Vrijdag 19/08/2022

‘Ik heb niet gehuild. Daar ben ik te nuchter voor’

Vroeger dacht Bert van Marwijk (58) dat geen club op hem zat te wachten. Op 11 juli van dit jaar was hij bondscoach van het elftal dat de finale van het WK voetbal verloor. ‘Ik kan niet lobbyen. Dat doe ik niet.’

et is de terugkijktijd, de tijd van de opgerakelde WK-finale tegen Spanje. Het zilver, de kans van Arjen Robben, de onvoltooide verwerking; alles komt langs, telkens weer, vrijwillig of onaangekondigd. Op de dag voor het gesprek in zijn kantoor in Zeist, waar een foto met de glimlachende Bert van Marwijk nonchalant tegen de muur staat, is de bondscoach van het Nederlands elftal uitgeroepen tot coach van het jaar.

Hebt u eigenlijk gehuild na die nederlaag in de finale?

“Nee, nee. Ik ben helemaal niet zo macho dat ik nooit huil, maar nee, daarvan heb ik geen last gehad.”

Waarom hebt u het terugzien van de finale dan maanden uitgesteld?

“Ik kende de wedstrijd al. Ik had er gewoon geen zin in. Die dvd heb ik een keer in een onbewaakt ogenblik bekeken. Het idee bleef ongeveer hetzelfde. Als je die beelden ziet, denk je weer: Jezus, wat zijn we dichtbij geweest. We hebben een stukje geschiedenis geschreven, maar we hadden ik weet niet wat kunnen schrijven.”

Is uw teleurstelling dezelfde als die van Mark van Bommel, uw schoonzoon en international?

“De zijne zal eerder nog groter zijn. Al die jongens waren ervan overtuigd dat we wereldkampioen konden worden. We hadden een missie. Die gasten waren doodziek. Op het veld en in de kleedkamer heb ik een aantal spelers zien huilen. Oprecht. Die droom spatte uiteen.”

Maar u huilde niet?

“Nee. Niet omdat ik het beter verwerk, maar ik was alleen met die wedstrijd bezig. Bij mij komt dat later, en dat wordt alleen erger. Misschien dat mijn emotioneelste moment komt als ik een keer, helemaal in mijn eentje, een van die tientallen gekregen dvd’s bekijk waarvan ik er nog niet één heb gezien. Dat zou zomaar kunnen.”

Dat wordt een gezellige tijd dan, als u 82 bent en in het bejaardentehuis zit.

“Nee hoor. Ik rijd straks naar huis en denk daar helemaal niet aan. Maar als ik beelden zie, komt alles terug. Met wat je nu weet, besef je hoe dicht we bij de titel waren. De Spanjaarden Ramos en Puyol stonden na de wedstrijd bij ons in de kleedkamer. Ze vertelden dat ze dachten dat ze eraan gingen. Ik had ook het idee dat wij in de verlenging mentaal sterker waren. Ik dacht echt: als wij die penalty’s halen, hebben we de grootste kans om te winnen. De waardering voor onze prestatie lijkt alleen maar groter te worden. Nou, dan wordt mijn frustratie groter.”

Met wie deelt u die frustratie?

“Mijn vrouw Marian is erg nuchter. Die houdt niet van poespas. Die is niet zo snel onder de indruk als het goed gaat, maar ook niet als het slecht gaat. Die zorgt ervoor dat ik snel met beide benen op de grond sta.”

Wat zei ze na de finale?

“Dat weet ik niet meer. Ik weet wel dat mijn oudste dochter (de vrouw van Mark van Bommel, red.) me een emotioneel sms’je stuurde. We zaten in dezelfde ruimte. Ze wilde het niet zeggen, het was iets tussen vader en dochter. Ze keek als kind en zag dat haar vader teleurgesteld was. Mijn vrouw verwerkt zoiets makkelijker. Die zegt: er zijn belangrijkere dingen in het leven. Dan relativeer je jezelf. Ze vergeten soms te kijken als ik in een tv-programma zit; dan moet ik wel lachen. Wij zijn allemaal vrij nuchter.”

Vond u die dagen voor de finale ook zo heerlijk, die roes van hoop en verwachting?

