Zondag 22/09/2019

‘Ik geloof in verschroeiende eerlijkheid’

Het land heeft na Dubbelleven en Code 37 ontdekt wat ze in theatermilieus al lang wisten: Geert Van Rampelberg (35) is een fijn acteur. En overigens nog van alles. Laatbloeier in de liefde. Vader van twee dochters. Relaxte, stabiele mens. Meer speler-die-het-graag-doet dan artiest-die-onmogelijk-zonder-de-kunsten-kan: ‘Als ik klaar ben met werken heb ik meer zin om wat te koken met vrienden dan om nog eens in een theater te kruipen. Goed leven, tiens. Da’s belangrijk.’

k zag hem voor het eerst toen hij nog op Studio Herman Teirlinck zat. Hij speelde samen met zijn goeie vriend Wouter Hendrickx Mooi weer windstil wachten, een voorstelling die ze zelf in elkaar hadden gestoken. Ik vond het prachtig. Een woeste speler, Geert Van Rampelberg, zo eentje van gáán en veel willen.

Hij studeerde af en richtte met drie klasgenoten Olympique Dramatique op. Dertien jaar, veel theaterprojecten, bijrollen in Oud België, Van vlees en bloed en De parelvissers later, maakte hij onlangs indruk als Ruben in Dubbelleven, en is hij nu te zien als Koen Verberk in Code 37. Over een kleine maand begint hij te draaien voor een nieuw filmproject waar voorlopig nog niks over mag worden gelost.

Het jaar van de grote doorbraak, noemen ze het. Was dit waar je op zat te wachten?

“Bijlange niet. Ik ben al behoorlijk lang bezig. Veel fijne projecten gedaan. Maar sinds kort speel ik prominente rollen in series die een groter publiek bereiken, dan worden zulke dingen gezegd. Mij doet het allemaal weinig.

“Ik voel me wel heel goed bij al dat filmen. Het is gebalder en intenser werken dan in het theater, waar je opgeteld vier, vijf maanden bezig bent met repeteren en spelen. De concentratie van de korte sprint past op dit moment beter bij mijn leven zoals het is.”

Is dat een lieve manier om te zeggen dat je het oeverloze gediscussieer tijdens repetities een beetje beu bent?

“Nee, echt niet. Ik ben nu al een tijdje alleen maar aan het filmen, maar dat doet de honger naar theater alleen maar toenemen. Vorige week ging ik naar de première van Bij het kanaal naar links, een voorstelling van Alex van Warmerdam waar mijn maten van Olympique Dramatique in meespelen, en dan bloedt mijn hart toch een beetje. Het voelt raar dat ik in de zaal zenuwachtig zit te supporteren voor mijn broeders, in plaats van zélf mee op scène te staan.

“Volgend jaar in januari doe ik opnieuw een toneelproject, en ik kijk daar nu al naar uit. Theater blijft iets magisch. Spelers en publiek die samen zo’n avond maken. Wij vertellen, zij luisteren, zo spreken we het af. Prachtig dat zoiets kinderlijks blijft bestaan, dat daar nood aan is.”

Dus jouw keuze om meer te filmen heeft ook niks te maken met de lichte commotie binnen Olympique Dramatique?

“Nee. Maar we stellen onszelf als gezelschap wel heel erg in vraag: hoe gaan we verder? En: kunnen we wel verder? Er is in die dertien jaar dat we nu bestaan veel veranderd. Toen we begonnen kon alles: dagen en nachten hebben we gediscussieerd, gezeverd, gezocht, gespeeld, opnieuw geprobeerd. We wisten van geen ophouden. Ondertussen zijn we allemaal getrouwd, sommigen alweer gescheiden, we hebben van andere media geproefd, met verschillende mensen gewerkt, en dat leidt tot een ander totaalplaatje. Ben Segers en ik hebben zin in filmen. Tom Dewispelaere wil zich bovenal als speler verder ontwikkelen. Stijn Van Opstal houdt van collectief theater maken. Dat krijg je niet meer zo makkelijk samen. Maar de vriendschap heeft er niet onder geleden. Ik denk dat elkaar nu even de vrijheid gunnen de beste manier is om met grote goesting opnieuw samen iets te kunnen maken in de toekomst.”

