Dinsdag 20/04/2021

'Ik heb gevoeld waartoe racisme kan leiden'

Wat heeft de doorgaans nuchtere VRT-journalist Peter Verlinden ertoe bewogen om maandag een zo emotioneel verhaal over racisme de wereld in te sturen? Misschien heet het antwoord Marie Bamutese, 32, zijn echtgenote. Als bij wonder overleefde zij de Rwandese genocide. Hier volgt een soms schokkend verhaal over racisme, in zijn ultieme consequenties.

Afgelopen maandagochtend, iets over acht. Marie Bamutese, sinds een jaar of drie de levenspartner van journalist en Afrikakenner Peter Verlinden, heeft net haar vijfjarige zoon Matteo naar school gebracht. Bij thuiskomst valt haar oog op iets dat ze aanvankelijk voor een waanbeeld houdt. Op hun voorgevel heeft de afgelopen nacht iemand zich eens goed laten gaan. "Negers!", staat in grote witte krijtletters op hun muur geschreven.

Marie Bamutese haalt er onmiddellijk haar man bij. "Om na te gaan of ik het niet had gedroomd", zo vertelt ze drie dagen en een fikse mediastorm later. "Peter heeft me uit de droom geholpen. Het stond er dus echt. Ik denk dat hij er nog meer dan ik door was aangedaan.

"Ik vond het in de eerste plaats vooral onwaarschijnlijk. Het klinkt misschien raar, maar om de een of andere reden verwacht je niet dat zoiets in een klein rustig dorp als Meerbeek kan gebeuren. Achteraf bekeken hadden we natuurlijk beter kunnen weten. Een vrouw uit onze buurt, een Vlaamse, is getrouwd met een man van Arabische afkomst. Ze hebben hun zoontje hier van de school moeten halen. Hij werd gepest vanwege zijn donkere huidskleur.

"Dat er in Vlaanderen zoiets als racisme bestaat, was voor mij geen grote verrassing. Voor ik hier drie jaar geleden kwam wonen, heb ik twaalf jaar lang in en rond Antwerpen gewoond. Ik heb er lang gewerkt voor het Centrum voor Algemeen Welzijnswerk (CAW). Op die plek krijg je voortdurend te maken met mensen die, omwille van hun vreemde naam of andere huidskleur, geen appartement kunnen huren of werk kunnen vinden. Zelf heb ik vaak genoeg gesolliciteerd zonder dat iemand nog maar de moeite nam om me een antwoord te sturen.

"Tegelijk, en dat mogen we in heel deze discussie niet vergeten, heb ik ook gezien dat veel Vlamingen zich tegen dat racisme verzetten. Laten we dus vooral niet veralgemenen. De meerderheid van de Vlamingen is niet racistisch. Maar dat wil niet zeggen dat er geen probleem is. Dat blijkt ook uit de overweldigende vloed aan reacties die we sinds Peters opiniestuk hebben gekregen. Heel vaak zijn het mensen die ons gewoon willen steunen. Maar minstens zo vaak zijn het mensen die ons vertellen dat ze iets gelijkaardigs hebben meegemaakt, en dat het diepe wonden heeft geslagen. Peter heeft blijkbaar een zenuw geraakt."

Relatief begrip

Een van de vele reacties op Peter Verlindens opiniestuk was er een van Liesbeth Homans, boegbeeld van de N-VA. In haar reactie benadrukte Homans heel uitdrukkelijk dat haar partij elke vorm van racisme verwerpt. Tegelijk kwam ze nog eens terug op haar inmiddels beroemde stelling dat racisme "een relatief begrip" is. Daar wilde ze ook hier geen woord van terugnemen. Het was, zo schreef ze, "een uitspraak die ik inderdaad gedaan heb en waar ik nog steeds achter sta, gezien de context waarin ik ze gedaan heb".

