Dinsdag 16/07/2019

Huis van Hiele Dalilla Hermans

‘Ik heb het stilaan gehad met Antwerpen’

Dalilla Hermans: ‘Het is veel moeilijker om tot progressieven door te dringen dan om racisten op andere gedachten te brengen.’ Beeld Bob Van Mol

Ze moest een derde boek ­schrijven om zich een echte schrijfster te durven noemen. En een Zwarte Zondag meemaken om echt boos te durven zijn. Dalilla Hermans (33): ‘Dries Van Langenhove, de ideale schoonzoon? Vreemde omschrijving voor een potentiële terrorist.’

“Ik zie het al: je gaat zoveel drank laten aanrukken dat ik straks niet meer in staat ben om de woorden ‘off the record’ uit te spreken.” (lacht)

Dalilla Hermans is in een jolig humeurtje wanneer we op de ontluikende zomeravond klinken. De eigenaar van de bed & breakfast waar ze logeert – een verkavelingsfermette die nogal voluntaristisch Beachhouse werd gedoopt – heeft haar een vakantiegevoel aangepraat, zo blijkt. “Hij stond erop om alle toeristische blikvangers van Koksijde voor me op te sommen. Daardoor gleed ik meteen in een heerlijk lome kuststemming. Ik kan me niet voorstellen dat de mensen die hier wonen ooit stress ervaren. Als ze zich gespannen voelen, gaan ze toch gewoon op het strand staan? Dan blaast de wind toch onmiddellijk al hun zorgen weg? Nee? Oké, misschien romantiseer ik het. Maar dan nog maak ik het mezelf graag wijs.” (lacht)

BIO 

• geboren in Rwanda, in 1986 • geadopteerd door Vlaamse ouders toen ze 2 was • groeide op in Weelde en Turnhout • auteur van Brief aan Cooper en de Wereld (2017), Brown Girl Magic (2018) en Black-out (2019) • columniste voor De Standaard en Charlie Magazine • getrouwd met rapper en producer Willem Blontrock • mama van Cooper Kizito (6), Malane Imana (4) en Noëlle Isimbi (2) • woont in Berchem

Zelf woont ze al veertien jaar in het Berchemse segment van Antwerpen. Al blijft er van de ooit tabloidwaardige liefdesrelatie tussen haar en ’t Stad niet veel meer over.

“Ik heb het stilaan wel gehad met Antwerpen. Je raakt er niet meer binnen of buiten zonder in de file te staan, de luchtkwaliteit is er erbarmelijk, je kunt er je kinderen niet laten fietsen zonder voor hun leven te moeten vrezen... Het wordt echt een opgave om alles wat er mis is met Antwerpen nog door de vingers te zien.

“Wat ook niet helpt, is dat ik er recent achter ben gekomen dat er in mij nog altijd een kind van de Kempen schuilt. Ik ben opgegroeid in Weelde, waar ik hele zomers buiten kon spelen en mij te midden van weldadige hoeveelheden groen aan het gezag van mijn ouders kon onttrekken. Nu ik zelf kinderen heb, zou ik hen eigenlijk ook zulke zorgeloze zomers willen geven.” Als daar maar geen verhuis naar Zoerle-Parwijs of Onze-Lieve-Vrouw-Olen van komt, denk ik terwijl ik haar ogen anticiperend zie fonkelen.

Dalilla Hermans werd bekend toen ze vijf jaar geleden Ik ben het beu om te doen alsof het allemaal wel meevalt schreef: een open brief waarin ze getuigde over de hartverlammende vormen van racisme waarmee ze als adolescent te maken had. Nadat haar brief in zowat alle redactielokalen van Vlaanderen geprezen was, werd zowel op haar schrijftalent als op haar zwierige verschijning gretig een beroep gedaan: ze mocht het nog vaker dan Rik Torfs gaan uitleggen in praatprogramma’s, schreef met de regelmaat van een metronoom opiniestukken, zetelde negen afleveringen lang in De slimste mens ter wereld en componeerde tussen alle mediabedrijven door drie boeken: Brief aan Cooper en de wereld (2017) – een in literatuur gegoten brief aan haar toen driejarige zoon –, Brown Girl Magic (2018) – een kinderboek ‘door, over en voor bruine meisjes’ - en Black-out (2019), een thriller over een zwarte activiste die vermoord wordt door een losgeslagen internettrol.

