Donderdag 01/10/2020

Ik heb mijn populariteit nooit goed begrepen

Uit een middagdutje hoor je zacht te ontwaken. Er is tijd en concentratie nodig om weer veilig rechtop te geraken. Meer dan bij het ochtendwaken: de wereld is al volop aan het draaien. En dus is het met pijn in het hart dat we Jan Decleir bruusk laten wekken uit zijn siësta. Maar goed, twee uur was afgesproken. In de repetitieruimtes van het Antwerpse Theater Zuidpool, waar hij met Koen De Sutter repeteert. Ik zie van ver vredig de grijze haardos liggen, heb nog even de neiging om aan de medewerkster ‘ssjjjt’ te sissen, maar die galmt al opgewekt dat “er iemand voor je is, Jan”.Ik baal in zijn plaats. Ga stil aan de lange tafel zitten, wil hem alle tijd geven. Maar hij is er al snel, excuseert zich mompelend voor zijn siësta, gaat zitten, zwijgt, steekt een sigaret op, zwijgt, inhaleert, blijft zwijgen. Ik ook. We wachten, de stilte geneert niet. Bij elke trek stellen de ogen zich iets scherper. “Ik zal straffe koffie zetten”, knipoogt de medewerkster moederlijk. “Geweldig”, zegt Jan Decleir.Hij heeft een blauwe kiel aan, en klompen. Groot en robuust is hij. Niet minder dan als acteur. Onze allerbeste, vindt men. De autoriteit, de referentie. Een gigant die er, tegen zijn wil, nogal wat in de schaduw heeft gezet. Dierbaren ook. Zijn kinderen bijvoorbeeld, Sofie, Jenne en nu ook Flor Decleir: knokken is het om van hun ‘kind van’-stempel af te raken. Zelfs zijn zus, Reinhilde, die schitterde als Moe in de Eénserie Van vlees en bloed. “Eindelijk uit de schaduw van haar broer”, werd gejuicht. Jan Decleir ziet ze allemaal graag. Hij vervloekt hem weleens, die schaduw van hem.Als Decleir praat, kijkt hij strak voor zich uit. Alleen als hij lacht, maakt hij even oogcontact. Hij spreekt in gebeeldhouwde zinnen, zijn frasering is kalm en toch dwingend. Zorgvuldig, en zoekend tegelijk. Hij is kwistig met de witregels. Mooie zijn het. Jammer dat ze zich niet laten schrijven. Zonder zijn het zijn zinnen niet, toch niet helemaal. De koffie is er, de tweede sigaret is opgestoken, hij pijnigt zijn hersenen al. Want hoe lang was het alweer geleden dat hij op de planken stond? “Dat was sinds de Mozartopera Die Entführung aus dem Serail, in een regie van Ramsey Nasr. Drie jaar geleden intussen, denk ik. Dat is niet zo lang, nee. Maar die opera tellen velen misschien niet mee.”

U bent hoe dan ook al enige tijd zuiniger met theater- dan met filmproducties. Nochtans hebt u theater altijd uw grote liefde genoemd. De échte kunstvorm, ook, the real thing.

“Dat is zo. Ik ben er zo gek op dat ik bang ben om het te verknoeien, het te ‘bevuilen’ met slechte ervaringen. Ik vind moeilijk aansluiting bij een groep, ik zie niet meteen een collectief waar ik me goed zou voelen. De laatste keren dat ik het deed, vielen wat tegen. De opera-ervaring was niet zo fijn. Al wil ik Ramsey niet afvallen, hij is een leuke man. Maar ik aardde er niet, het klikte niet. Ik houd van theater dat puur is.”

Niets in de handen, niets in de mouwen.

