Maandag 27/06/2022

InterviewHanne Desmet

‘Ik heb heel intens gepuberd. Eén jaar lang was ik een andere Hanne: niet sportief en een kutwijf’

Hanne Desmet. Beeld BELGA
Hanne Desmet.Beeld BELGA

Shorttrackster Hanne Desmet spreekt slechts één taal: die van het schaatsen. Toen ze op haar zestiende op het ijs verscheen, maakte ze nochtans een onderkoelde indruk op haar coach en concurrentes. ‘Hanne kon eigenlijk niet schaatsen’, aldus haar bloedeigen moeder. Maar kijk, het hobbelende ijskonijn groeide uit tot een olympische medaillewinnares in Peking.

Hanne Van Tendeloo

Vrolijk gekleurde ballonnen dansen boven de oprit van het huis van moeder Desmet. In de woonkamer liggen twee opengeklapte koffers waaruit winterkleren en een pluchen panda met olympische ringen puilen. Tijd om uit te pakken heeft Hanne nog niet gehad, haar broer Stijn evenmin. Sinds hun thuiskomst uit Peking raast ze van welkomstfeest naar televisiestudio.

Hanne Desmet: “Die massale aandacht had ik niet verwacht. De voorbije maand had ik slechts één focus: snel schaatsen. En nu opeens dit.”

Je zag er oprecht geschrokken en ontroerd uit door alle aandacht bij je thuiskomst in Mechelen.

“Dat was ik ook. Peking is ver weg, hè. Ik had wel veel berichten gekregen, maar om die blije gezichten ook zo massaal in het echt te zien, dat raakte me. Het dringt nog altijd niet helemaal tot me door, denk ik.”

Ook niet als je opeens aan tafel zit in De afspraak en je tafelgenoten je bronzen medaille bewonderen?

“Ja, dat brons: dat is toch wel wat. Normaal heb ik niks met materiële spullen, maar die medaille is wel leuk.

“Ik tuimel nu van het ene uiterste in het andere: toen ik naar Peking vertrok, kende bijna niemand me. Vorig jaar had ik wel zilver behaald op het WK, maar daar waren toen zelfs geen Belgische journalisten aanwezig. Best triest. Omdat ik zo’n slecht voorseizoen had gereden, had niemand grote verwachtingen voor de Spelen. Maar voor mij is het helemaal geen verrassing dat het anders is uitgedraaid.”

Jij wist: ik kom terug met een plak?

“Ik ging naar Peking om mee te doen voor de medailles. Dat had ik iedereen vooraf ook wel kunnen vertellen, maar zoveel onbescheidenheid was wat vreemd geweest. (lacht)

Je straalde tijdens de Spelen zelfvertrouwen uit.

“Omdat het schaatsen echt goed voelde. Er werd nochtans heel zenuwachtig gereden, door iedereen. Ze haalden de gekste manoeuvres uit, kegelden elkaar veel vaker dan normaal de baan af, wanhopig proberend vooraan te eindigen. Maar ik had geen last van dat soort stress.”

Waar haal jij die ijzige kalmte vandaan?

“Ik ben altijd zelfzeker geweest. Ik trek me niet te veel aan van wat er rond me gebeurt en ga nonchalant om met de dingen.”

‘Ik ben geen uitbundig type’, zei je over jezelf.

“Als een ander wint, dan gaat die vieren en juichen. Zo’n reactie zit niet in mij. Het komt gewoon niet bij me op, dus ga ik ook niet doen alsof.”

Het contrast met je jubelende schaatsmaatje Suzanne Schulting, die goud haalde op de 1.000 meter, was inderdaad groot.

“Goed dat zij er was: ze trok me mee in haar vrolijkheid. Zonder haar had ik daar waarschijnlijk wat ongemakkelijk staan draaien na onze finale.”

Vlak voor de medaille-uitreiking stonden Suzanne en jij wel een gek dansje te doen.