En moet voor jou de kunst meer wijken voor het echte leven dan vroeger?

“Ja, toch wel een beetje. Het is moeilijk om het juiste evenwicht te vinden. Ik probeer soms een paar projecten te combineren in dezelfde tijdspanne. Omdat ze allemaal prettig zijn, omdat ik geen vrienden wil teleurstellen. Maar ik merk dat ik op die manier noch mezelf noch anderen gelukkig maak. Dat doe ik dus niet meer. Eén focus, en daarnaast een leven, alleen dan werkt het.”

Wat vindt jouw strengste zelf eigenlijk van de tv-projecten waar je grote rollen in speelde: Dubbelleven en Code 37?

“Goh, ik kan dat niet beoordelen. Om te beginnen heb ik niet elke aflevering gezien. En bovendien vind ik het moeilijk om mijn waardering los te koppelen van mijn ervaring tijdens het draaien. Code 37 wordt gemaakt door een jonge ploeg die er helemaal voor gaat, da’s prettig werken. En als ik mensen die wel elke week kijken toch hoor zeggen dat ze de serie eigenlijk wat vulgair vinden, lijkt me dat een erg goed teken, na alle properheid die we op de Vlaamse televisie al over ons heen hebben gekregen. (lacht) Tijdens de draaidagen van Dubbelleven heb ik mij ook rot geamuseerd. Met goed volk samenspelen, omringd worden door een fijn team, da’s veel waard.

“Het pijnpunt blijft natuurlijk de snelheid waarmee zo’n serie moet gemaakt worden. Als speler ben je genoodzaakt om voortdurend kriskras door het script te springen, waardoor je weinig kan opbouwen. Andere medewerkers maken gigantisch lange dagen. Maar goed, die situatie zal alleen veranderen als de hele sector zegt: hier trekken we de grens. Zo lang ze mensen vinden die het aan die voorwaarden willen doen, en er worden producties gemaakt die goeie kijkcijfers halen, zal er niks veranderen. En ik als individu kan ik het ook alleen maar nog eens zeggen in een interview, nietwaar? (lacht)”

Je wordt sinds kort herkend op straat, wat je fijn zegt te vinden. Anderzijds roep je dat je doodsbang bent voor de BV-status. Toch wat tegenstrijdig, nee?

“Ik geef dat toe. Ik weet eigenlijk niet zo goed wat ik er allemaal van moet denken. Aan de ene kant doet het deugd als mensen op straat vriendelijk knikken omdat ze weten wie ik ben, en blijkbaar waarderen wat ik doe. Maar als een man in de Colruyt aan mijn jas trekt en mij meesleept naar zijn zoon, zoals vorige week nog gebeurde, vind ik het al een stuk minder prettig. Als een goeie krant mij wil interviewen is dat leuk. Komen ze aankloppen van Story, Dag Allemaal of TeVe-Blad, dan ben ik op mijn hoede. Hun derde vraag is gegarandeerd: wat zijn de namen van je kinderen? Dan denk ik: daar hebben jullie geen zaken mee. Ik schrik ervan hoe ver het tegenwoordig gaat. Onlangs stond tot mijn grote verbazing Josse De Pauw in Dag Allemaal: ‘Ik kan niet matig drinken’. Elders las ik dat een collega-actrice in de psychiatrie zat omdat ze ‘dingen uit haar jeugd niet verwerkt had’. Waar gaat dat allemaal naartoe? Ik blijf er liefst zo ver mogelijk vandaan, maar dat is niet altijd mogelijk als je promotie moet voeren voor een project. Blijkbaar is die inkijk in je leven de prijs die je moet betalen.”

Nog een gevolg van opvallender aanwezig te zijn is dat de buren van je ouders opeens ook weten wat jij doet. Maakt dat je moeder en vader extra trots?