“Precies. What you see, is what you get, zoals dat ook in deze voorstelling van Onder het Melkwoud zal zijn. De acteur is het centrum, de motor voor de verbeelding van het publiek. ‘De tekst moet aan de lippen van de acteur geboren worden’, zei mijn grote leermeester Herman Teirlinck. In zijn ogen is de acteur een volwaardige kunstenaar. Vandaag worden acteurs meer en meer gedegradeerd tot uitvoerders. Tot pionnen van de theatermakers die alles naar zich toe hebben getrokken. Te veel concept, te veel maniërisme, te veel trucs. Ik houd van theater dat het publiek voor zeer volwassen neemt, dat het uitnodigt als volwaardige participant. Nu is het te veel voorgekauwd naar mijn goesting. Te hapklaar. Ach, dat mag wel hoor, het kan mooi zijn. Maar ik vind er mijn draai niet in.”

Film is al helemaal voorgekauwd.

“Klopt, maar dat is net het kunstzinnige aan film: dat het zo fake is. Eén poppenkast van bedrog. Mensen die je nooit op een set ontmoet, maken uiteindelijk de film. Die grote leugen die film is, vind ik fantastisch. Maar dat is wat film is. Laat theater van die leugen afblijven, daar past het niet. De techniek mag de vertolkingen daar niet vervormen. Theater moet in één adem gebeuren.”

Theater is en blijft uw eerste liefde?

“Ik denk het wel. Of nee, neem maar schilderkunst. Dat was letterlijk mijn eerste lief: voor ik naar Studio Herman Teirlinck trok, liep ik school in de Academie voor Schone Kunsten. Schilderen, dat is mijn eerste, grote liefde. Die ik evenwel meteen bedrogen heb. (lacht)”

Daar zat uw oudere broer voor iets tussen. Hij was acteur, u wou zijn voorbeeld volgen.

“Ik heb acteren nooit ervaren als een roeping, nee. Ik voelde me goed in de omgeving van mijn broer, ik zag hem heel graag. En dus volgde ik hem. ‘Ik blijf veilig bij hem in de buurt’, dacht ik. Een beetje laf misschien. Ik was nogal bang en verlegen.”

Hij stierf toen hij 32 was. Een auto-ongeval. Wat veranderde dat voor u?

“Dat was een immense klap. Ik moest ‘alleen’ verder. Ik moest het nu zelf uitzoeken, mezelf verplichten om verder te kijken dan de weg die mijn broer al uitgestippeld had. We hadden net nogal wat plannen om dingen samen te doen. Daar speelde Hugo Claus ook een rol in, die toen net zijn gigolobestaan ging aanvatten in Parijs met Sylvia Kristel. Hij zou om de twee weken een soort nieuwsbulletin schrijven, geënt op de reële actualiteit. En Dirk en ik zouden dat spelen. Toen Dirk wegviel, hebben we het idee laten varen. We wilden hem niet vervangen. Dat deden we beter niet, had ik ondervonden. Toen hij stierf, liep er nog een voorstelling in Gent waarin hij speelde. Om het voortbestaan van de groep te garanderen, had ik mijn broer vervangen. Maar dat had ik niet mogen doen. Ik leek op hem, mijn stem ook. Er werd ontzettend klef en sentimenteel op gereageerd. Zout in de wonde voor mij. Doe ik nooit meer. Mensen die er niet meer zijn, die moet je met rust laten.”

Uw zoon Jenne zei in deze krant: ‘Als ik tegen mijn tachtigste iets verwezenlijkt wil hebben, dan dat mijn kinderen trots kunnen zijn op hun vader. Zoals ik ook trots ben op die van mij.’ Wat een compliment.

“Nou, kijk eens aan. Dan heb ik het toch niet zo slecht gedaan. Maar is dat ook mijn streven geweest? Ik denk het niet. Dat was nooit echt een drijfveer. Maar ik vind het wel zeer vleiend. En lief. Ach, wat zit ik hier te hakkelen en te stotteren? In plaats van meteen volmondig toe te geven dat ik het geweldig vind dat hij zoiets zegt.”