Haar levensbeschouwelijke guerrilla tegen racisme is in al haar boeken een recidiverend thema. Maar wanneer ik haar schrijven activistisch noem, protesteert ze. “In mijn columns voor De Standaard en Charlie Magazine kruip ik af en toe op de barricaden. Maar in mijn boeken schrijf ik gewoon over mijn leven. Aangezien ik een zwarte vrouw ben, heb ik het vaak over onderwerpen als identiteit, onrecht en gender. Maar dat komt omdat die thema’s in mijn leven heel aanwezig zijn, niet omdat ik van mijn boeken activistische pamfletten maak. Ik zou het woord ‘activiste’ trouwens nooit durven claimen. Samira Attilah (ex-jeudwerker en mensenrechtenverdediger, red.), dát is een activiste. Zij is fulltime bezig met het bestrijden van onrecht. Ik ben een schrijfster. Nu ik met Black-out 240 pagina’s fictie heb geschreven, mag ik dat van mezelf zeggen.” (lacht)

Dalilla Hermans: ‘De school van mijn zoon is zó divers dat witte kinderen er soms de kneusjes zijn. Het nieuwe pesten is: elkaar wit noemen.’ Beeld Bob Van Mol

Een fragment uit een van haar columns in De Standaard: ‘Ons gezin ondervindt de gevolgen van de verkiezingen aan den lijve. Buurtgenoten die vroeger argwanend onze richting uitkeken, maar beleefd bleven, voelen zich gesterkt door de winst van extreemrechts en uiten hun negatieve gevoelens sneller.’ Ik vraag of ze die observatie wat concreter wil maken.

“Cooper, mijn zoon, vindt het leuk om mensen op straat aan te spreken. Vroeger deden de wijkbewoners die ons niet zo graag zien uit beleefdheid nog een beetje met hem mee. Vandaag negeren ze hem met de neus in de lucht. En zo zijn er nog meer kleine veranderingen. Wij wonen vlak bij een Vlaams-nationalistisch café. Als ik vóór de verkiezingen lang het terras van die kroeg liep, werden de cafégangers altijd stil. Nu beginnen ze luider te praten, zodat ik zeker hoor wat ze te zeggen hebben. (lacht) Er heerst in xenofobe middens duidelijk een ‘nu kan je ons niks meer maken’-sfeertje.”

Nog niet zo lang geleden zou ze die laatste zin wellicht niet uitgesproken hebben. Jarenlang deed ze zich bedeesder voor dan ze was uit schrik om gereduceerd te worden tot het archetype van ‘de boze zwarte vrouw’. Slikte ze tijdens interviews grote brokken verontwaardiging door om toch maar breed glimlachend op de foto te kunnen staan. Maar vandaag zégt ze het als haar nekharen overeind staan. En ze geniet er nog van ook.

“Olivia Rutazibwa, docent aan de universiteit van Portsmouth en een verre nicht van mij, zei me onlangs: ‘Stop nu toch eens met te doen alsof jij nooit het slachtoffer van racisme bent geworden, want dat ben je wél. Zeg gewoon je gedacht in plaats van je koleire te camoufleren.’ Ik heb haar advies opgevolgd: sinds de verkiezingen stuur ik mijn boosheid ongefilterd de wereld in. Dat is niet alleen leuk, het is ook enorm bevrijdend.” (lacht)

Op wie is je post-electorale kwaadheid precies gericht?

