Donderdag 21/11/2019

Café De Welkom

"Ik ging wandelen met de hond. En plots was mijn leven veranderd"

Carine Bekaert en Ali Ben Driss baten samen café/restaurant Merhaba uit, tegenover de basiliek van Dadizele. Beeld Jonas Lampens

In hun namen schuilde toen al het probleem. Ali Ben Driss en Carine Bekaert vochten tegen de perceptie, tegen het dorp en tegen hun ouders. Ze zijn er nog altijd, jawel, op het marktplein van Dadizele, en heten iedereen welkom. Marhaba.

Eerst dit, een telefoongesprek met een kennis uit Gent. Die kennis heeft een Turkse vader en een Belgische moeder en hij zegt: "Ja, ja, er zijn Merhaba’s en Marhaba’s ('Welkom’ in het Turks en Arabisch) in Vlaanderen. In Borgerhout bijvoorbeeld, daar zijn twee eet- en theehuizen die zo heten. In Brussel ook, denk ik."

Hij haakt in, en belt korte tijd later terug: "Niet verschieten: er is blijkbaar ook een Marhaba in Dadizele. Da-di-ze-le. Ik weet niet eens waar dat ligt."

Je hoort de naam aan en je denkt aan vroeger. Dadizele, dat is Dadipark: de Nautic Jet en glijbaan Super-Glissando. Dat is de basiliek, de bedevaart naar Onze-Lieve-Vrouw van Dadizele. Dat is je naam horen afroepen in het onmetelijke tuincentrum Floralux. Dat je moeder wacht aan de kassa. Deizel, dat is jeugd, dat is vroeger. "Ga er eens langs, je weet maar nooit."

De eerste aanblik is een vreemde gewaarwording. Je stond als kind zo vaak op het kerkplein en nooit zag je Marhaba. Het lijkt alsof die plek nooit heeft bestaan. Nu zie je de kleine palmbomen recht tegenover de basiliek – stonden die er vroeger ook al? – en valt de naam wel op. Tussen ’t Basiliekske en De Klokke zie je de naam Marhaba in donkere, rode letters. Dan schuift de bezieler van de bar aan tafel en hoor je een verrassende liefdesgeschiedenis die geen enkele bedevaarder kent, waar geen pretparkkind ooit van heeft gehoord, een verhaal van twee mensen dat je naar Oujda leidt. Ik weet niet eens waar dat ligt. Hebben ze daar ook een Super-Glissando?

*

Het is 1965 en Ben Driss weet niet goed wat doen. In Mers-el-Kébir, een Algerijnse havenstad, kijkt hij uit over de Middellandse Zee. Ben is een Marokkaanse grensarbeider. Jaren voordien verliet hij zijn geboortestreek in Oujda, een stad in het noordoosten van Marokko, stak de grens over met Algerije en bouwde een leven uit in Mers-el-Kébir, waar hij voor de Fransen werkte toen die Algerije nog in handen hadden. Nu niet meer. De Fransen zijn verdwenen en drie jaar na de onafhankelijkheid is de prille democratie in Algerije vervallen in een militaire dictatuur. Ben is een man van aanzien. Hij is het die de jongetjes in het dorp besnijdt. Maar aanzien volstaat niet om rond te komen. Ben gaat op zoek naar werk en maakt zich zorgen. Hij heeft veertien kinderen en die hebben honger. Ben Driss bedenkt een plan. Hij roept zijn oudste zoon bij zich, Ali, en zegt: "Jongen, raap al je spullen bijeen. We vertrekken." 

Ali weet niet wat hem overkomt. Hij is 20 jaar en reist met zijn vader naar de haven van Algiers. Ze steken de Middellandse Zee over en gaan aan land in Marseille. Ali ziet het vertrouwde leven van zich afdrijven en heeft al heimwee nog voor het schip als een stip uit het zicht verdwijnt. De Fransen zijn uit Algerije verdreven, dus reizen Ben en Ali hen nu achterna. In Angoulême vinden ze onderdak bij familie, en in Tourcoing, in het uiterste noorden van Frankrijk, vinden ze wat ze zoeken: werk. 

Ben en Ali werken nu in de staalindustrie. Ze vegen het roet van hun gezicht en laten het hele gezin overkomen uit Algerije. Want werk is hoop. En hoop is toekomst. Maar de heimwee van zoon Ali ebt niet weg. Hij gaat werken, komt laat thuis, en altijd denkt Ali aan Mers-el-Kébir. Aan zijn vrienden, aan de warme zomers, de hoge bergen van de Atlas. De dag eindigt ook niet in de fabriek. Als oudste van veertien draait Ali mee in het huishouden. Hij zorgt voor zijn dertien broers en zussen, vermaakt hen, gaat wandelen. Hij is het enige kind met een rijbewijs en neemt de hele kroost in de zomer van 1970 mee de Franse grens over, naar het Belgische Dadipark. Het is warm en de kinderen hebben honger en dorst. Vanop de parking van het park, ziet Ali de basiliek. Hij wandelt het kerkplein op en gaat kruidenierszaak ANO binnen.