“Dat is ook wel hoe ik ben. Dat enorme podium, de atleten die op een rijtje moesten wachten: het was allemaal zo serieus. Dan vind ik het leuk om er wat humor in te brengen, om het allemaal wat kleiner te maken dan het is. Mezelf te ernstig nemen, ik kan dat niet.”

Als ik je zo hoor, dan zou ik denken dat het níét de mooiste dag van je leven was.

“Goh, iedereen wil nu natuurlijk dat ik dat zeg. Zo’n medaille is leuk en natúúrlijk doe ik het daarvoor, maar ik hou vooral van de weg ernaartoe. Ik doe het allemaal graag: leren, groeien, hard werken. Ik word gelukkig van het geheel, niet van dat ene piekmoment.”

Tijdens zo’n Spelen leven atleten in een snelkookpan. Dat het soms fout loopt, zagen we bij het piepjonge Russische schaatstalent Kamila Valijeva.

“Ik heb de beelden nog niet gezien van hoe ze gekraakt is op het ijs, maar ik heb er wel over gehoord. Zielig voor haar: ze is nog maar een kind van 15. Maar ze had wel positief getest, wat maakte dat Loena (Hendrickx, red.) tegen iemand op doping moest schaatsen. Kind of geen kind, dat is niet eerlijk. Ze zeggen nu dat ze de minimumleeftijd voor de Spelen gaan optrekken. Een goede zaak, vind ik. Geen enkele 15-jarige kan ooit normaal uit de Spelen komen.”

Hanne Desmet (rechts) naast de Nederlandse goudwinnares Suzanne Schulting tijdens de finale. 'Ze trok me mee in haar vrolijkheid. Zelf ben ik helemaal niet zo uitbundig.' Beeld Photo News
Hanne Desmet (rechts) naast de Nederlandse goudwinnares Suzanne Schulting tijdens de finale. 'Ze trok me mee in haar vrolijkheid. Zelf ben ik helemaal niet zo uitbundig.'Beeld Photo News

CHALET MET PONY

Als laatbloeier toon jij als geen ander dat topsporters niet zo jong hoeven te zijn.

“Ik ben pas heel laat beginnen te schaatsen. Toen ik in Hasselt ging meetrainen op hoog niveau, was ik al zestien.”

In schaatsland Nederland is dat bejaard.

(lacht) Naar Koreaanse normen al helemaal. Daar worden ze op hun achttiende wereldkampioen, een jaar later hoor je er niks meer van. De turn-over aan schaatsers is er enorm.

“Ik was wel een sportief kind. Ik turnde vooral. Rond mijn negende hebben ze me één zomer gevraagd om mee te turnen op het hoogste niveau, maar ik vond er niks aan: de kinderen kwamen er elke dag huilend aan, omdat ze zich pijn hadden gedaan, of omdat de trainers agressief deden of hen weer eens hadden afgekraakt. Er hing geen leuke sfeer. Ik heb niks tegen hard werken, maar het moet wel plezant blijven.”

Je danste ook en deed aan paardrijden.

“Mijn mama moedigde al dat sporten aan. Ik zat sowieso niet graag stil en had een hekel aan binnen zitten. Ik heb een tijdlang demo (demonstratiegymnastiek, red.) gedaan. Dat is een combinatie van tumbling en acrogymnastiek. Met een grote groep deed ik mee aan wedstrijden, maar als puber ben ik even met alles gestopt. Pas toen het verstand terugkeerde, heb ik het sporten weer opgepikt.”

Je bent in het schaatsen gerold via je broer.

“Dat is zo. Stijn vond schaatsen vanaf de eerste keer geweldig. Hij wist al snel: dit is wat ik later wil doen.”

Hij was ook goed.

“Supergetalenteerd was hij. Ik totaal niet. Als je de competities van toen zou bekijken en probeerde te voorspellen wie het ging maken, dan zou je mij er als laatste uitpikken.”