Homans' uitspraak zorgt bij Bamutese voor gemengde gevoelens. "Als ze met de context bedoelt dat mensen het begrip racisme wel eens durven te misbruiken om hun eigen fouten te verdoezelen, dan kan ik haar alleen maar gelijk geven", zegt ze. "Natuurlijk gebeurt dat, en natuurlijk is dat fout. Maar of ik haar uitspraak daarom ook toejuich? Ik heb eerlijk gezegd zo mijn twijfels. Als een politica in haar positie zoiets zegt, zullen veel mensen met racistische neigingen dat als een bevestiging van hun ideeën zien. Ik zie het ook in de reacties op Peters stuk: er zijn mensen die zich duidelijk niet schamen voor hun racisme. Dat zijn mensen die zich door een uitspraak als die van Homans gelegitimeerd weten. Ik hoop dat ik me vergis, maar ik vrees dat er achter die uitspraak ook een stevige portie strategie schuilt. Politici zeggen zulke dingen toch niet zomaar? Ze weet toch dat je zo'n uitspraak op twee manieren kunt interpreteren? Misschien zei ze dat ook om kiezers van het Vlaams Belang te verleiden?"

Racisme en de relativiteit ervan. In een ander opzicht kan Marie Bamutese daar als weinig anderen iets wezenlijks over zeggen. Dit is een vrouw die de Rwandese tragedie heeft overleefd. Over haar hallucinante verleden verneemt u straks veel meer. Maar eerst nog een vraag.

Kan iemand die het allerwreedste etnische geweld met eigen ogen heeft aanschouwd nog echt geraakt worden door de - relatief gesproken, uiteraard - veel mildere Vlaamse variaties op hetzelfde thema?

Haar antwoord is duidelijk. Ja, zegt ze. En sterker nog.

"Misschien dat ik er door die ervaringen nog gevoeliger voor ben geworden. Ik heb gezien wat latent racisme is, en waar het toe kan leiden. In het land waar ik opgroeide werden vanaf het uitbreken van de oorlog in 1990 de verschillen tussen Hutu's, Tutsi's en Twa's sterk gecultiveerd. In plaats van de rijkdom van het verschil te benadrukken werden de verschillen tegen elkaar uitgespeeld. U zult dat misschien een te grote stap vinden, maar ik weet het heel zeker: het is precies wat Filip Dewinter hier al jaren doet. Als hij zegt dat niet vergrijzing maar 'verbruining' het probleem is, zaait hij niet alleen haat bij de blanke Vlamingen, maar ook bij de mensen die hij met zo'n uitspraak viseert. Je dwingt die 'bruinen' om een zelfverdedigingsmechanisme te ontwikkelen. Op die manier krijg je clans. Wij, die steeds haatdragender worden tegenover hen. Je legt een bom onder de bodem waarop je samenleving groeit. Vroeg of laat zal die bom ontploffen."

Machetes

Een bom die ontploft is nog een eufemisme voor wat er op 6 april 1994 in Rwanda gebeurde. Op die dag werd vlak bij de luchthaven van de hoofdstad Kigali een klein vliegtuig neergehaald. Aan boord onder meer de Rwandese president.

De aanslag was het begin van een genocide en massamoorden zoals de wereld er sinds de Tweede Wereldoorlog geen meer had gezien. In honderd dagen tijd werden naar schatting een miljoen mensen afgemaakt, ongeveer evenveel Hutu's als Tutsi's. Een van de vroegste Tutsi-slachtoffers was de buurvrouw van de toen elfjarige Marie Bamutese.

Vijfentwintig jaar later is de herinnering niet uit haar geheugen gewist. "Om zeven uur 's morgens, een dag na de aanslag op de president, is onze buurvrouw met een machete in stukken gehakt. Waarschijnlijk door Hutu-extremisten. Ik zie de weerkaatsing van de zon in die machetes nog altijd. En ook de paniek bij haar kinderen zal ik nooit vergeten. We hebben ze nog even bij ons in huis genomen. Tot we drie dagen later zelf moesten vluchten. Vlak bij onze woonplaats was er een brug die twee gewesten met elkaar verbond. De regeringssoldaten wilden die brug opblazen om de oprukkende rebellen tegen te houden. Wie er niet tijdig over raakte, was een vogel voor de kat, in het gebied dat door de rebellen van het FPR, het Rwandees Patriottisch Front, zou worden ingenomen.

"We hebben gerend voor ons leven, mijn moeder, mijn zes zussen, mijn broer en ik. Onze vader hebben we moeten achterlaten. Hij was te ziek om met ons mee te gaan. We hebben hem nooit meer teruggezien.

