Dinsdag 12/11/2019

'Ik heb geen writer's block, ik ben gewoon aanhet eind van mijn Latijn'

'Misschien ben ik in één verhaal over de schreef gegaan. Ook wat racisme betreft. Maar je kunt van mening veranderen, hoor. Het is maar normaal dat je tussen je twintigste en tachtigste evoluties doormaakt, niet? Je moet dat ook allemaal zien in de tijdgeest ''Ik heb een ego, ja. En ik ben ook egocentrisch, zoals de meeste mensen. Toch zijn er ogenblikken geweest waarop ik niet trots was op mijn werk''Ik krijg enorm veel correspondentie, maar als iemand vraagt of ik nu stop met het tekenen van 'bazekes', dan vind ik dat denigrerend. Ik teken geen 'bazekes'. Alstublieft zeg''Ja, ik heb spijt. Spijt dat ik niet gestopt ben op mijn vijfenzeventigste'

Dagbladverschijnsel Nero heeft zijn weinige haarsprieten voorgoed platgestreken en het publiek een definitieve afscheidskus gegeven. Het zopas verschenen Zilveren tranen - album 217 - is meteen het laatste. Geestelijke vader Marc Sleen heeft zich twee jaar op het afscheid kunnen voorbereiden, maar het valt hem toch zwaar. 'Ik zit in een zwart gat. Het voorbije jaar heb ik niet één Nero-kopje getekend.' Gesprek met een fiere man over zijn ego, de dood, de politiek en zijn dubbelleven. 'Ik dacht altijd: mijn pensioen komt later wel. Maar ik ben nu eenentachtig en zie dat ik mij vergist heb. Ik kan niet meer.'

Geert De Weyer

Foto Stephan Vanfleteren

'Niet schrijven!" Het klinkt streng, en het verlaat zijn lippen nog voor mijn balpen het notitieblok heeft geraakt. Marc Sleen praat niet over zijn verleden, zo laat hij dadelijk weten, terwijl hij zich nog op de sofa aan het installeren is. "Dat komt mijn blazoen niet ten goede", argumenteert hij. "Sorry, maar het is zo. Ik wil wel dat je schrijft dat ik er tweehonderd zeventien Nero's op heb zitten en dat ik in de adelstand ben verheven. Daar ben ik zeer gelukkig mee. Maar niet dat ik de diepste miserie heb meegemaakt, dat ik honger heb geleden, geslagen en vernederd ben door Vlamingen en Duitsers. Dat is mijn privé-leven. Dat is allemaal mooi voor een roman van Jef Geeraerts. En voor de journalisten van Humo en Dag Allemaal, natuurlijk. Ik ken ze. Ze komen hier binnen en zeggen: 'Meneer Sleen, u bent nu rijk, bekend en beroemd zelfs, maar vanbinnen bent u een zeer ongelukkig mens, niet?'. Wel, verdomme, ik kan u verzekeren dat ik 's nachts nog zwetend wakker lig van al die herinneringen. Maar daar wil ik niet over spreken. Dat hoort niet."

Op de salontafel bromt de recorder, een stille getuige die later, bij momenten, monddood zal moeten worden gemaakt. Marc Sleen weet van geen ophouden, die dag. Off the record vertelt hij honderduit, on the record sterft een stuk van zijn verhaal noodgedwongen een stille dood. Mocht er een kleine Tuizentfloot in me rondwaren, mijn sabelzwaard had uit frustratie allang het opnametoestel doormidden gekliefd. Aha! Pas een halfuur nadat hij zelf het interview geopend heeft met de zin: 'Waar ik het vandaag met u over wil hebben, is het volgende...' geeft Sleen te kennen dat het aan mij is. "Want het zijn uw vragen, hé?" De ruimte daarvoor heeft hij ingevuld met zijn eigen verwondering. Verwondering over zichzelf, zijn leven, zijn werk. Eén anekdote is volgens Sleen typerend voor de situatie waarin hij zich nu bevindt. "Vorig jaar met kerst heb ik van de muur hierachter drie kaders verwijderd. Een grote, zware klinknagel kreeg ik daarbij niet uit de muur. Ik heb er dan maar een kleinigheid over gehangen. Pas eergisteren viel dat me op. Eergisteren! Dat kan toch niet, dacht ik. Het was verdorie een jaar geleden. Waar is dat jaar dan naartoe? Wel, dat is voorbijgevlogen. Dat stemt tot nadenken, en daar wil ik eens even over spreken.