“Nee. Ik wilde me concentreren en geen gekke dingen doen. Maar ik herinner me dat we op de dag van de finale wakker werden in ons nieuwe hotel en dat daar meer leven was. Ik moest zoeken naar de oudste zoon van mijn zus, die twee kaartjes kwam halen. Daar was het een drukte van jewelste, met mensen die oranje waren geschminkt, terwijl wij ons moesten voorbereiden. Op dat moment is dat leuk; het leeft. Later ga je denken of het daar misschien mis is gegaan. Maar je moet ook niet overdrijven. Als de teen van de Spaanse doelman Casillas twee centimeter korter was geweest, had Robben gescoord.”

U was niet meer gemotiveerd voor het vervolg, na het WK.

“Het was moeilijk me te concentreren op het volgende toernooi. Zo zei ik dat ook tegen de spelers. Ik had nergens zin in. Als ze me een paar weken met rust hadden gelaten, had het weer gekund. Maar die tijd was er niet. Dat betekent dat het WK veel energie heeft gekost. Tegen de jongens zei ik dat ik desondanks wél wilde winnen. Die les hebben ze in twee jaar meegekregen. Ik heb geen zin de motivator uit te hangen terwijl ikzelf niet gemotiveerd ben.”

Ikzelf moest, net terug uit Zuid-Afrika, een beetje huilen bij de huldiging in Amsterdam op tv. De spelers dansten in een kring op aanzwellende muziek van Armin van Buuren, bijna bezwerend. Over de aantrekkingskracht van het spel valt te twisten, de teamgeest was geweldig. Nietwaar?

“Ja, maar ik heb die teamgeest zo vaak gezien. We stonden op dat trainingsveld in Johannesburg voor een besloten training en we wisten dat in flatgebouwen rondom camera’s stonden. Ik zeg: ‘Jongens, laten we klappen voor iedereen.’ Toen liepen ze een rondje en klapten. En wat denk je toen de cabaretiers Erik van Muiswinkel en Najib Amhali met ons kwamen eten? Van Muiswinkel was niet verkleed, maar nam de houding aan van een van zijn typetjes, Anton Geesink. Ik viel bijna van mijn stoel van het lachen. Iedereen zat rechtop. Geweldig. En die jongens zaten bijna boven op Najib. Cruijff schoof ook eens aan. Dat vonden ze fantastisch.”

U hoefde bijna nooit harde woorden te gebruiken. Nu ja, Robin van Persie werd gewisseld tegen Slowakije en zei volgens een liplezer iets vervelends over Sneijder. Was dat uw moeilijkste moment?

“Ik kon niet horen wat hij zei, met al die toeters. In het vliegtuig heb ik individueel met Wesley en Robin gesproken. En toen we bij het hotel kwamen, met alle familie, wilde ik eerst met de groep praten. Ik zei: ‘Het maakt me niet uit wie het is, maar ík laat me dit WK niet afnemen.’ Je kon een speld horen vallen. Vanaf het begin heb ik gezegd dat ze geen vrienden hoefden te zijn, als ze elkaars kwaliteiten maar respecteerden en accepteerden. Dan moet je eens kijken hoe ver je komt. En als dat gebeurt, zie je de grootste vijanden gearmd van het veld lopen.”

Bert van Marwijk bereikte als trainer wat hem als speler niet lukte. Hij was een uitstekende, technisch begaafde prof en daarna jarenlang trainer bij de amateurs in Zuid-Limburg, voordat hij in 1997 bij Fortuna Sittard de ontslagen Pim Verbeek opvolgde.

Het is snel gegaan. U had net uw diploma toen u tegen uw vrouw zei: wie komt er nu voor mij?

“Nee, ik zei tegen haar: er komt niemand.”

Wat zei ze vorige week toen u was uitgeroepen tot Coach van het Jaar?

“Niet zoveel. Maar ze realiseert zich dat er veel is veranderd en ze is ook trots. Ik merk meer aan mijn omgeving waar ik nu sta. Zelf kijk ik daar niet naar.”

Hoe bedoelt u dat?

“Nou, ik kwam thuis met mijn diploma coach betaald voetbal, maar ik kan niet lobbyen. Dat doe ik niet. ‘Dan maar niks’, zei ik tegen Marian. Ik kwam alleen bij MVV omdat ik daar als oud-speler gratis kaartjes kreeg. Dan zag ik een oud-collega op de bank zitten en had ik het idee dat ook te kunnen. Zo is dat gegroeid. Tot mensen tegen me zeiden dat ik het hoogste trainersdiploma moest halen. Dat adviseerde mijn vrouw ook. Maar de enige clubs die ik me kon voorstellen als werkgever waren MVV en Fortuna.”

