Donderdag 26/11/2020

‘Ik heb God gezegd dat het me spijt. Wat valt er dan verder nog te doen?’

Anders dan vandaag zijn Vlaamse geestelijken zich er in 2002 nog niet zo van bewust wat een bandopnemer aanrichten kan. De opname laat een telefoongesprek horen tussen de Congolees Benjamin K. en de Vlaamse pastoor Omer V. De twee mannen leerden elkaar in 1980 kennen in het klein seminarie van Kanzenze, een plaatsje in de buurt van Kolwezi in het toenmalige Zaïre. Benjamin K. was toen dertien, pastoor V. een veertiger en leraar aan het seminarie. Hij zou in 1982 directeur worden van de Afrikaanse priesterschool, Benjamin was in die jaren zijn pupil, zijn lieveling.

Tijdens het telefoongesprek zit de pastoor thuis, in het Oost-Vlaamse Sint-Laureins, waar hij de helft van de tijd woont. K. bevindt zich aan de andere kant van de wereld. Hij is in de jaren negentig naar de VS geëmigreerd en is verpleger in een ziekenhuis in Saint-Louis. Nu eens tutoyeren de twee mannen elkaar, dan weer niet. K. voelt zich schuldig, zegt hij. Terwijl hij rationeel gesproken heus wel weet dat het niet hij is die zich zo moet voelen.

“Je hebt je niks te verwijten”, zegt de pastoor vaderlijk. “Je staat niet bij mij in het krijt. Degene die spijt moet hebben, dat ben ik. Ik moet - en ik heb dat gedaan - in het reine komen met mijn geweten (...). Er is de vergiffenis van de kerk, en er is de vergiffenis van Jezus.”

Benjamin merkt op dat hij nu al twintig jaar lang met een vraag zit, een prangende vraag. Destijds, zegt hij, waren er nog twee andere jongens in het klein seminarie van Kanzenze die hem vertelden dat ze hetzelfde hadden meegemaakt als hij. De Congolese jongen werd anaal verkracht en verplicht tot orale seks. “Ze hebben me gezegd dat je ook hen hebt aangeraakt, dat u zich masturbeerde”, zegt hij. “Ik vraag u of u dat erkent.”

De pastoor: “Luister Benjamin, ik heb mijn verleden geregeld met de betrokkenen. Ik vraag u om met mij te praten over het probleem dat u hebt met uzelf. Ik ben verantwoordelijk voor mijn verleden. Geen sprake van dat ik terugkom op mijn verleden. Ik begrijp het niet goed. Als ik een fout maak tegenover iemand en ik vraag hem om vergeving, en hij zegt me: ‘Ik aanvaard uw spijt en vergeef u’... Zoals ik, bijvoorbeeld, heb gedaan in de biecht. Ik heb God gezegd dat het me spijt. Wat valt er dan verder nog te doen?”

K. heeft twintig jaar lang gezwegen. Er zijn hem ook nooit veel goede redenen gegeven om te spreken. In 1987 werd pastoor V. door een Zaïrese geestelijke betrapt terwijl hij een andere jongen aan het misbruiken was. Hij werd door de bisschop van Kolwezi naar België teruggestuurd. Alles kwam uit, het dorp sprak schande. De ouders van K. kregen te horen dat hun zoon un homosexuel was, een viezerik. En dat hij, zowaar, mijnheer pastoor tot zondige daden had verleid. De kleine Benjamin werd verstoten. Zijn vader zei: “Je bent niet langer mijn zoon.”

Omer V. bracht hem in contact met de strenge Italiaanse religieuze kloosterorde Communita Jesus Caritas en kreeg het zo geregeld dat hij zijn priesteropleiding vanaf 1988 kon voltooien in Italië. Zijn ouders of zijn negen broers en zussen zag K. nooit meer terug. “De laatste jaren is er weer contact”, zegt Benjamin K. ons, aan de telefoon vanuit de VS. “We bellen wel eens. Maar het heeft tijd gekost. Veel tijd.”

‘DE HELE NACHT NIET GESLAPEN’

Het telefoontje en de opname kwamen tot stand op advies van zijn hulpverleners. Benjamin, zeiden ze, moest zijn verleden een plaats geven. De dingen benoemen en benoemd horen worden. In een van zijn verslagen maakt een therapeut melding van “zelfmoordneigingen” en van “zware depressies”. Een ander verslag zegt: “K. lijkt alle symptomen en verschijnselen te vertonen die kenmerkend zijn voor een niet-behandeld slachtoffer van jarenlang seksueel misbruik. Dat seksueel misbruik heeft letterlijk zijn persoonlijkheid ontredderd. Hij verloor zijn zelfrespect en integriteit en ziet zich nu als een waardeloze zondaar. De ingebeelde gevoelens van schaamte, schuld, hopeloosheid, vernedering, ontwaarding, woede en verwarring hebben een ernstig geval van posttraumatische stress doen ontstaan, met de talrijke daarbij komende depressieve verschijnselen.”