"Ik heb zevenenvijftig jaar gewerkt en ben gestopt op mijn tachtigste verjaardag. Het maken van al dat werk is zo zenuwslopend en druk geweest, dat ik sindsdien geen potlood meer heb aangeraakt. Ik heb zelfs geen Nero-kopje meer getekend. Ondertussen heb ik mij steeds opnieuw afgevraagd hoe dat mogelijk is. Wellicht ben ik terechtgekomen in dat fameuze zwarte gat waarover men altijd spreekt. Mij ontbreekt momenteel de lust om iets te doen. Weet u, als ik zo naar mijn werk kijk, kan het niet anders of ik moet een enorme energie gehad hebben. Dat verontrust en verbaast me tegelijkertijd. Ik heb een dubbelleven geleid, dat mag u rustig schrijven. Zevenenvijftig jaar lang heb ik getekend en scenario's geschreven. Dat is meer dan een halve eeuw. Ik heb de laatste jaren een ongelooflijk fantastische assistent gehad, dat zeker, maar Nero was toch vooral mijn creatie en niemand anders dan ikzelf heb de scenario's geschreven. Ik kan het amper geloven. Maar dat is slechts één facet van mijn leven. Ik herhaal: ik heb een dubbelleven geleid. Vijfendertig safari's heb ik erop zitten. Vijfendertig! Telkens van een maand, in totaal goed voor drie jaar brousse.

"Om in het droog seizoen, in januari en februari, dat tweede leven te kunnen leiden, moest ik weken aan een stuk werken, zaterdag en zondag incluis. Terwijl anderen op vakantie gingen, zat ik te werken. Ik moest op zijn minst drie weken reserve hebben om naar Afrika te kunnen gaan. Ik stond 's morgens om halfzeven op en zat 's avonds, in mijn pyjama, nog altijd te tekenen. Ik heb nooit in de zon kunnen liggen. Ook in Afrika niet. Als mijn huid al een beetje gebruind was, was dat van het rechtopstaand filmen in de wagen, van 's morgens tot 's avonds."

Sleen schudt het hoofd. "Ik zou willen dat je dat eens opschrijft. Dat schrijft geen journalist, maar het is wel mijn leven geweest. (oprecht verbaasd) Echt, ik weet niet hoe ik dat gekund heb. Om een voorbeeldje te geven. In mijn bureau legde men ooit het werk van één week allemaal op mekaar. Terwijl ik ernaar zat te kijken, dacht ik: mocht er nu brand uitbreken, dan zou ik nooit de moed kunnen opbrengen om het opnieuw te tekenen. De jongste tijd vraag ik me vaak af hoe ik die honderden safarifilmvoorstellingen ben gaan geven in Sint-Truiden. Ik vloog daar naartoe in mijn Porsche en dronk heel wat, want hoe meer ik dronk, hoe plezieriger de mensen dat vonden. Maar 's morgens stond ik weer om halfzeven op om te tekenen. Ik denk dat ik zoveel energie heb gehad dat het misschien wel normaal is dat ik nu leeggezogen ben. Het is geen writer's block, hoor. Ik ben gewoon aan het eind van mijn Latijn. Mensen vragen me wanneer er nog eens een nieuw verhaal komt. Maar... ik zou het niet meer kunnen. Echt niet."

Sleen spreekt er nu met enig gemak over. Nog niet zo lang geleden was dat anders. In mei zat hij in zak en as. De tekenaar klonk toen bijna wanhopig, haalde een sombere toekomst voor ogen en verwonderde zich over de grote muren die recht en links van hem opdoken. "Ik geloofde nochtans niet in dat zwarte gat. Ik vond dat flauwekul. Als ik met 'Nero' zou stoppen, zo dacht ik, zal ik tijd genoeg hebben voor andere zaken. Tekenen, schilderen, dat wilde ik doen. Nu, ik voel dat ik dat opnieuw zal willen, daar ben ik van overtuigd. Maar ik zal het niet meer móéten! Er is een verschil tussen moeten en mogen. Nu mág ik. Alleen: ik heb er helemaal geen zin meer in.