Kunt u zeggen wat uw drijfveer dan wel was? Waarom u doet wat u doet?

“Vooral nieuwsgierigheid. Met teksten bezig zijn. Voorstellingen maken. Benieuwd wat we ervan kunnen maken. Wat kan ontstaan uit samenwerking. Ik heb daar telkens vreugde in kunnen scheppen. Nooit iets moeten doen waarin ik geen zin had, dat lijkt me al heel wat. Ze zijn goed bezig, die kinderen van mij. Ik hoop dat zij hetzelfde plezier voelen.”

U hebt uw kinderen blijkbaar diep geïnspireerd: alle drie stappen ze in uw voetsporen. Uw jongste zoon Flor is straks te zien in de vtm-telenovelle David.

“Hij is even aan het aftasten, denk ik. Zien wat het zal geven. Ik heb wel eens gedroomd dat ze iets anders zouden doen. Zeker van Flor had ik dat gedacht. Schrijven, dacht ik even. Als kind verslond hij boeken. Maar het ziet ernaar uit dat het weer van hetzelfde laken een pak wordt.”

Dat klinkt weinig enthousiast.

“Nee, toch wel. Maar ik maak me wel eens zorgen. Het kan best wel een hard bestaan zijn, dat van een acteur. Al blijft het in het licht van de wereldellende een luxeleven. Maar toch, ik ben er niet altijd gerust in. Nu goed, ik zou van mijn kinderen sowieso kasplantjes gemaakt hebben. Uit angst dat deze grote, boze wereld aan de haal zou gaan met mijn lievelingen. Gelukkig hebben ze goede, lieve en intelligente moeders die me daarin gecorrigeerd hebben.”

U hebt zelf zogoed als altijd de luxe gehad om selectief te kunnen zijn. Om alleen mooie projecten aan te nemen. Puur dankzij uw talent?

“Goh, talent, wat is dat? Hugo Claus vroeg zich af of dat geen klein gezwel was. Ik heb vooral veel geluk gehad. Ik was op het juiste moment op de juiste plaats met de juiste mensen. Al bij mijn eerste film, Mira, heb ik Hugo Claus ontmoet. En via hem Pjeroo Roobjee. En zo werd het netwerk almaar groter. Was ik Hugo toen niet tegengekomen, dan was het helemaal anders gelopen. Dat is geluk: wijze en gedreven mensen kennen met wie je creatief bent. Die je beter maken, je boven jezelf uittillen.”

Met talent heeft het niks te maken?

“Misschien wel. Maar je moet er natuurlijk wel iets mee doen, hé, met dat talent. Anders stelt het niks voor. Doe je er iets mee, en blijf je het aanscherpen, dan heb je een grote kans om geluk te ervaren. De meeste schrijvers die ik ken, zijn schrijvende het gelukkigst. Die moeten honger krijgen om van de schrijftafel weg te geraken.”

Hebt u zelf nooit zin gehad om te schrijven?

“Mensen hebben al geprobeerd om me iets te laten doen in die richting. Maar er is te veel goeds, wat me verlamt. Voor de gelegenheid, om iemand in de bloemetjes te zetten, dan kan ik wel iets verzinnen wat niet onaardig is. Maar ik ben geen schrijver. Ik heb een basis nodig.”

U hebt een moule nodig om te kunnen invullen?

“Precies. Een voorzet van een bij voorkeur geniaal iemand, om mee aan de slag te kunnen. Het wordt dan uiteindelijk wel mijn eigen ding. Maar dat blijft hoe dan ook een heel andere manier van werken.”Zijn dochter Sofie, vast compagnielid van Theater Zuidpool, komt binnen. Ze geeft haar vader een zoen, smeert een boterham, en wil naar de repetitieruimte vertrekken. “Heeft iemand daar nog een sigaretje voor mij, denk je?”, vraagt Jan. “Ik vermoed van wel”, glimlacht zijn dochter. “Zo terug”, belooft hij me. “Ik vind ze zo mooi”, zegt hij, wanneer hij even later de eerste van de drie geleende sigaretten opsteekt. “Ze is kwaad op me omdat ze mijn benen heeft, nogal stevige dus. Maar ik vind ze zo mooi.” Hij glimlacht. “Waar waren we?”