“In ieder geval niet op de mensen die op Vlaams Belang gestemd hebben. Een deel van hen heeft het niet breed. Ik kan begrijpen waarom het anti-migrantenverhaal van extreemrechts hen aanspreekt. Ik ben ook niet boos op Tom Van Grieken en Dries Van Langenhove. Die hebben hun rol in politiek opzicht perfect gespeeld. Ik ben vooral kwaad op de traditionele partijen die de verrijzenis van extreemrechts hadden kunnen zien aankomen. En die verzuimd hebben om potentiële Vlaams-Belangstemmers een waardig alternatief aan te bieden. Alleen de PVDA had voor die mensen een verhaal. Maar de communistische strijd tegen de grootverdieners spreekt minder tot de verbeelding dan die van extreemrechts tegen ‘de vreemdelingen’.”

Dalilla Hermans: ‘Ik heb het stilaan wel gehad met Antwerpen. Het wordt echt een opgave om alles wat er mis is met de stad nog door de vingers te zien.’ Beeld Bob Van Mol

In interviews heb je je al een paar keer opgewonden over de rol die de media volgens jou hebben gespeeld in de verrijzenis van extreemrechts. In jouw ogen is de overwinning van het Vlaams Belang mee mogelijk gemaakt door alle journalisten die Van Grieken en Van Langenhove een forum hebben gegeven. Maar waarom zouden journalisten in godsnaam niet met extreemrechtse politici mogen praten?

“Dat mogen ze wél. Dat móéten ze zelfs. Maar dan wel graag op een kritische manier. In de Pano-reportage op Eén zei Dries Van Langenhove: ‘De dag van het geweld komt eraan’. Hij riep zelfs op tot het vormen van privémilities. Hoe kan je een interview met Van Langenhove dan níét starten met de vraag: ‘Dries, de dag van het geweld, wat bedoel je daar precies mee? Waarom moeten we volgens jou allemaal wapens gaan kopen?’ Mocht ik hem interviewen, ik zou hem die vragen blijven stellen tot hij ze beantwoordt. Het probleem is niet dat de media met iemand als Dries Van Langenhove praten, het probleem is dat ze hem vrij spel geven. Alleen al het feit dat hij zo vaak ‘de ideale schoonzoon’ wordt genoemd. Het spijt me, maar míjn ideale schoonzoon is geen potentiële terrorist. De media onderschatten hoe gevaarlijk een figuur als Van Langenhove is. Ze zien hem als het ontspoorde neefje dat nog wel tot inkeer zal komen. Maar ze vergissen zich.”

Je noemt de N-VA de ‘tweelingzus’ van Vlaams Belang. Je gelooft niet in de opdeling van rechts in fatsoenlijk rechts en extreemrechts?

“Nee. In mijn wereld is racisme een dealbreker. En de N-VA bezondigt zich minstens aan strategisch racisme: als ze met het ventileren van racistische opinies kiezers kunnen paaien en bijgevolg meer macht kunnen vergaren, dan dóén ze dat gewoon. Er is niks fatsoenlijks aan een partij waarvan de top xenofobe beleidsvoorstellen doet en allerlei mensenrechten in vraag stelt.”

Begrijp je waarom Assita Kanko op een N-VA-lijst is gaan staan?

“Als ik haar overstap door een opportunistische bril bekijk wel: wie dingen wil veranderen, moet zijn waar de macht is. Maar dan nog snap ik niet hoe je als zwarte vrouw lid kunt worden van een partij die de haat ten opzichte van mensen met buitenlandse roots aanwakkert. Het is niet omdat de N-VA de zwarte gemeenschap voorlopig met rust laat dat je je als zwarte niet moet verzetten tegen hun gedachtegoed. Wanneer Theo Francken de Marokkaanse migranten ‘kut-Marokkanen zonder economische meerwaarde’ noemt, dan is dat racisme, punt. En racisme is altijd verwerpelijk, welke gemeenschap er ook geviseerd wordt.”

In 2014 stond je op de Groen-lijst voor de federale verkiezingen. Overweeg je om je in de toekomst opnieuw verkiesbaar te stellen?