"Ik wil je iets laten zien", zegt Sleen, en hij troont me mee naar zijn televisiekamer. In de gang passeren we een in glas gekadreerde verzameling van zo'n tweehonderd Afrikaanse, kleurrijke vlinders, zorgvuldig op spelden geprikt. "In Oeganda gevangen", klinkt het met enige trots. "Enfin, laten vangen door mijn helpers." Afrikaanse beeldjes sieren links en rechts de vitrines, met ergens daartussen een vrolijk ogende, gipsen Nero. In de televisiekamer is het een en al chaos. Enkele honderden kaartjes, dichtgevouwen op de sofa of opengeslagen op de kasten, wachten er op een antwoord. Het ene werd verstuurd vanuit Nieuw-Zeeland, op een ander hebben de afzenders zelf Nero-personages getekend en in een zes pagina tellende brief wordt Sleen bedankt voor de "energie en vitamientjes" die hij de briefschrijver jarenlang heeft bezorgd. "Ik krijg er elk jaar met Kerstmis zo'n driehonderdtachtig. Dat is een marteling voor mij. Gaston Durnez en Willy Vandersteen zeiden tegen mij dat ze die post niet beantwoordden. Ze hebben me ooit aangeraden daar een equipe op te zetten. Maar ik beantwoord ze allemaal. Dat is veel werk, en gelukkig helpt mijn vriendin me daarbij, maar ze verdienen allemaal wel een kaartje. Het zijn mijn fans, nietwaar. Jaarlijks laat ik enkele honderden kaartjes drukken. Ze zijn net gearriveerd, wil je ze zien?"

Sleen maakt een vertwijfelde indruk. Hij houdt van zijn fans, zegt hij, maar dit jaar ziet hij op tegen het vele werk. Even later, wanneer ik opper dat het wel lijkt of hij lijdt onder al dat werk, toont hij zijn handpalm. "Ik heb er nooit in geloofd, maar je hebt naast een tenniselleboog en een voetballersknie ook een tekenaarsduim. Ik heb dat eens gehad na het zetten van zevenhonderd handtekeningen in het Sportpaleis. Die pees hier (wijst op de muis van zijn duim) deed zo'n pijn dat ik er niet van kon slapen. De dokter zei dat het een tekenaarsduim was en heeft me daar een injectie tot op het bot gegeven. Zeer pijnlijk, maar 's anderendaags was de pijn wel weg.

"Het houdt ook niet op (wijst op enkele uitvoeringen van Zilveren tranen, liggend op de salontafel). Mijn uitgeverij heeft me net vijftienhonderd boeken gebracht. Relatiegeschenken, luxe-edities, speciale edities, ik mag ze allemaal signeren. Een week geleden mocht ik ook zo'n duizend filatelieboekjes met de nieuwe Nero-zegel signeren, dubbele blaadjes met drie postzegels erop."

Filatelie. Zijn ogen glinsteren plots, Sleen veert recht en komt als een trotse vader aanzetten met een boekwerkje dat een "unieke zegel" verpakt. De tekenaar schittert als strippersonage op de postzegel naast zijn karakter Nero. "Dat is uitzonderlijk", verduidelijkt hij, "want enkel de leden van de koninklijke familie mogen hun portret op een postzegel aanbrengen, de anderen - meestal kunstenaars - moeten overleden zijn." Er klinkt eerbied in zijn stem. Eerbied voor het koninklijk huis ook, dat hem in 1998 nog in de adelstand verhief. Op ingelijste foto's is Sleen samen met koning Boudewijn of koning Albert II te zien. Hij is bijzonder trots op zijn band met de koninklijke familie. "Dat kan iemand van me afpakken", zegt hij. Erkenning met een grote E.