Bij de moule.

“Juist. Bij de noodzaak ervan. En hoezeer ik goede schrijvers bewonder. En er zelf geen ben.”

Ook nooit willen regisseren?

“Ik heb dat voor studenten wel gedaan. Ik vond dat heel aangenaam en verrijkend, maar opnieuw: anderen kunnen dat beter.”

Hoe kijkt u terug op uw periode als artistiek leider van Studio Herman Teirlinck?

“Dat is een beetje mislukt, natuurlijk. Ik ben er nochtans arrogant aan begonnen: ik zal dat katje wel even geselen. Maar dat ging veel moeizamer dan gedacht. Aanvankelijk stak vooral de politiek stokken in de wielen. De toenmalige minister van Onderwijs Luc Van den Bossche, die het hele onderwijs zo nodig moest hervormen, Europa dat zich opdrong. En dan het kunstmatig gecreëerde gevecht tussen het Conservatorium en Studio Herman Teirlinck, waarbij men uiteindelijk voor de goedkoopste heeft gekozen. Ik heb nog gevochten voor Studio, ben nog geld gaan zoeken. Maar toen was ik pas echt met dingen bezig waar ik niet goed in was. Ik heb het betreurd, de mislukking. Echt wel.”

Kijkt u anders terug op uw functie als lesgever?

“Daar heb ik betere herinneringen aan. Al gebeurde ook dat met vallen en opstaan. Ik vond het ook zo moeilijk om mensen te evalueren. Zeker als nieuwe regels je in structuren dwingen, waardoor je leerlingen moet beoordelen op momenten dat je dat eigenlijk nog niet kunt. Je gaat van die mensen houden en dan moet je zeggen: ‘Nee, met jou gaan we niet verder.’ Vreselijk. Blij dat ik daar van af ben.”

Kun je het wel leren, acteur zijn?

“Je kunt leren een betere acteur te worden, in elk geval. Ze zijn natuurlijk nog heel jong, als ze aankomen in de toneelschool. Net uit het nest gevallen. Maar de professionalisering van theater is hoe dan ook nodig geweest. Teirlinck vond terecht dat theater te veel verankerd zat in liefhebberij. Men was er te weinig op een intellectueel niveau mee bezig. In die zin was de komst van toneelscholen, ook als symbool, van fundamenteel belang. Maar je kunt het natuurlijk ook in je eentje leren. Je kunt zelf een weg zoeken. Lees veel, kijk veel, luister veel: daar komt het uiteindelijk op neer.”

Vindt u zichzelf een goed acteur?

“Ik kan dat van mezelf moeilijk inschatten.”

Hebt u er een probleem mee om uzelf bezig te zien?

“Ik ben te oud om me daarin nog aan te stellen. Al zijn er wel dingen die me storen, als ik mezelf nu bezig zie. Ik ben te zwaar. Ik zou er iets aan moeten doen.”

Bent u ijdel?

“Nee. Het zou gewoon handiger zijn, en leuker, mocht ik iets lichter zijn.”

Om dit vak te doen hoef je geen ijdele mens te zijn?

“Ik denk het niet. Integendeel, ijdelheid kan in de weg zitten. Natuurlijk lijkt het gegeven dat te veronderstellen. Als acteur moet je jezelf aan een publiek laten zien, je niet wegstoppen. Maar dat is het spel, dat is geen ijdelheid. IJdelheid kan het spel net belemmeren. Je beperkt jezelf als je mooi wilt zijn. Ik herken ze meteen: ijdele acteurs zijn niet leuk om naar te kijken. Ze laten dingen meespelen die er niet toe doen.”