*

De deur gaat open, de bel rinkelt en Carine Bekaert kijkt op. Een knappe Afrikaan komt de zaak binnen. Het is druk die dag. In Dadipark staan lange rijen en op het marktplein zoeken toeristen verkoeling in de schaduw van de basiliek. De man stapt de winkel uit met snoep, drank en tabak. Niet veel later keert hij terug: Carine vergat lucifers mee te geven. Ze legt het doosje in de handpalm van de man en kijkt hem in de ogen.

Carine is zestien jaar en draait als kind van twee zelfstandigen mee in de kruidenierszaak van moeder. Vader niet. Hij is melkboer en gaat van deur tot deur in het dorp. De familie Bekaert is bekend in Dadizele. Dat is ook de zaak van moeder. ANO verkoopt veel tabak, vooral aan de Fransen. Carine stelt zich geen vragen bij het leven. Dat doen vader en moeder ook niet. Die werken hard, richten zich naar boven en zetten een stolp op het leven van hun dochter. In de ogen van de buurjongen zien ze haar toekomst al fonkelen. Die jongen is een goede partij, en bovendien: hij is nu al gek op hun dochter. Haar leven is dan al uitgetekend, de grondwerken al begonnen. Huis. Tuin. Kerk. Kind. Zo zal het gaan. En niet anders. Zelf hoopt Carine een zes te gooien en sneller op te schuiven, maar de nonnen van het Institut du Sacré-Coeur in Moeskroen spelen geen Monopoly. Ze schuift van vakje naar vakje, van de ene kostschool naar de andere, staat ’s weekends en ’s zomers in de winkel en altijd zwaait de buurjongen. "Alsjeblieft, de lucifers."

Carine: "Er was bij ons thuis meer materie dan warmte. Ik wist van niks."

’s Avonds mag Carine het huis alleen verlaten om met de hond te wandelen. Ook die avond in de zomer van 1970. Dadipark is dan al gesloten, de winkel ook en de gelovigen trekken de deur van de basiliek achter zich dicht. Carine verlaat de winkel en daar staat een man. Hij heeft een doosje lucifers in zijn hand.

"Mag ik met je meewandelen?"

*

Liefde, dat kent Carine niet. Verliefdheid ook niet. Een handje vasthouden van een puber op de bus van Menen naar Dadizele, zo ver reikt de romantiek. Nu staat een man van 25 jaar te wachten aan de winkel en weet Carine niet wat haar overkomt. "Nee, dat mag niet. Mijn ouders mogen je niet zien. Maar wacht, we spreken af in de dierentuin. Ik zie je daar."

Wat verderop, achter het stadhuis van Dadizele, is een dierentuin. Tussen de leeuwen en de apen wandelt Carine met haar hond. Ze is op weg naar een volwassen man die eerder die dag nog om lucifers vroeg. En niemand mag dat weten.

"Ik wist niks af van dat soort gevoelens", zegt Carine nu. "Jongens, mannen, relaties, trouwen, kinderen: nooit aan gedacht, nooit over gesproken. De nonnen hielden ons klein en dom. En plots stond ik daar in de dierentuin, keek in de ogen van Ali en voelde een warmte die ik nooit eerder ervoer. Ali was een zachte, lieve man. Hij was zo anders dan iedereen in mijn leefwereld. Anders dan mijn ouders, anders dan de nonnen, anders dan alles wat ik kende als zestienjarige. Ali brak mijn wereld open, al was hij dan acht jaar ouder. Ik was overweldigd. Ik ging wandelen met de hond en mijn leven was onherroepelijk veranderd."

Steeds vaker gaat Carine wandelen met de hond. Steeds vaker ziet ze leeuwen, apen en tijgers. Ali krijgt opnieuw goesting in het leven. Carine duwt zijn heimwee naar Algerije en Marokko opzij. Maar ook voor Ali is de plotse liefde niet vanzelfsprekend. Vader Ben doet zijn zoon vaak huwelijksvoorstellen en nooit gaat Ali daar op in. Altijd zijn het vrouwen met Noord-Afrikaanse roots. De druk wordt groter. Hij is tenslotte al 25 jaar. En plots is daar Carine en raakt alles in een stroomversnelling. 

De buurjongen van kruidenierszaak ANO mag het op zijn buik schrijven. Ali en Carine zijn smoorverliefd, en nog altijd mag niemand dat weten. Carine beseft dat zoiets niet kan in het conservatieve Dadizele, en ook niet in haar gezin. Dat geldt ook voor Ali. Twee culturen die elkaar niet kennen, die elkaar vrezen en die elkaar mijden. En dan stellen vader en moeder Bekaert zich vragen: waarom gaat ons Carine plots zo vaak wandelen? Hun liefde wordt ontdekt. Ali en Carine hebben een probleem.