“Nee. Ik heb respect voor politici, maar ik heb het moeilijk met partijpolitiek. In Antwerpen koos Groen tijdens de gemeenteraadsverkiezingen van vorig jaar voor Wouter Van Besien als kopman. Dat vond ik onbegrijpelijk. Antwerpen is een stad waarin 65% van de min-25-jarigen allochtone roots heeft. Waarin gesméékt wordt om meer vrouwen en jongeren in de politiek. En dan kies je een kleurloze, heteroseksuele man van middelbare leeftijd als lijsttrekker? Terwijl er in je eigen partij genoeg charismatische jonge mensen rondlopen die Antwerpen anno 2019 véél beter zouden besturen? Wow. Hoe hard ik ook geloof in sommige individuen bij Groen, ik vrees dat de top van de partij niet goed inschat waar de maatschappij vandaag staat.”

Je richt je pijlen de laatste tijd opvallend vaak op het progressieve gedeelte van Vlaanderen. Ben je zeker dat je je niet van tegenstander vergist?

“Als je iets in beweging wilt krijgen, moet je je richten tot de mensen die macht en invloed hebben. En wie zijn dat in Vlaanderen? Niet de racisten die elke maand hun spaargeld zien slinken en al om negen uur ‘s morgens op café zitten om hun frustraties weg te drinken. Wel de hoogopgeleide ‘ik ben o zo open-minded want ik pleit voor meer diversiteit’-mensen. In die zin is het volstrekt logisch dat ik me tot hen richt.”

Wat verwijt je de ‘gutmenschen’ eigenlijk?

“Dat ze hun daden niet doen sporen met hun woorden. Je mag als hoofdredacteur van een krant nog honderd opiniestukken schrijven over het belang van diversiteit in onze bedrijven, als je eigen redactie 100 procent wit is, ben je níét goed bezig. Dan blíjf je maar in cirkels draaien. Alleen krijg je zo’n hoofdredacteur daar nauwelijks van overtuigd. Het is veel moeilijker om tot progressieven door te dringen dan om racisten op andere gedachten te brengen. Ik ben al dikwijls in gesprek gegaan met mensen die mij tijdens een van mijn lezingen toesnauwden: ‘Gij moet uw bakkes houden, neger’. Heel vaak eindigde zo’n gesprek met welgemeende excuses en een vorm van wederzijds begrip. Maar progressieven aan het verstand brengen dat ze hun privileges misschien toch niet op de juiste manier gebruiken: ho maar. Je kunt net zo goed aan een Anderlecht-supporter vragen om voortaan voor Club Brugge te juichen.”

Gastheer Willem Hiele haalt zijn allereerste brood uit zijn nieuwe oven. Beeld Bob Van Mol

Ooit heette Dalilla Hermans niet Dalilla maar Isimbi. En woonde ze niet in Berchem, maar in de Rwandese hoofdstad Kigali, waar ze opgroeide in het gezelschap van haar biologische moeder Agnes en haar oudere zus Sauda. Toen ze twee was, werd in haar hometown begonnen aan de prelude van wat later zou uitmonden in de Rwandese genocide: de vijandelijkheden tussen Hutu’s en Tutsi’s namen toe, er vielen op vrijwel dagelijkse basis slachtoffers. Agnes, een ongehuwde vrouw uit een welstellende Tutsi-familie, besefte dat ook zij en haar dochters vroeg of laat op de hitlist van de Hutu’s zouden belanden. Ze gaf Isimbi en Sauda min of meer Europees klinkende namen – Dalilla en Diana – en stuurde hen in het gezelschap van een geestelijke naar Belgische adoptie-ouders. Een jaar later kon ze zelf naar Parijs vluchten. Ik vraag Dalilla Hermans waarom haar biologische moeder haar dochters in Europa nooit is komen claimen.

“Dat heeft ze wél gedaan”, antwoordt ze. “Maar ze zag al snel in dat ze mijn zus en mij niet het leven kon geven dat onze adoptie-ouders ons wel konden schenken. En ze vond onze toekomst belangrijker dan haar moedergevoel.”