“Ja, heel schattig. De mensen van het dorp hebben mij sinds 1994 niet meer gezien, en opeens loop ik door het beeld op hun televisie. Mijn moeder kon niet buitenkomen of ze werd aangeklampt: ‘Amai, zeg, de Geert...’ Dan blinkt ze wel natuurlijk. Maar verder maakt het voor mijn ouders niet uit of ik tv of theater doe. Ze komen al vanaf mijn eerste voorstellingen op Studio Herman Teirlinck kijken. Ze zijn vooral blij om te merken dat mijn keuze voor een onzeker bestaan als acteur toch de juiste blijkt te zijn, denk ik.”

Zit dat artistieke in de familie of kwam jouw keuze totaal uit de lucht gevallen?

“Mijn grootmoeder heeft jarenlang gezongen in operettes. En mijn moeder en mijn vader hebben allebei amateurtoneel gespeeld. Eén keer heb ik mijn moeder bezig gezien, in een wagenspel tijdens de bloemenstoet in Ternat. Dat vergeet ik nooit meer.

“We gingen vaak met zijn allen naar professionele theatervoorstellingen kijken. Mijn moeder vertelt nu nog dat ik dat als kind al ontzettend graag deed. Zij zijn nog altijd geweldig geïnteresseerd, ze zien veel meer in een seizoen dan ik.

“Beroepshalve hebben geen van beiden ooit iets artistieks gedaan. Mijn vader is ingenieur. Hij werkte heel hard, maakte lange dagen. Toen ik klein was, zag ik hem niet zo vaak. Mijn moeder was sociaal assistente, maar ze is gestopt met werken toen ik geboren ben. Een heel aanwezige mama.”

En lijk je het meest op je vader of op je moeder, vind je?

“Ik ben een mix van de twee. Ik ben net als mijn moeder iemand die houdt van samenzitten met vrienden, goeie gesprekken voeren, bij voorkeur tête-à-tête. In grote groepen zijn wij geen tafelkloppers, eerder de mensen die zich wat op de achtergrond houden.

“En net als mijn vader ben ik een stille genieter. Hij kan opvliegend zijn, explosief, dat heb ik ook wel.”

Wat voor een kind was jij?

“Een heel braaf kind.”

Je kijkt erbij alsof je daar achteraf een beetje spijt van hebt.

“Ja, het zou leuker zijn om nu te kunnen vertellen: ik was nogal ne kerel ze. (lacht) Maar de werkelijkheid is anders. Ik was het jongetje dat helemaal opging in voetbal en Panini-stickerboeken. En met de vriendjes de fiets op en eindeloos rijden. Of de velden intrekken en alleen maar terugkomen als je hoorde roepen dat je moest komen eten. Heerlijke tijd. Daar heb ik weleens heimwee naar, naar die vanzelfsprekende zorgeloosheid.

“Eigenlijk ben ik ook in mijn puberjaren geen lastige jongen geworden. Ik was al zeventien toen ik voor het eerst mocht uitgaan, wij woonden in een gehucht, ver van alle actie, maar ik aanvaardde dat.

“Alleen op school liep het niet zo lekker. Ik was een dromer, deed alles behalve blokken. De taalvakken vond ik nog oké, maar wetenschappen en wiskunde, ik kreeg daar de bobbels van. Ik heb ook niet altijd geluk gehad met de leraren. Sommigen waren niet eens bereid om het nog eens opnieuw uit te leggen als je ’t niet meteen begreep, dan hield je zijn les op. Tja.

“Na mijn vijfde jaar hebben ze mij vriendelijk verzocht de school in Asse te verlaten. Ik deed mijn jaar opnieuw in de kunsthumaniora van Brussel. Een geweldige stap. Opeens weg van de controle van thuis, ’s ochtends afgezet worden aan het station, dan zelf de trein op, met een paar vrienden de stad door tot aan de school. Heerlijk. Ik herinner mij mijn allereerste dag. Ik kwam aan op de speelplaats, en iedereen stond te roken. Ik wist niet wat ik zag. In Asse was het een kwestie van je sigaret te verstoppen in de binnenkant van de mouw van je jas, en te hopen dat de rook er niet langs je kraag weer uitkwam.”

Werd op die school ook snel duidelijk dat je toekomst in het acteren lag?

“Absoluut. Ik had al eerder gevoeld dat die dingen mij lagen. Ik volgde in Asse al jaren voordracht bij een geweldige docente. In het dorp werd er wat schuw naar gekeken: ‘Lieve van Milleghem met haar sekslessen, daar moest je voor oppassen’ (lacht) Het was de max, de projecten die ze met ons deed.