Is er dan een verschil tussen de omgang met Frans Willems, de vroegere spits van amateurclub RKVCL, en Robin van Persie?

“Nee. Ze vroegen me onlangs of ik veel heb opgestoken van collega’s. Ik heb wel eens gedacht een week te gaan kijken bij een grote club. Manchester United. Hoe ze trainen. Het is er nooit van gekomen. Soms schaam ik me daarvoor, maar daarna denk ik: dat heb ik niet nodig. Dat is niet arrogant bedoeld. Ik heb mijn hele leven alles zelf gedaan, met een bepaalde eigenwijsheid. Het verschil met vroeger is dat ik heb leren luisteren. Vroeger was mijn waarheid dé waarheid. Dat is niet zo. Maar alle trainingsvormen zijn op natuurlijke wijze ontstaan. Ik heb niets van een ander en daarbij voel ik me lekker. Het is geen onwil.”

Was u dan nooit onzeker?

“Vanaf dag één op de cursus Coach Betaald Voetbal maakt iedereen zich zorgen om één ding: de examentraining, op het veld. Als je daarvoor zakt, lijd je ongelooflijk gezichtsverlies. Want dat is voetbal: trainen op het veld, een groep beïnvloeden, je persoonlijkheid etaleren, gezag afdwingen. Daar gaat het om, dat is de machowereld van het voetbal. Iedereen maakt elkaar gek.

“Maar ik had vertrouwen in mezelf. Toch ga je nadenken. Ik prikte een datum waarop de kans bestond dat het aardig weer was, om optimale voorwaarden te creëren. Ik sta daar dus met mijn trainingspak aan en daar komen de examinatoren: Jan Rab en Bert van Lingen, streng en gelouterd. Ik loop naar het veld en krijg het gevoel: wat is dit voor flauwekul, zij hoeven mij echt niets te leren, dit is mijn vak. Zij moeten straks ook niet kritisch tegen me zijn, want dan zal ik ze eens wat vertellen. Dat bedoel ik weer niet arrogant. Dat is mijn filosofie. Ik denk dan weer: wie doet het beter dan ik?”

Misschien bent u de beste bondscoach aller tijden.

“Ik probeer uit te leggen hoe ik denk. Ik had met een compagnon een goedlopende sportzaak in Meerssen. We plusten elk jaar. Toen kreeg Meerssen een nieuw riool en werden de straten opengebroken. Bij de invalswegen stond: Centrum onbereikbaar. Maar ik was zo onervaren in het zakendoen dat ik daar niet eens naar keek. We hadden enorme schulden, Marian zei: ‘Stop daar toch mee.’ Maar ik dacht: dat zal me niet gebeuren. Ik ben doorgegaan. Dan komt die eigenwijsheid naar voren. Uiteindelijk heb ik de zaak goed verkocht.”

Was er een moment dat al die lessen samenkwamen, uw ultieme WK-moment?

“De kwartfinale tegen Brazilië had alles in zich wat ik de jongens de afgelopen twee jaar duidelijk heb gemaakt. Dat wij in staat zijn incidenteel van elk groot land te winnen; dat onze positieve arrogantie ons sterk maakt, maar dat die tegen ons werkt als we daarin doorslaan. En dat ook wij onze onzekerheden hebben. Wij waren in de kwartfinale onder de indruk van de Brazilianen, die met een air over het veld liepen. In de eerste twintig minuten hadden we al dik kunnen verliezen. Na rust lieten we zien dat we goed kunnen voetballen. Die onzekerheid viel me op. Ik dacht dat we daarin verder waren.

“De hele wereld schreeuwde om wissels, en ik heb een paar kleine dingetjes rechtgezet. Maar de strekking was: jongens, ga eens voetballen.”

Wat zei u in de kleedkamer, tijdens de rust?

“Ik zeg bijna nooit iets, de eerste vijf minuten. Ik laat ze op adem komen, loop wat rond en observeer. Ik ben ook wel eens zo kwaad geweest dat ik bij binnenkomst de deur bijna uit de scharnieren gooide, maar nu was ik oprecht verbaasd. Ik hield me in en realiseerde me op welk podium we waren. En je moet altijd het overzicht bewaren. Dat zijn allemaal filosofieën die ik altijd had, en die samenkwamen. Ik kreeg bevestiging.”

U lijkt in een decennium veel rustiger te zijn geworden als coach.