"Maandenlang zijn we op de vlucht geweest, in onze nek de hete adem van de oprukkende FPR-militairen (de troepen van Paul Kagame, de man die nu president van Rwanda is, JdP). Als kind besef je niet helemaal wat er gebeurt. Je ervaart alleen een gevoel van onrecht. We hadden tot 6 april een mooi leven gehad. Een hard leven, maar in vergelijking met de gemiddelde Rwandees hadden we het goed. Mijn vader had een hoge functie bij de overheid. Een van mijn ooms was burgemeester. Mijn tante was een hooggeplaatste geestelijke in een plaatselijk klooster. Ik zat in het tweede jaar secundair onderwijs en haalde hele mooie resultaten.

"Van de ene op de andere dag was ons leven de hel geworden. Altijd honger. Nooit een veilige plaats om te slapen. Voortdurend het lawaai van bombardementen. Overal lijken. Voor je het weet ga je minder waarde hechten aan een mensenleven. Je kunt niet anders. Je moet doorgaan, want anders ben jij de volgende. Er zijn, denk ik, maar twee manieren waarop je hier uit kan komen. Ofwel kweek je een volledige immuniteit voor geweld, ofwel word je er overgevoelig voor. Ik ben er overgevoelig voor geworden. Ik kan geen geweld meer verdragen."

Marie en haar familie zouden na maanden stappen de grens met Congo bereiken. Twee jaar lang leven ze onder het zeil van een tent in een vluchtelingenkamp in Bukavu. Tot de toestand ook daar onhoudbaar wordt. In zijn recente boek Het goud van Congo beschrijft Maries man Peter Verlinden waarom. Door de komst van meer dan anderhalf miljoen Rwandese vluchtelingen werd het precaire etnische evenwicht in Oost-Congo ontwricht. Hutu's vormden er plots een meerderheid. Het oude Rwandese probleem werd zo ook een Congolees probleem.

Voor Marie en met haar honderdduizenden vluchtelingen betekende het dat de geschiedenis zich twee jaar later nog eens zou herhalen. Een nieuwe genocide dreigde, in oktober 1996 moeten ze opnieuw op de vlucht voor bombardementen.

"Wat we daarvoor hadden meegemaakt was niets in vergelijking met de hel die toen losbarstte", vertelt ze. "We zijn naar de brousse gevlucht, met de hele familie. We zochten bescherming bij de lokale bevolking, maar al snel bleek dat ze ons die bescherming niet konden bieden. Wie een Rwandees verstopte, ging eraan. Dus trokken we, achternagezeten door het nieuwe Rwandese regeringsleger en hun Congolese kompanen, de Congolese regenwouden in. En wij niet alleen. Ik heb er kinderen gezien die hun moeder hadden verloren en als wees door het regenwoud doolden. Baby's die nog probeerden te drinken aan de borst van hun dode moeder. Ik heb hier mijn nichtje verloren, Elodia. Ze was zes jaar. Ik had haar, omdat ze helemaal uitgeput was, op mijn rug genomen. We stapten en stapten. Op een bepaald ogenblik voelde ik dat haar ledematen gingen hangen. Wat er aan het gebeuren was, heb ik pas beseft toen haar hoofdje naar achter viel. Ik had niet door dat ze aan het sterven was.

"Ik heb die nacht bij haar geslapen. Maar ik heb haar nooit kunnen begraven. 's Ochtends zijn we gewekt door een bombardement. Er was geen tijd meer om haar een graf te geven. Wat je dan beleeft, is heel moeilijk onder woorden te brengen. Je wilt alles doen om haar te redden, terwijl je niets kunt doen. Absoluut niets. Het is onmacht in de overtreffende trap.

"Soms denk ik dat ik het allemaal heb overleefd door een talent voor talen. Ik sprak Swahili. Zo heb ik in een kamp in de brousse een Congolese vrouw ontmoet. Mijn drie oudste zussen waren we toen al kwijtgeraakt. Ik was de oudste geworden, de verantwoordelijke voor de familie. Die vrouw vroeg me hoe ik heette. 'Marie? Oh, mijn oudste dochter heet ook Marie. Waar komen jullie vandaan? En wat doen jullie hier? Waar gaan jullie heen?' Ik heb haar ons verhaal verteld, zij heeft ons een schuilplaats aangeboden. Ons leven is daar gered."