Echt onderkend heeft hij zich in zijn rijk gevulde carrière nooit gevoeld, zegt Sleen. Desondanks wil hij wel eens in de verdediging kruipen. "Niet iedereen houdt van strips. Een van mijn drie broers deed het niets, terwijl de anderen mijn strips lazen en steeds weer wilden weten wat er zou gebeuren. Zeer, zeer geïnteresseerd waren ze. Ook al heb ik me nooit ondergewaardeerd gevoeld, ik heb wel ondervonden dat mensen strips op een andere manier beschouwen. Naast humoristische strips als 'Asterix' heb je de realistische strip. Bijvoorbeeld het werk van die man die nu ook een adellijke titel heeft gekregen: François Schuiten. Diens werk is gebaseerd op architectuur. Prachtig getekend. Schuiten werkt een maand aan één plaat. En zo zijn er nog. 'Blake en Mortimer' bijvoorbeeld. Of Moebius. Mensen zeggen vaak dat ze dat soort strips liever lezen en kijken een beetje minachtend naar onze soort, humoristische strips. Zoals mijn goede vriend Walthéry (tekenaar van 'Natasja', GDW) zegt: 'Je fais les petits Mickeys'. In de Walen spreken ze niet van de bande dessinée, maar van 'le petit Mickey'. Ik merk dat soms ook. Ik krijg enorm veel correspondentie, maar als iemand vraagt of ik nu stop met het tekenen van 'bazekes', dan vind ik dat denigrerend. Ik teken geen 'bazekes'. Alstublieft zeg.

"Nog zoiets: toen ik hier in deze villa kwam wonen werd ik naar een stukadoor gestuurd enkele straten verderop. Een zwaarlijvige vrouw kwam er de deur opendoen en op mijn vraag of de stukadoor thuis was, draaide ze haar hoofd naar achteren en riep: 'Jean, 't is de mannekesmoaker van 't kasteel' - zo noemden ze toen mijn villa. Ik zeg: pardon? (grijnst) Ik ben voor de gewone mens dus een mannekesmoaker, hé. Nog altijd heb je mensen die denken dat strips maken enkele tekeningskes produceren is. Dan denk ik: potverdorie, strips is de negende kunst. Echt waar, dat is verdomme kunst. Als ik zie wat andere tekenaars ervan bakken... Als ik zie wat Cobra brengt. Grote kunst? Dat zal wel, maar ik zie niet meer dan een paar strepen en vegen waar enorm veel geld voor gegeven wordt. Voor mij moet kunst vormgeving zijn, het moet iets uitbeelden. Pas op, Jan Hoet ziet dat anders. Als Jan Hoet een laken op de tafel werpt en daar drie kasseien op legt om er vervolgens met enkele mensen rond te gaan staan en te zeggen dat het kunst is, dan kan ik daar niet mee akkoord gaan. Maar goed, we hebben een andere visie, en dat mag. We zijn zeer goede vrienden en hij houdt van 'Nero', dus geen slecht woord over Jan..."

Toen enkele jaren geleden de Vum liet weten 'Nero' te willen opdoeken, brak dat Sleens hart. Eenzelfde gevoel overmeesterde hem toen vorig jaar het contract met De Standaard en de Standaard Uitgeverij afliep. Pas later kon hij alles plaatsen, zegt hij nu. "Ik realiseerde me plots dat het echt wel genoeg geweest was. Eén: ik had geen kinderen. Twee: ik was tachtig. En drie: ik had verschrikkelijk hard gewerkt. Daar ben ik ook voor beloond geweest met een vermelding in het Guinness Book of Records (in 1989, voor het schrijven, inkten en tekenen van 154 verhalen in veertig jaar, GDW) en ik ben in de adelstand verheven. Je kunt zeggen dat dat à-côtés zijn, maar toch... Ik heb mijn strepen verdiend.

"Het is al te dwaas: de mensen gaan op hun vijfenzestigste met pensioen, tegenwoordig zelfs al op vier- en tweeënvijftig. Dan kun je nog van je leven profiteren. Ik dacht dat ik dat ook kon na mijn pensioen. Op naar Afrika, dacht ik. Maar ik ben nu eenentachtig en ik zie dat ik mij vergist heb. Ik kan niet meer. Ik hou niet meer van lawaai of van drukte en kan niet meer stappen zoals vroeger. Ik kan geen hele dag in de savanne rondlopen op zoek naar gorilla's. Die tijd is volledig voorbij. Nu heb ik zelfs last als ik tweehonderd meter moet stappen. Ik doe mijn uiterste best, maar mijn lichaam laat het gewoon niet meer toe.

"Ja, ik heb spijt. Spijt dat ik niet gestopt ben op mijn vijfenzeventigste. Maar ik dacht dat ik sterk was en nog altijd bomen kon verzetten. Ik zwom toen ook nog alle dagen. Het kan snel gaan, kijk maar naar Armand Pien. Hij moest hier op maandagmorgen komen zwemmen en hij kwam maar niet. Ik bel hem en ik hoor een vrouwenstem zeggen dat hij die nacht is overleden. Hartinfarct, net zoals zoveel Vlaamse collega-tekenaars en vrienden van mij plotseling overleden zijn. Er is geen enkele Vlaamse of Waalse tekenaar - Willy Vandersteen, Morris, Bob De Moor, Hergé - die tachtig is geworden.