U hebt veel erkenning gekregen, heel veel lof. Hoe goed doet dat?

“Het opent wel deuren, maar op zich is het niet interessant genoeg om mee voort te kunnen. Kritiek is interessanter, al mag je ook daar niet te lang bij stil staan. Maar lof is natuurlijk wel aangenaam. Applaus in ontvangst nemen is een mooi ritueel dat bij de voorstelling hoort. Maar daarna is het ook gedaan. Een pintje drinken, en op naar de volgende.”

Uw reputatie in eigen land is onverwoestbaar. Ook bij de jonge garde. Voor het eerst sinds mensenheugenis werd u bij de laatste Humo’s Pop Poll de Luxe niet uitgeroepen tot Beste Acteur Nationaal. U moest Matthias Schoenaerts laten voorgaan.

“Ik heb die populariteit nooit goed begrepen. Maar goed, wat zegt zo’n verkiezing? Ik ken zoveel goede acteurs. Ik heb ooit eens een prijs gekregen voor een rol in een feuilleton waarin ik in de eerste aflevering stierf. Terwijl Nand Buyl de hele serie lang schitterde. Ik vond dat gênant, dat klopte niet. Waarop is dat gebaseerd?”

Een internationale carrière lijkt u bewust te hebben afgehouden. U hebt enkele Hollywoodrollen geweigerd.

“Ja. Maar alleen omdat ik op dat moment met andere dingen bezig was. Omdat ik dan niet, zoals mijn Nederlandse vriendinnetjes, alles in de steek wil laten om een casting te doen in LA. Doe je iets, dan gaat er altijd iets anders niet door. En ja, het prikkelde mijn nieuwsgierigheid toen Stanley Kubrick mij vroeg. En toen ze me polsten voor de slechterik in James Bond. Ik had dat circus eens willen meemaken. Maar ik zou wel gek geweest zijn. Anderhalf jaar was ik al bezig aan de koningsdrama’s, met Tom Lanoye en Luk Perceval, ik kon er toch niet zomaar uitstappen? Alleen al uit nieuwsgierigheid wou ik de rit uitzitten, om te zien waartoe het werk had geleid.”

U vindt het dus best wel jammer.

“Zeker, het is een gemiste kans. Maar: ik heb hier zulke mooie dingen gedaan, wat had ik daar beter kunnen doen? Ze hebben er zoveel fantastische acteurs. Nee, het knaagt niet meer, ik kijk zelden achterom.”

Bent u bang om ouder te worden?

“Dat is al lang gebeurd. En nee, ik ben daar weinig mee bezig. Een beetje jonger, zou fijn zijn. De kwaaltjes zijn niet plezierig. Maar de capriolen die ik uithaalde toen ik jong was, moet ik noodgedwongen achterwege laten en dat is ook wel een voordeel. Wat ik doe, wordt eenvoudiger. Ik hoef geen bokkensprongen meer te maken om iets op te roepen. Ik heb lang mijn kost verdiend door verhalen van Dario Fo te vertellen. Dat was topsport. Dat grote, plastische werk lukt niet meer. Nu moet ik de verbeelding oproepen met eenvoudigere dingen. En dat geeft best een goed en gerust gevoel. Voor mij toch. Misschien vraag het publiek straks wel: Jan, mag het iets meer zijn? (lacht) Maar goed, voor de rest is het geen feest, ouder worden. Je loopt naar het einde. En de dood vind ik nog altijd een vies, vuil kalf. Ik leef graag.”

Bent u een vrolijk mens?

“Ik denk het wel. Ik ben onwaarschijnlijk graag in gezelschap. Dat geroezemoes, dat gestoei onder elkaar. Ik houd ervan, ik kan er rustig tussen zitten. Het duurt even voor ik participeer, als ik dat al doe. Maar ik ben er wel altijd graag bij.”

U bent geen gangmaker.