Je noemt je biologische moeder ‘Agnes’ en je adoptie-ouders ‘mama en papa’. Ouderschap veronderstelt geen bloedband?

“Nee. Mijn band met Agnes is niet zo onvoorwaardelijk als die met mijn adoptie-ouders. Zij zijn mijn échte ouders. En ik ben zonder de minste twijfel hún kind. Zodra we elkaar zagen, hebben we besloten: ‘Zo, nu gaan wij voor de rest van ons leven van elkaar houden’.” (lacht)

En toch ben je geen hartstochtelijk pleitbezorger van het concept adoptie. Waarom niet?

“Hoeveel ik ook aan mijn adoptie-ouders te danken heb: ik vind dat we het adoptiesysteem te weinig in vraag stellen. Een kind dat geadopteerd wordt, wordt in zekere zin heruitgevonden. Kijk naar mij: ooit was ik Isimbi, de dochter van Agnes en Kizito, en vandaag ben ik Dalilla, de dochter van Lia en Rik. Hoe je het ook draait of keert: dat blíjft vreemd. En dat geldt voor alle adoptiekinderen.”

Misschien wel, maar in ruil voor hun nieuwe namen hebben ze wel een beter leven gekregen.

“Dat zeg jij. Maar dat wéét je niet. Mensen gaan er altijd van uit dat adoptiekinderen dankzij hun adoptie-ouders aan een vreselijk bestaan ontsnapt zijn. Maar dat hoeft echt niet altijd het geval te zijn. Ook een kind dat in een weeshuis opgroeit, kan later op zijn pootjes terechtkomen. (na een stilte) Het lijkt nu alsof ik vind dat adoptie-ouders iets fouts doen. Dat vind ik voor alle duidelijkheid níét. Maar ik vind wel dat er in gesprekken over adoptie te vaak van foutieve veronderstellingen wordt uitgegaan.”

Moeten kinderen die hulp nodig hebben bij voorkeur in eigen land opgevangen worden?

“Niet per se. Het is nog altijd beter om in een hecht buitenlands gezin op te groeien dan in een slecht binnenlands weeshuis. Je zal me adoptie niet integraal horen afkeuren. Maar ik denk wel dat we er wat kritischer over moeten nadenken. Ik heb gezien hoe mijn zus Diana met haar adoptie geworsteld heeft. Zij heeft het ontzettend moeilijk gehad om zich hier te wortelen. Daar is een lang en slopend proces aan voorafgegaan. En dan nog heeft ze België nooit echt als haar thuis beschouwd.”

Hoe komt het dat je zus het moeilijker had om hier te aarden dan jij?

“Omdat zij al twee jaar ouder was toen we naar hier werden gebracht. Ik was twee: te jong om te beseffen wat er allemaal gebeurde. Maar Diana was bijna vijf: voor haar was de scheiding van Agnes een vreselijk ontwrichtende gebeurtenis. Ze heeft zich een tijdlang moeilijk aan mensen kunnen hechten. Ik denk dat ze bang was om haar lot aan dat van andere mensen te verbinden.”

Diana trok na het behalen van haar masterdiploma naar Londen. Ze vond dat ze in Vlaanderen te vaak aan haar huidskleur werd herinnerd.

(knikt) “Als ze ging solliciteren, werd ze vaker wel dan niet voor de kuisvrouw aanzien. Dat degouteerde haar. In Londen liep er een minder rechte lijn tussen haar huidskleur en haar jobkansen.”

Dalilla Hermans: ‘Zwarte Pieten maakten me als kind doodsbang. Ik dacht: ‘Dat zijn Afrikanen die mij komen halen.’ Beeld Bob Van Mol

Wanneer was jij je voor de eerste keer bewust van je huidskleur?

