Woensdag 28/07/2021

Zomerzielen

'Ik had het gevoel dat ik in het universum van de coolheid had vertoefd'

null Beeld Charlotte Dumortier
Beeld Charlotte Dumortier

In de reeks Zomerzielen verklaren 'De Morgen'-redacteurs op prozaïsche wijze hun liefde aan de zomer. In deze aflevering haalt Joël De Ceulaer herinneringen op aan een wandelende Elvis-encyclopedie met 'white line fever'.

Als prille tiener had ik twee idolen. Mohammed Ali en Elvis Presley. Dat plaatste mij, qua rolmodel, voor een levensgroot dilemma. Wiens voorbeeld moest ik volgen? Dat van de beste bokser aller tijden, de man die fladderde als een vlinder maar stak als een bij? Het trok me wel aan, maar het betekende dat ik zeer gedisciplineerd zou moeten leven: elke dag lopen, boksen, touwtjespringen en eten volgens een strikt dieet. Of moest ik veeleer de weg inslaan die Elvis had gevolgd, de beste zanger aller tijden? Die keuze trok me ook wel aan, want ze liet een wat lossere levensstijl toe: meer seks en drugs en rock-’n-roll, en de mogelijkheid om op elk gewenst moment van dag of nacht hamburgers met frieten en pannenkoeken te laten overvliegen uit je favoriete snackbar in Memphis.

Joël De Ceulaer. Beeld Bob Van Mol
Joël De Ceulaer.Beeld Bob Van Mol

Ik koos, na ampel beraad, voor Elvis. En dus kocht ik van het geld dat het Heilig Vormsel mij had opgeleverd, mijn eerste gitaar. Ik leerde erop spelen in de week nadat Elvis voor het laatst the building had verlaten. Toeval, jawel, dat toesloeg in de zomer van 1977.

Dat kwam zo. In augustus 1977 mocht ik, als 12-jarige knaap, voor het eerst een weekje meerijden met Jules, een aangetrouwde neef die vrachtwagenchauffeur was en naar wie ik enorm opkeek. Jules was niet alleen een wandelende Elvis-encyclopedie, hij kon van sommige songs van The King een niet onverdienstelijke versie ten beste geven terwijl hij zichzelf begeleidde op zijn gitaar. Dat wilde ik ook kunnen. En dus had ik, behalve mijn bagage, uiteraard die gitaar meegenomen toen ik op dinsdag 16 augustus, de avond voor ons vertrek, alvast bij hem thuis ging logeren – we moesten die woensdag al voor dag en dauw uit de veren en on the road. Eerst naar Denemarken, dan naar Zweden.

“Elvis is dood.” Ik schat dat het ongeveer halfvier ’s ochtends was toen Jules mij met die drie woorden wakker maakte. Zijn wekkerradio stond altijd afgestemd op AFN Shape, de zender van in Duitsland gelegerde Amerikaanse soldaten, en zo hoorden wij het met een paar uur voorsprong op het Vlaamse radionieuws. Elvis was dood. In elkaar gestuikt in zijn badkamer in Graceland, hoorde ik de Amerikaanse radiopresentator zeggen terwijl ik de slaap uit mijn ogen wreef, de autopsie was nog volop bezig.

Ik mag niet zeggen dat ik echt verdrietig was toen ik een uurtje later in de Scania-truck van Jules klom. Er was natuurlijk iets ergs gebeurd, mijn muzikale held was bezweken aan een overdosis drugs en hamburgers, maar dat maakte de trip met Jules alleen maar spannender en intenser. Hij speelde de ene cassette van Elvis na de andere en ik voelde mij extra gemotiveerd om die eerste akkoorden op mijn gitaar onder de knie te krijgen: van Am naar C naar Am naar C naar Am naar C naar Am naar C. Tot mijn vingers ervan begonnen te bloeden. “Een echte man speelt gitaar”, grijnsde Jules dan. “Blijven oefenen. Elke dag, tot er eelt op je vingertoppen staat.”

Vandaag is er niets meer dat mij aantrekt in het beroep van vrachtwagenchauffeur. Het lijkt mij akelig om dag in, dag uit opgesloten te zitten in zo’n kleine cabine, kilometers vretend langs die eindeloze witte strepen op de weg, van de ene file naar de andere – en dat allemaal omdat je die ene ellendige container van A naar B moet slepen. Als 12-jarige knaap dacht ik daar helemaal anders over. Ik zag dat Jules genoot van het leven on the road. Hij was een eenzaat die hield van de immer wijkende horizon, een vrijbuiter die doodongelukkig geworden zou zijn van een gewoon kantoorbaantje. Die witte streep op de weg, daar was hij aan verslaafd, zei hij. White line fever, noemde hij het. Dat leven, dat wilde ik ook. Was Elvis ook niet begonnen als truckchauffeur? Wel dan.