“Ik had als voetballer een hekel aan schreeuwende trainers. Als ik een schreeuwende trainer zag, draaide ik me om. Ik weet nog dat mijn vrouw kwam kijken toen ik net bij de amateurs trainde. Ze zei: ‘Als dat nog een keer zo gaat, kom ik niet meer.’ Ik gedroeg me als een radioverslaggever en coachte elke bal van mijn team. Alles ging met gebaren, want alles moest goed zijn. Ik ben van de generatie die vindt dat je niet thuishoort op een bepaald niveau als je iets niet kunt. Later realiseerde ik me dat je daarmee moet opletten. Anders sla je door in cynisme.”

U hebt Oranje ook een sociaal gezicht laten tonen, door tijdens het WK een veld te schenken aan een arme buurt en door Robbeneiland te bezoeken, waar Nelson Mandela jaren gevangen zat.

“We hadden tijd om naar Robbeneiland te gaan. Ik was er al eens geweest en vermoedde dat de spelers het interessant zouden vinden. Zij hebben meer foto’s gemaakt dan ik.

“Ik had uitgerekend dat het een half uurtje lopen was van de cellen naar de steengroeve waar de gevangenen werkten. Ik vermoedde dat de gevangenen die wandeling destijds geweldig vonden. Ze waren dan buiten en konden communiceren, briefjes doorgeven. De gids zei dat die observatie klopte, maar toen de bewakers doorkregen dat de gevangenen die wandeling als een uitje zagen, hebben ze ook dat afgenomen. Vanaf dat moment moesten ze met de bus.

“Ze moeten hartstikke gek zijn geworden in die cellen. Er was ook een voetbalcompetitie op het eiland. Sommigen konden vanuit de cel net kijken naar het voetbal, maar dan veranderden de bewakers dat weer, zodat ze net niet meer konden kijken. Dan kun je beter een pak rammel krijgen elke dag.”

Ook uw vader was gek op voetbal. Bent u bedroefd dat hij uw hoogtepunt heeft moeten missen?

“Nee, hij is al 21 jaar dood. Zo gaat het leven. Ik heb twee dochters. Iedereen die mij kent, dacht dat ik het niet leuk zou vinden dat ik geen voetballers had. Ze geloofden niet dat ik dat niet erg vond. Ik hoopte dat ze gezond waren en aan sport zouden doen. Ik ben bij tennis en basketbal gaan kijken en ergerde me vaak aan hun coaches. Dat zei ik niet. Toen ik zelf de eerste keer ging voetballen, zei ik tegen mijn pa: ‘Als je gaat schreeuwen, stop ik.’ Dat heeft hij dus nooit gedaan.

“Ik heb drie kleinkinderen, de kinderen van Mark. Toen mijn kleinzonen hun eerste wedstrijdje mochten spelen, ben ik op zaterdagmorgen als een jonge vader naar Meerssen gegaan, voor het eerst van mijn leven met een fototoestel in handen. Straks, na de loopbaan van Mark, wonen we vlak bij elkaar. Dan vind ik het geweldig om met hen naar het voetbal te gaan. Maar daarna gaan ze naar de middelbare school, en dan trouwen ze. Het leven gaat altijd verder en het houdt vanzelf een keertje op. Zo was het ook met mijn vader.

“Mijn moeder had niets met voetbal. Ze is vroeger één wedstrijd geweest, maar ging naar huis toen ik op de grond lag. Nu werd ze telkens aan het WK herinnerd. Vroeger kwam vader kijken naar het voetbal en zorgde moeder voor het eten. Als je mijn moeder vraagt wat buitenspel is, weet ze dat niet. Ze is 86. En als we dan de WK-finale verliezen, denkt ze dat het niet goed is voor mij. Dan is ze ongerust.”

Van hem hoeft ze dat niet te zijn.

CV Bert van Marwijk

Geboren: 19 mei 1952, Deventer

Burgerlijke staat: getrouwd

Kinderen: twee dochters, van wie de oudste getrouwd is met international Mark van Bommel

Carrière: 1969-1975 Speler van Go Ahead Eagles, speelt in deze periode 1 interland; 1975-1987 Prof bij AZ, MVV, Fortuna Sittard en FC Assent (België); 1997-2008 Trainer in het betaald voetbal bij Fortuna Sittard, Feyenoord (winnaar Europa Cup in 2002), Borussia Dortmund; Sinds 2008 bondscoach van het Nederlands elftal

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234