“Zeker niet. Nooit geweest. Ik voel ook wel dat mijn vrolijkheid in golven gaat. Een trekje van mijn moeder, wellicht, van wie ik heel veel hield. Zij was manisch-depressief, denk ik, achteraf gezien. Ze was niet echt een gelukkige vrouw. Die golfbeweging zit ook in mij. Als ik me voel wegglijden, zoek ik mensen op en kom ik er wel overheen. Somberte is mij niet vreemd, maar ik wentel mij er nooit in. Nogmaals: ik zoek mensen op, ga graag naar waar het gebeurt.”

Het BV-schap valt u dus niet al te zwaar.

“Dat heeft zijn minder fijne kanten. Maar dat valt mee. Het is zo’n klein land, en in Wallonië kennen ze me al niet meer.”

Dat uw huidige vrouw een generatie jonger is, daar is hier en daar met opgetrokken wenkbrauwen over bericht. Raakt u dat?

“Nee. Dat is me zelfs volledig ontgaan. Ik weet waarom de dingen gelopen zijn zoals ze gelopen zijn, en dat is voldoende. Dat is privé. Alsof die leeftijd iets met de keuze te maken heeft.”

Houdt een jongere levenspartner je jong?

“Toch wel. Alleen al omdat ik vaak tussen jonge mensen zit, dat vind ik leuk. Al houd ik er ook van om me met oude rakkers te omringen. Als ze maar niet te veel zagen over hun prostaat.”

U bent geboren op de hoogdag van de liefde: op Valentijnsdag, in een tijd toen dat nog niet gevierd werd, wellicht. Hoe hoog schat u de liefde in?

“Ontzettend hoog. Liefde is dé motor. Altijd en overal. De geschiedenis op zich is een aaneenschakeling van liefdesverhalen. Trouwens, Shakespeare verwees al naar de feestdag der geliefden op 14 februari, het wordt al heel lang gevierd. Ik ben er altijd fier op geweest, een mooie dag om geboren te worden.”

U hebt in de liefde nogal wat schijnbewegingen gemaakt. Gelooft u nog dat de ware bestaat en dat u die gevonden hebt?

“Ja, dat doe ik zeker. Al blijft het spannend. Je weet nooit. Hout vasthouden, maar ik zou het wel graag helemaal tot het einde uitzingen zoals het nu gaat.”

Hebt u na Onder het Melkwoud eigenlijk al iets op stapel staan?

“Er is iets hangende. Om in de Verenigde Staten iets te doen met een Vlaamse maatschappij, maar dat is nog niet helemaal duidelijk. In de filmwereld ben je pas zeker als je de camera hoort rollen. En dan nog.”

De voorstellen blijven maar komen. Nooit schrik dat het ophoudt?

“Zeker wel. Hoe vaak ik me dit al niet heb afgevraagd: ‘Zou het dan nu ophouden?’ Intussen ben ik daar al rustiger in. Stopt het, dan ga ik meer schilderen. Met mijn vriend Fred Bervoets. Helaas kan ik daar alleen niet van leven. Maar goed, dan zou ik wel iets kleinschaligs opzetten en met teksten aan de haal gaan. Zoiets.”

Bent u gelukkig?

“Ik ben een tevreden mens. Ik vind niet dat ik het recht heb om te klagen. En de nieuwe minister van Cultuur zal daar niks aan veranderen. (lacht) Geluk, dat is in beweging zijn. Je nog voldoende kunnen verwonderen. De zin van het leven heb ik wel nooit gevonden. Omdat die er niet is, daar ben ik van overtuigd. Maar dat kan de pret niet drukken. Integendeel, ik vind het geruststellend dat het allemaal niet tot iets hoeft te leiden. Cees Nooteboom had Hugo Claus gevraagd te komen spoken. Dat heeft hij nog niet gedaan. Ik denk dat hij ons al lang vergeten is. Dat hij iets anders heeft gevonden. Iets veel leukers.”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234