Moeilijk te geloven.

“En toch. Ik had wel kracht, maar ik kon het gewoon niet. De meisjes van wie ik nu win, waren vroeger zoveel beter dan ik.

“Shorttrack is een heel doordachte sport: je timing moet juist zitten, je moet je zwaartepunt in de juiste richting bewegen, de druk op je schaatsen moet juist zijn. Ik heb het allemaal bewust moeten leren, heb erover moeten nadenken. Sommige schaatsers hoeven niet na te denken: bij hen komt het vanzelf.”

Op zijn vijftiende mocht je broer gaan trainen voor de nationale ploeg in Hasselt. Je mama vond hem te jong om op kot te gaan en op internaat wilde hij niet. Conclusie: het hele gezin moest mee.

“Zo is het gegaan, ja. Ik kon moeilijk op die leeftijd in mijn eentje hier in Mechelen blijven, dus ging ik mee schaatsen in Hasselt. Tijdens de week woonden we daar, in de weekends keerden we terug. Er woonden ook nog twee andere schaatsers bij ons, van wie de ouders niet mee waren verhuisd. Mijn moeder was er om toezicht te houden. Een heel fijne tijd, al was het voor mijn moeder best zwaar: voortaan moest ze vanuit Hasselt naar haar werk in Antwerpen pendelen.”

Ze is biologe en onderzoekster aan de universiteit van Antwerpen.

“Ze modelleert ecosystemen: ze schrijft computerprogramma’s, bijvoorbeeld om te simuleren hoe een bepaald bos zal reageren op stikstof. Ze heeft ons milieubewust opgevoed: Stijn en ik zullen niet snel iets verspillen en we denken altijd goed na over alles wat we doen. Al zijn we tegenwoordig erg slecht bezig voor het milieu, met al die vliegtuigreizen.

“Mijn moeder werkte halftijds en vaak van thuis uit. Gelukkig, anders had ze het nooit kunnen combineren met onze trainingen en wedstrijden. Intussen geeft ze naast haar vaste job ook wiskundeles op een middelbare school in Mechelen. Dat is ze gaan doen toen ze hoorde over het lerarentekort. Net als ik kan ze niet stilzitten.”

Ben je trots op haar?

“Ze is de meest indrukwekkende persoon die ik ken. Hoe zij ons al die jaren in haar eentje heeft opgevoed, daar kan ik niet bij. Ze is ook altijd gelukkig geweest. Geniet van alles, neem niks for granted, dat heeft ze ons meegegeven.”

Jullie zijn zonder vader opgegroeid.

“Hij was 36 toen hij stierf aan een hartslagaderbreuk. Zijn aandoening was erfelijk, maar Stijn en ik zijn getest: we lopen geen risico.”

Jij was pas één. Hoe is het om geen enkele herinnering te hebben aan je vader?

“Dat is het beste scenario, denk ik. Voor Stijn en mij is die vader er nooit geweest – mijn broer was amper drie weken oud. Vroeger gingen we af en toe naar een herdenking met de familie van mijn vader, maar voor ons voelde dat altijd als iets heel abstracts: wie zijn we hier aan het herdenken? We hadden niks om ons een voorstelling te vormen.”

Op het podium in Peking heb je dus ook niet aan hem gedacht?

“Ik begrijp dat mensen het raar vinden, maar die gedachte leeft niet bewust in mij. Ik heb het nooit als een gemis ervaren. Stijn en ik hebben een fijne jeugd gehad. We hadden genoeg aan onze moeder, maar voor haar moet het wel zwaar zijn geweest. Zeker in het begin. Bij elke stap die we zetten, moet ze gedacht hebben: dit had ik met hem willen meemaken. Maar aan ons heeft ze dat nooit getoond. Pas sinds kort zijn we dat gaan beseffen.”

Financieel is het vast ook niet eenvoudig om als alleenstaande moeder twee topsporters groot te brengen.