"(even stil) Het is lastig geweest. Mij spijt het - en dat mag u wel schrijven - dat ik een kind heb verloren. Een prachtig zwartharig manneke, dat te snel is weggegaan. Maar ik heb nu opnieuw een kind verloren. Mijn geestelijk kind. En ik mis hem. Ik open dagelijks De Standaard en ik zie hem er niet meer in staan. Ik vind dat Nero schittert door zijn afwezigheid. Ik las dat graag. Sorry, dat klinkt heel pretentieus, maar toch. Mijn dag was goed als ik mezelf erin zag staan en zag dat het goed was. Nu, je kunt dat zomaar niet in de krant zetten. (twijfelend) Of, tja... Mag je van jezelf zeggen dat het goed is? (vastberaden) Wel ja, ik denk dat een mens dat op zijn eenentachtigste wel mag."

Tendentieus. Pretentieus. Ego. Het hoge woord is eruit. Polsend naar zijn zin voor zelfrelativering zeg ik dat ik hem heb leren kennen als een man met een groot ego. Anders dan verwacht stemt hij daar onmiddellijk mee in. "Ik heb een ego, ja", klinkt het doodeerlijk. "En ik ben ook egocentrisch, zoals de meeste mensen. Toch zijn er ogenblikken geweest waarop ik niet trots was op mijn werk. Ook wat mijn schilderwerk betreft. Ik joeg me op om het af te krijgen, maar als het eenmaal voltooid was, vond ik het vaak niet 'af'. Weet je, ik heb nooit de pretentie gehad om te zeggen dat het fantastisch werk was. Ik was nooit echt tevreden. Iemand die honderd procent tevreden is, is in mijn ogen geen kunstenaar. Dat zou niet mogen. Niet bij het schrijven van een boek, niet bij het schilderen van een doek. De perfectie bestaat immers niet, maar of dat iets te maken heeft met egocentrisme? Ik ben egocentrisch in die zin dat ik hoop dat wat ik realiseer goed is. De onuitputtelijke energie die ik ben kwijtgeraakt, dat kun je zeker associëren met egocentrisme, je ten volle inzetten om je doel te bereiken. Maar misschien heb ik het wel niet bereikt - ik ben nooit internationaal beroemd geworden. Dat spijt me wel, ja."

Of hij nu spreekt vanuit zijn menszijn of kunstenaarschap, wil ik weten.

"Het hangt aan mekaar. Ik heb van niets spijt in mijn leven. Ik heb niemand iets misdaan, niemand gehinderd. Ik kan me evenmin beklagen dat de Duitsers mijn tanden hebben uitgeklopt, dat ik in de Nieuwe Wandeling heb gezeten. Al die zaken, die mislukkingen van mijn leven. Nu ja, 'mislukkingen'... Het is niet prettig om in een cel te zitten met zes mensen van wie er vijf gefusilleerd zijn. Dat beklijft en geeft je slapeloze nachten. Maar dat heeft niets met mijn werk te maken. Daar wil ik niet over uitweiden. Dat ik mijn hele leven zo hard gewerkt heb, is misschien wel een tegenhanger om net die frustraties weg te werken.

"Kijk eens, dit zal ik u zeggen: de ene dag zit ik in in de hemel en de andere dag zit ik in de hel. Gelijkmatig ben ik nooit. Ik ben geen lamme kloot die het allemaal op zijn beloop laat. Ik verzet mij, in mijn werk en in mijn gedachten. Mijn goede vriend Hec Leemans zegt dat ik een tedere terrorist ben. Wel, dat aanvaard ik slechts gedeeltelijk. Een tedere anarchist, dat wil ik wel zijn, zeker wat mijn stripverhalen betreft. Goed, Nero was de eerste die geweld pleegde, maar ik nam het altijd op tegen het geweld. Het is Tuizentfloot die de heilige huisjes intrapt. Tuizentfloot laat ik wel veel zeggen. Niemand die hem tegenspreekt. Ook ik niet. Nu ja, Nero heeft eigenlijk ook lak aan de wet. Totaal verkeerd, want je mag niet spotten met de arm der wet. Niettemin doe ik niets anders als tekenaar.