'Een vrouw nodig'

Of toch tijdelijk, want niet veel later keert de oorlogsgruwel in zijn hevigste vorm terug. "We zaten in een schuilplaats met mijn grootmoeder, mijn moeder, mijn twee jongste zusjes en mijn neef Denis, toen twee jaar oud. We zijn er ontdekt door de Maï Maï (lokale Congolese milities), die door de Rwandese regeringssoldaten verplicht werden ons te vermoorden. We dachten dat het hier zou eindigen. Maar ze boden ons een uitweg. 'Jullie kunnen iets doen', zeiden ze. Mijn moeder heeft hen gevraagd wat. 'Wij hebben een vrouw nodig.' Ze heeft toen gezegd dat ze haar moesten nemen, en dat ze haar kinderen moesten laten leven. Maar dat wilden ze niet. Ze wilden haar dochter hebben. 'Als we haar niet kunnen hebben, dan maken we jullie allemaal af.'"

Marie en haar familie hebben ook deze gruwel overleefd. Gruwel waar geen einde aan leek te komen. "Ik heb er nooit met mijn moeder over kunnen praten. Er kwamen nieuwe bombardementen. 'Pak Denis, loop, vlucht, zover je kunt. Kijk niet om.' Het is het laatste wat ze me ooit heeft gezegd. Mijn moeder is daarna teruggedreven naar Rwanda, waar ze is vermoord.

"Ik ben opnieuw beginnen te lopen. Met Denis op mijn rug. Ik denk het nog vaak: er was iemand die wilde dat ik dit overleefde. Als ik Denis niet had gehad, dan had ik het niet overleefd. Ik had iemand om voor te zorgen. En iemand die medelijden opwekte. Maanden zijn we samen door de Congolese regenwouden getrokken. Overal waar we kwamen, kregen we iets te eten.

"Ik weet niet precies hoe lang ik zo met hem op de vlucht ben geweest. Een paar maanden waren het zeker. We konden ook niet zomaar overal naartoe. De steden moesten we vermijden. Daar zaten de militairen te wachten op de vluchtelingen uit de brousse. Daar zouden ze ons met hun machetes afmaken. Zo bleven we rondjes lopen.

"Uiteindelijk zijn we uit de brousse gehaald door mannen van het Rode Kruis. Ik had over hen gehoord door de Congolese bevolking, die naar de steden ging om er hun palmolie te verkopen. Ze vertelden me over blanke mannen met witte hemden met een rood kruis. Ik besloot hen te vertrouwen. Het was dat of sterven."

Marie en haar neefje Denis worden door het Rode Kruis op een cargo richting Goma gezet. Ze arriveren er in een kamp voor minderjarige kinderen. "Wat ik er zag deed me denken aan de 'Thriller'-clip van Michael Jackson. Lijken die net uit hun graf waren gekropen. We kregen er melk en olie te drinken, om aan te sterken. Eenmaal aangesterkt zouden we naar Rwanda gestuurd worden. We wisten dat het daar zou eindigen.

"Omdat we uit het zuiden van Rwanda kwamen, werden we doorgestuurd naar de Congolese stad Bukavu, aan de grens met Rwanda, waar ik twee jaar eerder zo lang als vluchteling had geleefd. Ik kende de stad. Ik kende er mensen. Ik heb er contact gezocht met een Congolese broeder die ik kende via mijn tante, die non was. De broeder wist heel goed dat ik vermoord zou worden als ik naar Rwanda terug zou keren. Hij is me in het kamp komen bezoeken. Heeft me gezegd hoe ik kon ontsnappen. Hij heeft me geld gegeven voor een taxi.

"Ik heb toen een van de zwaarste beslissingen van mijn leven moeten nemen. Ik moest Denis achterlaten. Met hem had ik nooit ongemerkt uit dat kamp kunnen ontsnappen. Ik heb toen besloten om er niet over na te denken. Ik ben ontsnapt. Ik heb die taxi genomen naar het klooster. Ze hebben me er onmiddellijk in het toilet verstopt.