“We konden rondkomen, maar het was krap. Nog altijd zullen Stijn en ik niet snel geld uitgeven aan stomme dingen, zoals kleren of dure restaurants.”

Gingen jullie als kind op vakantie?

“Ja, maar nooit ver weg. Dan gingen we naar PonyparkCity. Ken je dat? Dat is een vakantiepark in Nederland waar je een chaletje kunt huren met een pony erbij. Als kind reed ik de hele vakantie lang op zo’n pony over dat uitgestrekte domein.

“Als ik nu terugdenk aan onze jeugd, dan valt me op hoe Stijn en ik altijd mochten doen wat we wilden, mama ging daar dan in mee. In andere gezinnen is het vast niet zo normaal dat de kinderen de gang van zaken bepalen, maar voor ons wel. Nu denk ik: amai, mama heeft haar leven zó hard in het teken van ons gezet. Achttien jaar lang is ze voor honderd procent moeder geweest.”

Intussen heb je ook een pluspapa en pluszus.

“Die zijn er pas gekomen toen Stijn en ik het huis uit waren. Toen had mama eindelijk weer wat tijd voor zichzelf. Heel schattig om haar nu gelukkig te zien met haar vriend.

“Dat ik zo zelfstandig ben, heb ik zeker te danken aan mijn opvoeding. Ik denk dat ik al heel vroeg voor mezelf wilde zorgen en alles onder controle wilde hebben, om mijn mama niet nog meer te belasten. Ik weet natuurlijk niet hoe anders ik zou zijn uitgedraaid mét een vader. Als meisje vertroeteld worden door een papa: ik kan me er niks bij voorstellen.”

null Beeld Joris Casaer
Beeld Joris Casaer

INTENSE PUBER

Terug naar Hasselt, waar je ging schaatsen. Je bent toen zelf aan coach Pieter Gysel gaan vragen of je mee mocht schaatsen met het team. Zijn antwoord: ‘Ik zal wel zien, ik heb altijd mensen nodig om matten tegen de boarding te zetten.’

(lacht) Pieter doet graag van die straffe uitspraken. Toen we begonnen in Hasselt, gaf hij iedereen een score tussen 1 en 5, van weinig tot veel potentieel. Mijn score was ‘1 tot 5’: het kon nog alle kanten op.

“Dat eerste halfjaar ging ik totaal niet vooruit. Ik heb vaak gedacht: wat ben ik hier aan het doen? In het begin kon ik ook helemaal niet mee met de groep. Ik hobbelde er wat achteraan, tot groot jolijt van de rest. Nog altijd halen ze soms video’s boven van hoe ik destijds schaatste. Niet erg, hoor: ik kan zelf lachen met hoe slecht ik toen was. Als ik er nu op terugkijk, is het onbegrijpelijk dat ik ben gaan schaatsen en – vooral – dat ik het ben blíjven doen. Ik heb er geen verklaring voor.”

Intussen moest je ook naar school. In Mechelen had je sportwetenschappen gevolgd, maar dat was geen succes.

“Ik had geen zin om inspanningen te leveren, dus deed ik het gewoon niet. Ik had altijd één of ander excuus om niet mee te doen met de zwemles.”

Waarom had je dan voor een sportrichting gekozen?

“Het leek een logische keuze, omdat ik zoveel sportte. Maar ergens in het derde middelbaar moet mijn tienerbrein opeens een bocht van 180 graden hebben gemaakt. Eén jaar lang heb ik heel intens gepuberd. Mijn mama en ik lachen er nu nog om: ik was onhebbelijk en onbeleefd, terwijl mijn broer de zachtheid zelve bleef. Eén jaar lang ben ik een andere Hanne geweest: niet sportief en een kutwijf.”

Op school was je gebuisd voor sport en kreeg je een B-attest.