“Tijdens mijn allereerste sinterklaasfeest, toen ik drie jaar was. Ik zag op straat wild gesticulerende Zwarte Pieten voorbijlopen en dacht: ‘Dat zijn Afrikanen die mij komen halen’. Ze maakten mij doodsbang, ik ben in de living achter een kast gekropen. En het strafste van al was: mijn mama was zélf een van die Pieten. Ze kon mij dus niet eens komen troosten. (lacht) Ik herinner mij die dag heel goed: het was de dag waarop ik voor het eerst besefte dat ik anders was.”

Tijdens je adolescentenjaren kwamen er nog meer van die dagen. In je open brief uit 2014 beschrijf je hoe er in cafés soms volledige pinten over je heen gekapt werden. Hoe je geregeld een hondendrol uit de brievenbus van je ouders moest vissen. Hoe je na een avondje stappen omsingeld en beplast werd door een groepje skinheads. Toch heb je aan die ervaringen naar eigen zeggen geen trauma overgehouden. Hoe verklaar je dat?

“Hoe raar het ook klinkt: ik vond het vrij normaal dat ik met racisme geconfronteerd werd. Ik zag het als een vervelend, maar niettemin te verwachten neveneffect van mijn huidskleur. Wat mij geholpen heeft, is dat ik altijd omringd ben geweest door mensen die mij duidelijk maakten: ‘Er is iets mis met de mensen die jou bedreigen, niét met jou’.

(denkt na) “Ik vind het eigenlijk jammer dat dat verhaal over die skinheads nog zo vaak wordt opgerakeld. Wat toen gebeurd is, valt te catalogeren als extreem gedrag van mensen die het ongetwijfeld bijzonder moeilijk hadden met zichzelf. Maar ik heb het in mijn jeugd véél lastiger gehad met alledaagse, subtielere vormen van racisme en discriminatie. Het feit dat ik mezelf in geen enkel tv-programma vertegenwoordigd zag, bijvoorbeeld. De vaststelling dat de leerkrachten van mijn zus haar naar het beroepsonderwijs wilden sturen terwijl ze later zonder problemen in het aso is afgestudeerd. De wetenschap dat zwarte mensen in dit land zo moeilijk aan een job geraken. Dat zijn dingen waarover ik veel meer gepiekerd heb dan over die skinheads.”

Er verschijnt een oranje gloed aan de horizon, we besluiten de demonen uit het verleden samen met de ondergaande zon te laten wegdeemsteren. Bij wijze van gesprekstechnische U-turn herinner ik haar aan een berichtje dat ze na de paasvakantie op haar Instagram-pagina postte: “E-mails might have remained unanswered, but some big questions about life definitely got answered.” Ik vraag welke levenscodes ze dan wel gekraakt heeft.

“Ik heb besloten om mijn werkritme terug te schroeven”, zegt ze. “Ik ben iemand die altijd meer redenen ziet om een opdracht te aanvaarden dan om er een te weigeren. Maar er is een dunne lijn tussen gedrevenheid en masochisme. En dus ga ik mijn professionele agenda in de toekomst beter afstemmen op die van mijn gezin. Ik wil weer wat vaker met mijn man en mijn kinderen kunnen spelen.” (lacht)

Je kinderen (Cooper, Malane en Noëlle) zijn 6, 4 en 2. Hoe wapen je hen tegen al dan niet occasionele uitingen van racisme?

“Door in te grijpen in hun mediaconsumptie. Als mijn kinderen twee films met een witte prinses hebben gezien, zeg ik: ‘Oké, en nu gaan we naar The Princess and The Frog kijken.’ (Disneyfilm met een zwarte prinses, red.) Ik wil dat ze zichzelf tegenkomen op hun schermen. Zodat ze niet in de verleiding komen om te denken: ‘Het is net alsof wij niet bestaan. Er zal vast iets mis zijn met ons.’ En die aanpak werkt. Ooit zei een jongen tegen Cooper: ‘Bruine mensen zijn vuil’. Die opmerking kwetste hem niet eens. Hij dacht alleen maar: ‘Wat raar dat die jongen dat zegt’. Logisch, want in de films die Cooper ziet, zijn de bruine jongens altijd de helden.