“Maar in de kunsthumaniora was het goed prijs, we kregen een heleboel artistieke vakken, en ik vond het allemaal geweldig. Zelfs expressieve dans, waarvoor we ons in zwarte maillots moesten hijsen. Ik was te stoer om het toe te geven, maar eigenlijk vond ik dat echt neig. En toneel, dat was het summum. Ik kreeg les van Ward Roosen, een topkerel, hij heeft mij het plezier van spelen bijgebracht. Door hem heb ik ook de moed opgevat om toelatingsexamen te doen bij Studio Herman Teirlinck.”

Was je toen één al jeugdige overmoed en zelfvertrouwen?

“O nee. Angst, diaree, hartkloppingen. De docenten die in de jury zaten waren mijn persoonlijke helden. Er hing op mijn kamer een grote affiche van Wilde Lea(productie van de Blauwe Maandag Compagnie van weleer, in regie van Luk Perceval, met Els Dottermans in de hoofdrol, GO), en opeens zat Els daar. Samen met Frank Vercruyssen, die ik prachtig vond in Manneke Pis(film van Frank Van Passel, GO) Als je die mensen moet laten zien wat je kunt, dan bibber je gewoon uit je broek. Maar ik heb geluk gehad, ik ben toegelaten.”

Hoe kijk je terug op die tijd? Ik ken mensen die in theateropleidingen door de hel zijn gegaan.

“De eerste twee jaren waren enorm lastig. Willy Vandermeulen, gebeten door het theater en bereid om, zonder daarvoor betaald te worden, met ons in het eerste jaar De bende van Jan de Lichte lezen. En ik - toen nog een kieken zonder kop, te heftig ook - had blijkbaar op zijn tenen getrapt. Zijn reactie was verpletterend. Op een bepaald moment heeft hij mij uit de groep gehaald, en tegen de anderen gezegd: ‘Mijd deze jongen. Hij is een drugdealer’ - ik had op dat moment in mijn hele leven nog maar één joint gerookt. Ik heb toen een stoel kapot gegooid, van pure machteloosheid. Maar hij wist van geen ophouden. Hij wou mij geen les meer geven. Dus zat ik thuis, te bleiten in mijn bed, omdat ik niet wist waar het fout was gegaan. Heftig als je achttien bent. Maar later hebben we dat bijgelegd. Het was op zijn manier ook wel een schone mens, eigenlijk.

“In het derde jaar kreeg ik les van Damiaan De Schrijver, Ernst Löw en de Nederlander Porgy Fransen, dat was een zalige tijd. Porgy is trouwens degene die met Kunst kwam aanzetten, het stuk van Yasmina Reza waar de drie andere mannen van mijn klas en ik mee gedebuteerd zijn als Olympique Dramatique.”

Jullie zijn afgestudeerd en hebben meteen met zijn vieren plannen gesmeed. Maakt dat het makkelijker in de beginjaren?

“Dat denk ik wel. Ga maar in je eentje audities afschuimen, op zoek naar werk... Ik ben heel blij dat het tussen ons vier zo klikte. Al ging het ook voor ons niet allemaal vanzelf. We speelden in het begin voor zalen van twintig man en zo, maar dat maakte niks uit. We waren veel te blij dat we mochten doen wat we deden. In die beginjaren hebben we ook veel gestempeld, we zijn in ongelukkige producties beland, dat hoort er allemaal bij.”

Was je in die cowboyjaren ook rock-’n-roll, wild in de liefde?

“Nee. Ik was een laatbloeier. Van mijn twaalfde tot mijn achttiende verliefd geweest op een meisje dat ik nooit heb kunnen krijgen. En tussendoor had ik weleens een lief, als ik op kamp ging of zo, maar langer dan die paar weken duurde dat nooit. En eenmaal in Antwerpen ben ik al bij al vrij snel een relatie begonnen met de vrouw die later de moeder van mijn kinderen zou worden. Elf jaar zijn we samen geweest. En nu heb ik ondertussen ongeveer twee jaar een relatie met mijn nieuwe vriendin.”