Tijdens het telefoongesprek betwist V. dat hij K. “meer dan één keer” zou hebben misbruikt. “Ik herinner mij één keer, één enkele keer”, zegt hij. “Voor de rest heb ik mijn best gedaan om u op het rechte pad te krijgen. Ik wist niet dat ik u zo pijn heb gedaan door dat feit. Behalve op die ene dag, dat ene moment, ben ik mijn hele leven bezig geweest met u op het pad van God te brengen en op het pad van uw roeping. Men moet niet alles weggooien, hè. Men moet niet overdrijven.”

- “Wilt u zeggen dat het tijdens die hele affaire maar één keer is gebeurd?”

- “Ik heb je aangeraakt. Dat spijt me. Nog eens, ik zie niet in hoe je kan vergeten dat ik mijn hele leven mijn best heb gedaan om je op het goede pad te krijgen en langs alle kanten te helpen opdat je priester zou worden en een gelukkig leven zou kunnen leiden.”

De discussie ontspoort. Benjamin zegt dat hij het niet kan aanvaarden dat V. de zaken zo minimaliseert. Hij kondigt aan dat hij een brief gaat schrijven aan de bisschop van Gent, de hiërarchische overste van Omer V. De Gentse bisschop, in die tijd, is Arthur Luysterman. Hij is in die jaren ook bisschop-referent voor seksueel misbruik binnen de Belgische bisschoppenconferentie en het contactpunt tussen de bisschoppen en de enkele jaren daarvoor opgerichte interdiocesane commissie rond seksueel misbruik (ICSM) in de pastorale sfeer. Omer V. probeert zijn vroegere pupil op andere ideeën te brengen.

- “Wat heeft mijn bisschop met deze zaak te maken? Mijn bisschop heeft niets te zien met iets dat is gebeurd in Congo. U moet hier mijn leven niet kapotmaken. Denkt u dat u hier een heilige daad mee stelt, een positieve daad? Ik begrijp u niet (...). Ik heb gezegd dat ik op dat moment een fout heb gemaakt, dat ik een daad heb gesteld die absoluut niet goed is. Ik vraag u vergiffenis. Ik weet dat God mij heeft vergeven en ik weet dat God zeker ook jou vergeven heeft. Als ik vandaag een gevaar was voor wie dan ook, zou het positief zijn om me aan de kant te zetten, of in de gevangenis te stoppen, akkoord. Maar als u naar mijn leven kijkt, kunt u enkel zeggen dat ik veel positiefs bijdraag aan de kerk en aan de mensen die mij kennen. Als u dit alles en mij wil vernielen, begrijp ik niet hoe u daarna een gerust geweten kunt hebben. Dat begrijp ik niet.”

- “Ik wil u niet kapotmaken.”

- “Dat heb je al gedaan, Benjamin. Ik heb de hele nacht niet geslapen. Zo kapot ben ik van wat je op dit moment doet. Als u het nodig vindt om hier een derde persoon bij te betrekken, kies dan alsjeblief iemand anders dan mijn bisschop. Ik ben een vriend van de bisschop, ik heb voor hem gewerkt en hij vertrouwt me.”

DE COMMISSIE ZETELT

Bisschop Arthur Luysterman stuurt de klacht van K. in mei door naar Godelieve Halsberghe, de voorzitter van de ICSM. Zij nodigt Omer V. uit om zich te verdedigen tegen de aantijgingen, maar de oude pastoor reageert met een briefje. Hij noemt K. een fantast die geld geroken heeft. Hij schrijft: “Ik heb zeer nauwe banden met Congo sedert meer dan 30 jaar en ik meen te mogen zeggen dat ik de Congolezen door en door ken.”

Nadat hij eerst een paar keer zijn kat heeft gestuurd, verschijnt V. op 26 augustus 2003 alsnog voor de commissie. Hij maakt geen al te denderende indruk. In eerste instantie ontkent hij bij hoog en bij laag K. ooit te hebben aangeraakt, even later schermt hij met het feit dat “de aangeklaagde feiten verjaard zijn”. Vervolgens heeft hij het over een “eenmalig, onbenullig feit”, waarvan hij zich enkel nog kan herinneren dat het “spelenderwijze is gebeurd”. Hij voert ook aan dat hij K. destijds alles bij elkaar toch wel 110.000 Belgische frank heeft toegestopt om naar Italië te reizen. Dat mag ook niet worden vergeten, vindt hij.

Hoe verder je in het dossier bladert, hoe meer vermoedens de vorm aannemen van feiten. Brief van Godelieve Halsberghe aan een van de juridische adviseurs van de commissie, 5 april 2004: “Meester Storme, raadsman van het bisdom, vraagt hoe wij de zaak verder zullen aanpakken. Meester Storme vreest dat, zo geen oplossing wordt gevonden, de advocaat van de heer K. de pers zal aanspreken.”

No cure, no pay

Er zijn tegen die tijd twee jaar verstreken sinds K. zijn brief verstuurde, hij krijgt vanuit België alleen maar te horen dat ‘een’ commissie ermee bezig is en heeft dan maar een advocaat aangeschreven. Zoals Amerikaanse advocaten wel eens doen, begon die volgens het principe ‘no cure no pay’ dreigbrieven te sturen naar de instantie die hij als hiërarchische overste verantwoordelijk achtte voor de toegebrachte schade. Hij heeft het bisdom van Gent verzocht om per kerende 250.000 dollar te storten op de rekening van zijn kantoor. 250.000 dollar, dat is volgens de advocaat een slordige schatting van de schade die zijn cliënt heeft geleden.