"Hoogstens een half uur lang duurde het voor de medewerkers van het vluchtelingenkamp, samen met Rwandese militairen van het FPR, de weg naar dat klooster hadden gevonden. Ze hebben het hele klooster uitgekamd. Ik heb hun botinnekes onder mijn wc-deur zien passeren. Maar ze zijn voorbijgegaan. De wc is denk ik de enige ruimte die ze niet hebben gecontroleerd.

"Nog dezelfde nacht heeft die broeder me naar zijn tante gebracht, ergens in de cité. Ik bleef er maanden in een donkere kamer verstopt."

Mensensmokkelaars

In dezelfde periode wordt in het geheim aan haar migratie naar Europa gewerkt. Haar jezuïtische netwerk zorgt voor het geld dat nodig is voor valse papieren. Met die papieren raakt ze via Oeganda in Nairobi, Kenia.

Hoe ze uiteindelijk in België is geraakt is een ander verhaal. Een thriller die heel even de allures krijgt van een komedie.

"Zonder de mensensmokkelaars zou ik hier nooit zijn geraakt. Maar het is natuurlijk een dubbel verhaal. Mijn eerste vluchtpoging is mislukt. Ik zou via Air France naar mijn tante in Frankrijk vliegen. Ze zou me in Parijs opwachten, maar daar ben ik nooit geraakt. Ik werd tegengehouden op de luchthaven. Waarschijnlijk was er niet genoeg geld gegeven aan het personeel dat de controles deed.

"De tweede poging lukte wel. Het was een vlucht van Sabena, via Brussel. Verder zou ik niet geraken. Ik was 17, een minderjarige nog. Ik mocht niet doorreizen. Ze hebben me toen in Steenokkerzeel gezet, 127 bis. Ik heb er gebeld met mijn tante, die me stond op te wachten in Parijs. Tevergeefs.

"Mijn tante heeft toen een advocaat ingeschakeld, Alexis Deswaef (vandaag voorzitter van de Liga van de Mensenrechten, JdP). Hij heeft ervoor gezorgd dat ik er na enkele dagen weg mocht. De rit die volgde zal ik nooit vergeten. Ik werd weggevoerd met een combi, vergezeld door een stuk of vier agenten. Een bijzondere ervaring. Het had gesneeuwd. Overal zag ik bomen zonder bladeren. Ik begreep niks van dit land."

Marie Bamutese kwam in het asielcentrum van Kapellen terecht. Ze werd opgevangen in een pleeggezin. Via de middenjury haalde ze haar middelbaar diploma. Niet veel later vond ze werk. Nu werkt ze voor de stad Antwerpen en binnenkort studeert ze af als bachelor sociaal werk.

En dan was er nog die man. Vijf jaar geleden zag ze zijn werk voor het eerst op televisie. Een oudere man die even onderlegd als bezield over haar thuisland kon spreken. Ze stuurde hem een mail. Van het een kwam het ander.

Vandaag leven ze samen. Hebben ze samen een kind. Samen hebben ze naar het opschrift gekeken. "Negers!"Geen van beiden bleef er onbewogen bij. Samen hebben ze het opschrift verwijderd.

En nagedacht over politiek.

"Wat ik meegemaakt heb in Rwanda", zegt Marie, "dat heeft mij alleen maar veel gevoeliger gemaakt. En scherper. Ik denkt dat ik een soort zesde zintuig voor onoprechtheid heb ontwikkeld. Ik zie het onmiddellijk, als mensen bepaalde bedoelingen hebben. Peter is daar naïever in. Hij gelooft nog echt in politiek. Ik niet. Politiek gaat over macht. Politiek doodt het hart."

Tot slot nog, bijna vergeten. Heeft Marie ooit nog iets van haar neefje Denis vernomen? De vraag doet haar stralen. "Hij heeft het overleefd. Ze hebben hem gerepatrieerd. Een lang verhaal. Maar hij woont vandaag in Metz. Hij speelt rugby voor een nationale ploeg van Frankrijk. Survival of the fittest, ja."

Meer over de Rwandese tragedie vindt u in: Peter Verlinden, Het goud van Congo, Houtekiet / VRT Nieuwsdienst, 256 p., 19,95 euro.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234