"Als tekenaar, hé. Als mens ben ik zeer opmerkzaam in het verkeer. Ik respecteer de wet, ik vind ze noodzakelijk. De tien geboden vind ik ook zo mooi. Niet vanuit katholiek oogpunt, hoor, verre van. 'Respect voor mensen', hoor je hen altijd zeggen. Pfff, dikke onzin. Mensen zijn te egoïstisch om hun naasten te beminnen als zichzelf. De katholieke kerk zegt dat, als je een slag krijgt, je je andere wang moet aanbieden. Alsjeblieft, zeg. Kijk maar eens wat er gebeurd in Libanon, Israël en Irak. Er is haat en geweld, er is niet langer sprake van liefde. In Algerije snijden ze iedere week twintig tot dertig vrouwen en kinderen de hals door. (verwonderd) En dat staat zo in de kranten! Dat zijn toch geen beesten, verdomme! Dat begrijp ik allemaal niet. Maar bon, we hadden het over Nero. Men heeft me wel eens verweten dat er te veel geweld werd gepleegd in mijn strips. Dat Nero te snel op de vuist gaat. Ik stel daar tegenover dat er altijd een rechtvaardig doel aan de basis lag."

Marc Sleen ontkent niet dat hij in de loop van de jaren veranderd is. Rouwig is hij daar niet om. De tijdgeest, zo zegt hij, heeft niet alleen hem maar ook Nero in vroegere jaren in zijn greep gehad. Bekend waren zijn krasse, vrouwonvriendelijke uitspraken in Mimo begin jaren zeventig, naar aanleiding van de scherpe kritiek die hij van Nederlandse feministen had gekregen op het album De dolle Dina's. Ook zijn politieke gekleurdheid viel op te maken uit Nero's handel en wandel.

"Dertig jaar geleden behoorde ik inderdaad tot de categorie die de vrouw achter de kookpotten wilde zien staan. Ik heb op een gegeven moment gedacht - en misschien ook wel geuit - dat de vrouw het allerbest is als liefhebbende echtgenote, die zorgt voor haar kroost en eten maakt voor haar man. Maar daar ben ik van teruggekomen.

"Bon, ik heb een vingerwijzing gekregen van de feministen. En misschien ben ik in één verhaal over de schreef gegaan. Ook wat racisme betreft. Maar je kunt van mening veranderen, hoor. Je moet dat ook zien in de tijdgeest. Nero is apolitiek, maar aan het begin van mijn carrière werkte ik in opdracht. Het was eenrichtingsverkeer. Alles wat blauw en rood was, socialistisch en communistisch was, moest 'genekt' worden. Als beginnende tekenaar had ik zelf geen ambities, die werden me opgedrongen. Mijn vader moest ook absoluut niets hebben van de Duitsers, hij vond dat barbaren, smeerlappen, verkrachters. Ons werd ingepompt dat het duivels waren. Mijn moeder was eenzelfde mening toegedaan. Maar toen ik voor het eerst Duitsers ontmoette, waren dat mooie, deftige jongens. Zijn dat nu die schurken die de vrouwen verkrachten, dacht ik. Dat wil uiteraard niet zeggen dat je daarom Duitsgezind of nazi moest worden. Ik had vrienden die dat wel werden en zelfs ten strijde trokken tegen het communisme. Ik weet niet wie hen heeft aangepraat dat die 'barbaren' bestreden moesten worden, maar de Duitse propaganda was verschrikkelijk.

"Maar goed, het gaat hier over Nero, mijn geesteskind. Wat ik wil zeggen is dat ik die invloed ook onderging. Ik had er zelf mijn mening over. Dat is zo gebleven tot 1962, maar het is maar normaal dat je tussen je twintigste en tachtigste evoluties doormaakt, niet? Dat zie je nu in De Standaard ook. De strijd tegen het communisme ebt weg. Maar ik ben snel honderd procent apolitiek geworden. Ik vind het allemaal flauwekul. Ook internationaal. Ik verdedig nog altijd zekere waarden, zogezegde katholieke waarden. Tja, God, hoe komt dat? Ik ben zeer streng katholiek opgevoed. Ik was al vanaf mijn vijfde misdienaar, ik dacht dat ik naar de hel zou gaan als ik zou zondigen.