Intussen is vanuit de VS ook een bandopname opgestuurd, waarna de commissie besluit dat pater V. een loopje heeft genomen met de waarheid: “De werkelijkheid blijkt gans anders te zijn, niet alléén tegenover K. maar ook tegenover andere jongens.” Nog een brief van Halsberghe, aan haar adviseur, begin 2005: “Ik meen dat het aangewezen is dat wij onze taak nu opnieuw opnemen en pogen de zaak te regelen met het bisdom. Wat denkt u van een voorstel om 50.000 euro ten titel van morele schadevergoeding? Het bisdom zou dit bedrag kunnen voorschieten.”

Enkele weken later merkt Benjamin K. dat er vanuit België 25.000 dollar op zijn rekening is gestort. “Ik had tegen die tijd alweer gebroken met die advocaat”, zegt hij. “Mijn therapie begon te werken, ik wou en kon het stilaan een beetje achter mij laten. Het was leuk meegenomen, dat geld, dat ga ik niet ontkennen. Het was een eerste aanbetaling, zei men. Ik heb verder niet aangedrongen.”

Ergens, geeft hij toe, was het een vorm van erkenning. Een teken dat er een scheidsrechter was gevonden en dat die tot een oordeel was gekomen. Dat de kerkelijke hiërarchie zich ervan bewust was dat Omer V. zich als missionaris in Congo had misdragen ten aanzien van het kind dat Benjamin K. toen was.

OVER NAAR RWANDA

In de voorbije maanden raakte bekend dat twee Vlaamse priesters die in eigen land waren aangeklaagd wegens kindermisbruik naar Peru en Brazilië trokken om zich er specifiek te bekommeren om straat- en weeskinderen. De zaak-Omer V. brengt de teller op drie.

Enkele jaren na de Rwandese genocide strijkt hij neer in Kicukiro, een deelgemeente van hoofdstad Kigali. Met de hulp van de paters salesianen van Don Bosco gaat hij er in 1996 van start met een project voor de opvang van weeskinderen van de volkerenmoord. Hij begint er met de bouw van een beroeps- en basisschool, die plaats moet bieden aan zo’n 3.000 kinderen, en hij pendelt heen en weer tussen Kigali en Gent om fondsen in te zamelen voor het bouwproject. Hij richt samen met zijn broer de vzw Asor op, wat staat voor Action pour Scolariser les Orphelins du Rwanda. V. vindt steun bij enkele Rotaryclubs en de provincie Oost-Vlaanderen.

Aangeklaagd voor kindermisbruik en in de ogen van zijn oversten (het bisdom betaalde een schadevergoeding) schuldig bevonden of niet, pastoor V. is er niet schuwer door geworden. Het is niet bepaald zo dat hij van zichzelf vindt dat hij wat te verbergen heeft. Op 20 mei 2006 verwelkomt hij in Kicukiro een zeskoppige delegatie van het Oost-Vlaamse provinciebestuur en leidt ze rond op het bouwterrein van de school. Een half jaar later, op 9 januari 2007, laat hij zich met zijn vzw in de gebouwen van het Europees Parlement in Brussel in de bloemetjes zetten door europarlementsleden Anne Van Lancker (sp.a) en Johan Van Hecke (Open Vld). Op 21 november 2008 wordt ter ere van Omer V. in Kigali een feestzitting gehouden, waarbij de Oost-Vlaamse geestelijke wordt gehuldigd als ‘ambassador for peace’ door de Women’s Association for World Peace. Op de website van de vzw Asor wordt V. gehuldigd als een nieuwe pater Damiaan. Dezelfde website meldt ook dat de vzw, waarvan Omer V. voorzitter is, “ook meerdere seminaries organiseerde in samenwerking met het Hoog Commissariaat voor de Rechten van de Mens om de rechten van de kinderen en in het bijzonder van de weeskinderen bekend te maken”.

De vzw Asor wordt bestuurd door Omer V., door zijn broer en een sympathisant. “Ik val compleet uit de lucht”, zegt die. “Wij hebben hier nooit enig vermoeden van gehad. Er is ons ook nooit iets gezegd. Niet door het bisdom, niet door om even wie.”

Benjamin K. kwam er pas onlangs surfend en veeleer toevallig achter hoe het zijn misbruiker verging. “Je gelooft niet wat je ziet”, zegt hij. “Pedofilie is een ziekte. Slachtoffers dienen te worden geholpen, maar ook daders. Men hoorde deze man weg te houden van kinderen. Daar was het mij veel meer om te doen dan om 25.000 dollar.”

We probeerden contact op te nemen met Omer V., maar de man bleek niet te bereiken. “Hij is deze week net weer vertrokken naar Rwanda”, heet het bij de vzw. “Om zich er het lot aan te trekken van de arme kinderen daar.”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234