“De leraars zeiden dat ik beter naar het tso kon gaan, maar ik vond mezelf te slim. Ik ben dan maar, tegen hun advies in, economie-wiskunde gaan studeren. Aan de universiteit ging het ook zo: ik wilde handelsingenieur volgen in Hasselt, maar omdat ik in Heerenveen schaatste, kon ik niet naar de les. ‘Dat lukt je nooit in je eentje’, zeiden ze. Ik dacht: ik doe het toch. Intussen heb ik mijn bachelordiploma en werk ik aan mijn master – ooit wil ik misschien fraudedetective worden en witwasoperaties blootleggen. Nergens haal ik meer drive uit dan iemands ongelijk bewijzen, als mensen denken dat ik iets niet kan.”

Geen zin om nu je bronzen medaille onder de neus van je oud-leerkrachten te gaan wrijven?

“Ik vond het wel mooi toen de kranten schreven: ‘Gebuisd voor sport, nu een olympische medaille.’ Maar mijn leerkrachten hadden wel gelijk: in hun plaats had ik hetzelfde gedaan. Ik verdiende die buis.”

DE SCHAATSBELG

Steekt het bij je broer dat jij nu als eerste een olympische medaille hebt?

“Nee. Hij is heel blij dat alle aandacht nu naar mij gaat. Interviews doen en in de spotlights staan, dat is niks voor hem. Hij wil alleen hard trainen en met rust gelaten worden.

“Het is wel gek om te merken dat iedereen ons als een soort eenheid behandelt: doet de één het goed, dan krijgt ook de ander lof. Stijn wordt nu gefeliciteerd met mijn prestaties. En omgekeerd ook: toen hij twee jaar geleden een medaille won op het WK, kwam iedereen mij complimenteren.”

Jullie tante Maggy zei in de krant dat jullie vaak familiefeestjes moeten missen.

“Ze heeft gelijk: de voorbije acht jaar zijn we niet vaak in Mechelen geweest. We zitten nu al vier jaar in Heerenveen, waar we met het Nederlandse nationale team trainen. Voordien zaten we in de VS, het jaar ervoor in Canada.”

Feesten met vrienden, doe je dat weleens?

“Een tijdlang heb ik het schaatsen veel te serieus genomen en dacht ik dat uitgaan en feesten niet te combineren vielen met topsport. Maar tegenwoordig doe ik ook gewoon leuke dingen met mijn vrienden. Als het seizoen voorbij is, gaan we feesten met het hele team. Dan vind je mij op de dansvloer: ik dans nog altijd graag.”

Vond je makkelijk aansluiting bij de Nederlanders in Heerenveen?

“Jawel. Ze noemen mij hun schaats-Belg. Natuurlijk zijn we ook concurrenten, maar shorttrack doe je niet alleen. Langebaanschaatsen is veel meer ieder voor zich, maar wij worden sámen beter. Dat teamwerk ligt me.

“Als ploeg zijn we heel hecht, omdat we al veel hebben meegemaakt. Eerst was er het ongeval van Sjinkie (Knegt, red.): bij het aansteken van de kachel thuis liep hij zware brandwonden op in zijn gezicht. Hij heeft lang in het ziekenhuis gelegen. Een jaar later zijn we Lara (van Ruijven, red.) verloren. We waren op trainingskamp in Frankrijk toen ze opeens ziek werd. Ze werd opgenomen op intensieve, er bleek iets mis met haar immuunsysteem en haar toestand ging van kwaad naar erger. Op heel korte tijd, allemaal binnen de tijdspanne van die stage, was ze er niet meer. Als team hebben we toen veel aan elkaar gehad, maar het blijft moeilijk om het verlies van zo’n jong iemand een plaats te geven. We konden het niet vatten. Op de Spelen was haar afwezigheid tastbaar. Ze had er gewoon bij moeten zijn.”

Voor iemand van 25 heb je al vaak met de dood te maken gekregen.