Afkicken

Van die eerste trip met Jules herinner ik me weinig details. Alleen dat we in Kopenhagen Tivoli Park bezochten, en daarna met de vrachtwagen op de boot naar Malmö moesten – ik heb de foto’s nog die we op die boot maakten. Slapen deden we in de truck. Al moest ik altijd eerst een vol halfuur oefenen op de gitaar. Het gevoel dat ik kreeg toen ik voor het eerst op een min of meer klankwaardige manier mijn vingers van C naar Am naar G7 kon sturen, is alleen te vergelijken met het gevoel dat ik kreeg toen ik voor het eerst een plaat van Elvis opzette en het nummer ‘Hound Dog’ hoorde – ‘Dit is het!’

Dat gold eigenlijk voor die hele trip. Jules was de eerste mens die ik het woord ‘cool’ actief hoorde gebruiken, en dat woord vatte het voor mij perfect samen. Leven in een truck was cool, gitaar spelen was cool, Engels spreken in Scandinavië was cool, alleen al het woord ‘cool’ uitspreken was geweldig cool – te mijner verdediging stip ik nog even aan dat ik dus pas 12 (twaalf) was geworden en in Olen (Olen) ben opgegroeid.

Terug thuis maakte een wurgende melancholie zich voor het eerst in mijn leven van mij meester. Als moest ik na die ene week al afkicken van white line fever. Het idee dat ik na de vakantie weer naar school moest, dat ik weer tussen vier onbeweeglijke muren moest leven, stemde mij droef te moede. Ik was een paar dagen lang zo neerslachtig dat mijn moeder zich afvroeg of ik onderweg misschien drugs had genomen. Nee, dus. Ik had wel het gevoel dat ik in een ander universum had vertoefd, het universum van de coolheid, en dat de zomer nooit meer zo betoverend zou worden. Ook al was Elvis dus dood.

Heartbreak Hotel

Twee zomers later mocht ik weer meerijden. En ook toen had het noodlot toegeslagen vlak voor ons vertrek. Niet in Graceland te Memphis, deze keer, maar in de Kasteelstraat te Sint-Jozef-Olen, waar ik probeerde te herstellen van mijn eerste gebroken hart – een klap die net iets harder was aangekomen dan de dood van Elvis. N., mijn eerste lief, had het uitgemaakt en derhalve was het treurnis troef in Heartbreak Hotel.

In de truck van Jules, onderweg naar Spanje en Italië deze keer, gleed het liefdesverdriet tijdelijk van mij af. Omdat white line fever krachtiger was dan een gebroken hart, maar ook omdat Jules mij vertelde dat ik niet hoefde te wanhopen. Een lief dat wegloopt kan evengoed terugkomen. Het kwam er volgens hem op aan om – jawel – zo cool mogelijk te blijven, zeker niet te leuren met zelfbeklag, en altijd te tonen dat ik ook zonder haar gelukkig kon zijn. Het leek mij een volkomen onhaalbare opdracht, maar ik nam me voor om het, bij thuiskomst, toch te proberen.

En zo geschiedde. Drie maanden later waren N. en ik terug samen. Maar dat heeft Jules nooit meer geweten, omdat hij – o wrede ironie – na een pijnlijke echtscheiding van mijn familie vervreemd raakte. Ik wist, via zijn dochter, dat hij altijd is blijven rijden. Maar ik zou hem 38 jaar lang niet meer horen of zien.

Tot een maand of drie geleden. Op een feest voor zijn kleindochter was hij de eerste die ik tegen het lijf liep. We raakten meteen aan de praat en haalden urenlang herinneringen op. Hij is nu al een paar jaar met pensioen en woont in een flat in de Kempen. Of hij kan wennen aan het leven zonder truck, vroeg ik. “Moeilijk”, zei hij. “Ik mis de horizon.”

We spraken meteen af dat ik hem deze zomer zou komen opzoeken om samen een tripje te maken. Deze keer zal ik aan het stuur zitten en is Jules de passagier. Misschien nemen we onze gitaren mee en spelen we samen iets van Elvis. Lijkt me wel cool.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234