*

Vader en moeder Bekaert zijn ontstemd. Ze nemen drastische maatregelen. ’s Weekends mag Carine niet meer helpen in de winkel. Ze wordt opgesloten op haar slaapkamer. Carine moet Ali vergeten. En snel. Haar leven is beknopt. Ze ziet haar liefde niet meer, kan het huis niet uit en ook bij de nonnen in Moeskroen zijn de deuren vergrendeld. Thuis, opgesloten op haar kamer, schrijft Carine lange brieven. Een nicht brengt die stiekem naar Tourcoing. Ali komt te weten waar dat Institut du Sacré-Coeur precies is in Moeskroen. Hij neemt de auto en parkeert zich voor de ramen van de studiezaal. Daar zit het meisje van de kruidenierswinkel. Ze zwaait, ze zweeft als ze hem ziet. En ze krijgt een reprimande van de nonnen, die haar weghalen bij het raam en haar zicht beperken tot een blinde muur. Maar hoe meer de buitenwereld zich kant tegen de onmogelijke liefde, hoe harder Ali en Carine er in geloven. De schellen vallen van de ogen. De angst van de ouders, de onzekerheid, de roddels in het dorp, de macht van de kerk: Carine erkent de stolp en ze zet iedereen met de rug tegen de muur. Tegen haar moeder, die het felst gekant is: "Ma, als je ons blijft boycotten, dan ga ik met Ali naar Marokko en zie je mij nooit meer terug."

*

Carine: "Op 14 juli 1972, de Franse feestdag, zijn we getrouwd. Ik was toen 17 jaar. Voor het eerst trouwde een meisje uit Dadizele met een Marokkaan. Ali was de eerste zwarte in het dorp. Er waren meer tegen- dan voorstanders, en mijn moeder moest inbinden. 'Carine, dat gaat niet blijven duren. Carine, ge weet niet waar ge aan begint. Carine, diene vreemden gaat uw kinders ontvoeren. Carine, ge zijt zot.' Dat kreeg ik te horen."

Ali is moslim, ja, al trekt hij zich van de islam weinig aan. De ramadan is zowat het enige religieuze waar hij aan vasthoudt. Toch is hij, een moslim, getrouwd in de basiliek van Dadizele met een katholiek meisje van 17. Hoe dat toen kon? Mijn moeder was goed bevriend met de pastoor. En als ik toch met Ali wilde trouwen, dan toch zéker in de kerk. De mensen keken op toen hij me hier thuis aan de kruidenierszaak kwam halen en we de basiliek binnenwandelden. Honderden mensen keken ons na. Zijn ouders waren niet tevreden. Zijn moeder kon me wel doden met haar ogen. Mijn ouders waren ook niet tevreden. Net voor het huwelijk zijn die zelfs gescheiden. Onze relatie speelde daar een rol in. En wij, Ali en ik, wij waren grenzeloos gelukkig."

*

"Goeiedag, bonjour." Een lentedag in juni 2017. Het terras van café/restaurant Marhaba loopt vol. Carine deelt menukaarten uit en neemt wat later de bestelling op. "Er zijn Hollandse mosselen vandaag.’"

Ali en Carine zijn dit jaar 45 jaar getrouwd, ze hebben vier kinderen en de familie Ben Driss is bekend in Dadizele. Nog altijd. In 1979 openden Ali en Carine een tea-room in wat vroeger kruidenierszaak ANO was. Nu is Marhaba een volwaardig restaurant, in handen van Nessim en Hakim, twee zonen van Carine. Hanifa, haar dochter, is verpleegster. En Ibrahim werkt in een sociale onderneming in de Westhoek. Iedereen kent de Ben Drissen, en sommigen herinneren zich het huwelijk nog in 1972. Hoe het dorp schande sprak. Nu is Ben Driss een begrip. Na de eerste Marokkaan, het eerste huwelijk, is er straks misschien de eerste burgemeester. Nessim is voorzitter van Open Vld in Dadizele. Samen met N-VA en een paar onafhankelijken werd de jarenlange macht van CD&V doorbroken in 2012. De basiliek is niet langer baas. Burgemeester wil Nessim evenwel niet worden. Marhaba is te belangrijk. Van de dertien broers en zussen van Ali, wonen er nu in Angoulême, Parijs, Rotterdam, Dadizele, Tourcoing en Waregem. De familie is vertakt, maar op het feest ter ere van hun 45ste huwelijksverjaardag werd er gedanst. Er was bier en muntthee en Carine was gelukkig. Ze geeft de bestelling door en kijkt naar de basiliek:

"Als we allemaal wat meer begrip tonen, wat meer empathie, dan ziet de wereld er anders uit. Ik heb gevochten voor mijn relatie. Gevochten tegen de perceptie. En ik won. Het was niet gemakkelijk. Niet voor Ali, niet voor mij, en niet voor ons twee samen. Maar het is wel gelukt. Na hard werken hebben wij de twee culturen samengebracht en ons eigen verhaal geschreven. Wij waren pioniers in Dadizele, bij wijze van spreken. En vreemd genoeg moet je zeggen: wie nu trouwt met een zwarte, is dat jammer genoeg nog altijd. Maar wat geldt voor een relatie, geldt ook voor een maatschappij: doe wat meer moeite, en alles lukt."

Morgen aflevering 6: Zwijgzaamheid in Ouwegem

Ali, Carine en drie van hun vier kinderen in hun restaurant. Beeld Jonas Lampens
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234