“Ook op school ziet hij kinderen in alle mogelijke kleuren. Zijn school is zelfs zó divers dat de witte kinderen er soms de kneusjes zijn. Het nieuwe pesten is: elkaar wit noemen. Op een dag kwam Cooper huilend thuis: ‘Mama, ze zeggen op school dat ik wit ben’. Plots hoorde ik mezelf zeggen: ‘Er is toch niks mis met wit zijn? Papa is toch ook wit?’ Ja, er worden soms vreemde gesprekken gevoerd ten huize Hermans.” (lacht)

Zeven jaar geleden leerde je je man kennen. Vier maanden later was je zwanger van je zoon. Een reproductief ongelukje?

“Niks van. Een zéér bewuste daad van liefde. Zodra ik Willem had leren kennen, wist ik dat hij de vader van mijn kinderen ging worden. En je kunt maar beter aan kinderen beginnen wanneer je nog verliefd bent. Dan kun je nog veel van elkaar verdragen.” (lacht)

Zijn er zwarten die het maar niks vinden dat jij met een witte man getrouwd bent?

“Ja. Toen Willem en ik een paar jaar geleden in New York waren, riep een zwarte vrouw mij toe: ‘Everybody’s dating their own race now!’ In New York godbetert, de smeltkroes van de wereld. Maar wat die vrouw zei, klopte tot mijn verbazing wel: er zijn in New York ontzettend weinig mixed-race-koppels.”

Hoe komt dat?

“Sommige zwarte vrouwen – niet alleen in New York, maar ook hier – hebben al zó veel ontgoochelende ervaringen met witte mannen gehad dat ze enkel nog zwarte mannen daten. Anderen vinden het dan weer belangrijk om zwarte kinderen te krijgen. Op het internet is er de #blacklove-beweging: een hashtagcollectief dat de media oproept om meer zwarte koppels te tonen. Vanuit de vaststelling dat succesvolle zwarten in films en reclamespots bijna altijd geflankeerd worden door een witte partner; alsof een wit lief een voorwaarde is om als zwarte succesvol te kunnen zijn. Ik steun de #blacklove-sympathisanten, maar ze mogen niet suggereren dat zwarten met een witte partner hun ras verraden. Want dan haak ik af. Als mijn ras zou bepalen met wie ik wel en niet mag samenleven, zouden we in een heel trieste wereld leven. Dan glijden we opnieuw af richting segregatie.”

Dalilla Hermans: ‘Ik vertik het om mijn liefdesleven te laten bepalen door mijn ras. Ik heb er geen seconde over nagedacht welke kleur Willem heeft.’ Beeld Bob Van Mol

Sterker nog: richting racisme. Wat een wel érg vreemd antwoord zou zijn op racisme.

“Klopt. Voor alle duidelijkheid: ik begrijp waar de #blacklove-sentimenten vandaan komen. Ik plaats ze echt niet op dezelfde hoogte als de uitlatingen van white supremacists. Maar ik vertik het om mijn liefdesleven – en mijn leven tout court – te laten bepalen door mijn ras. Ik heb voor Willem gekozen omdat hij de man is met wie ik de rest van mijn leven wil doorbrengen. Ik heb er geen seconde over nagedacht welke kleur hij heeft. En zo hoort het ook.”

Wanneer er ter afsluiting van de avond koffie en melk op tafel gezet wordt, word ik verrast door mijn eigen ogen: nog nooit heb ik koffie zo zwart en melk zo wit gevonden. Gesprekken over rassenkwesties hebben vreemde neveneffecten.

En dan, na bijna zes uur praten, zetten we het op een fanatiek zwijgen. Zowel de burn-outcoach als het Hallmark-kaartje zullen het beamen: soms moet een mens even ophouden met maar doorgaan.

Dalilla Hermans, Black-out, Horizon, 240 p., 21,99 euro

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden