-generaal Vermeulen, zijn bekentenissen geen onomstotelijk bewijs! Zeven mannen werden buiten de zaak gesteld en Coeckelberghs verscheen voor het hof van assisen van Brabant. Zes zittingen werden aan het nieuwe proces gewijd, waarop Coeckelberghs vrijgesproken werd. Hij werd door zijn echtgenote en meer dan tweehonderd geestdriftige streekgenoten onthaald en triomfantelijk naar Glabbeek gevoerd waar zijn acht kinderen hem uitgelaten van blijdschap opwachtten.’

En zo, moet Jos Cels, tot zijn mateloze ergernis vaststellen, blijft de absurde initiële gerechtelijke waarheid overeind staan. De vier onschuldigen zijn er dan wel vanaf gekomen met niet meer dan enkele maanden voorhechtenis, ze moeten wel een schadevergoeding betalen aan de nabestaanden van Pittomvils. En voor de rest van hun leven hebben ze een moord op hun strafblad staan.

Een wat ontmoedigde Jos Cels zal na Zij waren onschuldig het thema van de gerechtelijke dwaling achter zich laten. Hij stort zich op de zoektocht naar het verdwenen paneel uit het Lam Gods, publiceert verschillende boeken over de zaak. Hij lijkt vastbesloten om geen bij voorbaat zinloos lijkende gevechten voor gerechtigheid meer te willen aangaan.

Tot hij op een dag midden jaren 70 een enveloppe tussen de ochtendpost aantreft, ondertekend door Leon Van Huffel.

Deel 4: "Ik zat 31 jaar onschuldig in de gevangenis."

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234