"Mijn moeder was erg katholiek, bijna calvinistisch. Ik mocht me zelfs niet naakt wassen, dat ging heel ver, hoor. Mijn broer is in de orde van pater Damiaan ingetreden. Dat was een heilig man, zo dachten we er toen over. Die hele rimram heeft me op een erg katholieke manier doen leven. We moesten naar de kerk, naar de vespers - tot het mijn oren uit kwam. Ik heb dat nooit durven zeggen en ik wou het ook nooit gepubliceerd zien zolang mijn broer leefde, want die las mij. Daar was ik bang voor. Ik wilde niet ageren tegen alles wat geestelijk is, tegen de paus en de katholieke kerk. Dat is pas langzaam aan veranderd. Ik geloof nog altijd in het betrachten van vredelievendheid zonder je politiek te engageren. Al die internationale politieke heibel waar slachtingen aan te pas komen... Neem nu de strijd tussen protestanten en katholieken in Ierland. Ze deinzen er niet voor terug elkaar te vermoorden, smijten stenen naar kinderen. Dat fanatisme begrijp ik niet.

'Zie, daar zijn ze allemaal belichaamd." Sleen wijst naar een groot, bordkartonnen silhouet, uitgestald tegen een muur van zijn salon. Het is de cover van het laatste album Zilveren tranen. Daarop bevinden zich Nero's aartsvijanden als Matsuoka, Hela de heks, Geeraard de Duivel, professor Ratsjenko, Ricardo en Pietje de Dood. Hun tekenaar vertaalt hen als "de misdaad, het verderf, de corruptie, de maffia en de boosaardigheid". Hij wijst op de ergste van de hoop: de man met de zeis. De vraag ligt voor de hand. "Schrijf maar op: ja, ik heb angst voor de dood. Soms hoor ik mensen zeggen dat ze ze zich gewonnen kunnen geven aan de dood, dat ze rustig zullen kunnen inslapen als hij zich aanbiedt. Dikke zever! Mijn fantasie is nog niet aan het uitsterven, en dat zal hopelijk ook niet snel gebeuren, maar ik ben bang voor de dag waarop ik niet meer kan genieten van de natuur, dat ik de pracht van de lente en de sneeuw niet meer kan aanschouwen. Misschien word ik wel blind. Of doof. Dan hoor ik de vogels niet meer. Dat lijkt me verschrikkelijk. Ik weet het allemaal wel, hoor. Als je dood bent groeit er gras op je graf, vreten de wormen je helemaal leeg. Dat vind ik zo beangstigend klinken. Het schrikt me af. Ik wens me zo geen einde toe.

"Weet je, ik ben ook niet iemand die stil kan zitten. Ik kan niet in een zetel gaan zitten en zeggen van 'Ha, nu ben ik oud, nu ga ik de hele dag televisiekijken. Dan word ik zot. Ik moet iets doen. Ik ben nu mijn kelders aan het schoonmaken en vind daar dingen die ik allang kwijt was. Zo ben ik op mijn safarifilmbanden gestoten. (trots) Het Kadoc heeft me beloofd ze allemaal te kopiëren op videocassette. Daar ben ik erg tevreden over. Hopelijk realiseren ze zich dat ik driehonderd bobijnen heb met materiaal. (fijne grijns)

"En weet je wat ook prettig is? Het zal blufferig klinken, maar toen ik laatst een 'Nero'-album opensloeg uit 1962 kon ik me met de beste wil van de wereld niet herinneren wat er zou gaan gebeuren. En ik vond het best interessant. Op de tweede pagina dacht ik: tiens, is dat allemaal uit mijn pen gekomen? Vroeger vond ik dat slecht en stuntelig getekend, maar nu heb ik mij daarbij neergelegd. Hergé had dat overigens ook. Hij wilde later niet dat zijn eerste album, Kuifje in het land van de Sovjets, gepubliceerd werd. Ik kan nu wel inzien dat mijn vroeger werk een zekere stijl heeft. Je ziet dat het van mij is. Ondanks de stunteligheid is het apart. Maar het voor mij meest verbazingwekkende was dat ik ermee moest lachen. Ongelooflijk toch, er eerst niets van moeten weten, om het in uw oude dagen plots goed te vinden. Heel eigenaardig is dat."

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234