“Eigenlijk wel. Het heeft me niet bang gemaakt. Het leert me eerder waarderen wat ik heb. Onze tijd is beperkt, dus als je iets wilt, dan moet je ervoor gaan.”

null Beeld Joris Casaer
Beeld Joris Casaer

Ben je niet bang voor blessures? In september was je nog out met een zware hersenschudding.

“Maandenlang kon ik helemaal niks. Bij de minste inspanning zei mijn lichaam nee. Op de Spelen voelde ik voor het eerst dat ik het allemaal weer kon. Daar haalde ik mijn zelfvertrouwen uit.

“Het gebeurde heel stom: op een training was ik domweg op een blokje gaan staan, uitgegleden, en met mijn hoofd tegen de rand gevallen. Eerst dacht ik dat het wel meeviel, maar na zes weken kon ik opeens niet meer rechtstaan zonder draaierig te worden en over te geven. Eén dag was het echt erg: ik liep scheef en viel om. Mijn evenwicht was weg. Het was heel eng om te denken: komt dat nog ooit terug? Ik heb lang voorzichtig moeten schaatsen. Nog eens vallen en ik had hersenschade opgelopen voor de rest van mijn leven. Dat is het niet waard.”

Terwijl spectaculaire valpartijen schering en inslag zijn bij shorttrack.

“Je mag niet bang zijn als je wilt shorttracken. Ik denk dat de mensen rond me banger zijn dan ik. Mijn mama staat soms met de daver op het lijf te kijken, dit jaar nog net iets meer dan anders.”

Je zorgde op de Spelen ook voor romantiek toen je je relatie met de Amerikaanse langebaanschaatser Joey Mantia bekende maakte.

“Joey en ik kennen elkaar al jaren. We kwamen elkaar geregeld tegen langs de ijsbaan. Vlak voor corona is de vonk overgeslagen.”

Al zo lang? Je moeder leek te denken dat het iets prils was.

“Ik vertel haar niet veel over die dingen. Bij een langeafstandsrelatie weet je in het begin ook niet goed welke kant het op zal gaan. Zeker niet als de wereld in lockdown gaat en je elkaar helemaal niet kunt zien. Pas op de Spelen hebben we elkaar na twee jaar teruggezien.”

Om na een kleine maand alweer afscheid te moeten nemen.

“Ach, over twee weken zien we elkaar al terug in Heerenveen. Dat moet lukken. Ooit zullen we het wel moeten hebben over hoe het verder moet. Blijft het een langeafstandsrelatie? Ik denk wel dat we er allebei mee om zouden kunnen. Natuurlijk heb ik ook weleens zin om ’s avonds met mijn lief op de zetel tv te kijken, maar als topsporter ben ik sowieso vaak van huis weg. De vriendin van Bart Swings is zelf geen topsportster, maar ook zij moet haar man de helft van het jaar missen. Zo anders is dat bij ons niet.”

Ik spreek uit ervaring: Hanne is geen makkelijke naam om uit te spreken voor een Amerikaan. Het klinkt algauw als ‘Honna’.

(lacht) Het klinkt inderdaad niet helemaal zoals het hoort, maar intussen heeft Joey het wel onder de knie. Af en toe noemt hij me Hannah, maar dat doet hij om me te plagen: hij weet dat ik er niet tegen kan.”

Broer Stijn wandelt voorbij, op weg naar zijn fiets. Geschaatst wordt er niet, zolang ze in Mechelen zijn, maar dat wil niet zeggen dat er niet wordt getraind. Over een paar weken komt het WK in Montreal er al aan.

Iets zegt me dat er dit keer wél Belgische journalisten zullen zijn, met al hun aandacht gericht op jou.

“Daar zou je weleens gelijk in kunnen hebben, maar daar ga ik me niet te veel van aantrekken. Ik wil gewoon racen. Ik weet dat ik nog veel beter kan.”

© Humo

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234