Je bent op je zevenentwintigste vader geworden. Opeens al die verantwoordelijkheid, voor iemand met een onstuimig theaterbestaan, was dat lastig?

“Zevenentwintig is piepjong, dat vind ik nu ook. Maar vreemd genoeg voelde die verantwoordelijkheid toen minder heftig dan nu. Dat heeft natuurlijk met de scheiding te maken. Als ik nu mijn kinderen heb, wil ik ook echt bij hen zijn. En dat is soms moeilijk te combineren met mijn professionele agenda.

“Maar ik ben een relaxte vader, dat helpt. Niet het type dat de kinderen van de atletiek naar de tekenles ligt te voeren. Ik ben de vader die met hen speelt, lacht en praat, degene die lekker voor hen kookt. Dat is het leven dat ik hen kan bieden.

“De breuk met hun moeder is het zwaarste wat ik al heb moeten doormaken. Die knoop doorhakken, al dat afzien in de tijd die daaraan voorafging: niet simpel. Inmiddels zijn we twee jaar verder. Het was een goeie beslissing, maar ik vind het nog altijd jammer dat ik een deel van het leven van mijn kinderen mis. Dat is mijn stil verdriet.”

Heeft die breuk je kijk op de liefde veranderd?

“Ik vind dat je moet blijven geloven in de liefde, blijven gaan voor dat eeuwig en altijd. Ik kan en wil niet anders. Maar er is toch een vervelend soort realisme in mijn kop gekropen. Ik zie om mij heen zoveel relaties kapot gaan dat ik niet anders kan dan onthouden: ook bij mij kan het weer mislopen. In die zin ben ik voorzichtiger geworden.

“Wat de breuk dan weer wel heeft opgeleverd: ik probeer te leren van mijn fouten. Ik herken bij mezelf de patronen die destijds mee voor de ellende hebben gezorgd, en ik ben daar alert voor, nu. En ik vraag mijn vriendin om te reageren als zij het ziet gebeuren. Ik kies tegenwoordig voor verschroeiende eerlijkheid: allebei zeggen wat er op de lever ligt, ook als dat niet de makkelijkste weg is. Daar geloof ik in.”

Ben jij van nature het type dat confrontaties opzoekt?

“Eigenlijk niet. Ik ben heel slecht in ruzie maken, omdat ik dat thuis ook nooit geleerd heb, denk ik. Er werd veel gepraat, over de belangrijkere dingen ook. Maar iets lelijks laten zien, daar was geen plaats voor. Ik kón ook niet in opstand komen. Voor ik mijn protest kon uiten was ik al aan het huilen. Ik voelde alleen maar angst. Dat heeft mij bepaald denk ik. Ik word nog altijd fysiek ongemakkelijk als ik de confrontatie moet aangaan. Wil ik eerlijk zeggen wat ik denk, dan zal ik het altijd op een voorzichtige, zachte manier proberen te doen.”

Van welke vervelende eigenschap heb je zelf het meeste last?

“Anderen vinden mij soms te zorgeloos, te relaxed. Ik schiet bijvoorbeeld nu en dan ’s avonds rond een uur of elf in een leeskramp, ik begin in allerlei boeken te snuffelen, dingen op te schrijven. Als ik op dreef ben, ga ik door tot vijf uur ’s ochtends. Dat lijkt misschien behoorlijk doelloos gelummel, maar ik heb zulke momenten nodig, dat voedt mij. En als er dan eigenlijk praktische dingen moeten of moesten gebeuren, dan willen die er weleens bij inschieten.

“Verder ben ik ook erg slordig: ik betaal rekeningen altijd te laat, met boetes tot gevolg. Ik probeer mijn leven te beteren, maar dat lukt nog niet altijd.”

En waar ben je het meest trots op?

“Op mijn levenslust. Ik ben gretig op alle vlakken. Vooral sinds mijn tweeëndertigste vind ik het bestaan helemaal top. Ik ben vanaf dat moment lekkerder in mijn vel gaan zitten. Ik trek me niet meer zo aan wat anderen van mij vinden. Ik hoef niet voor jan en alleman goed te doen. Dat voelt prettig.”

Om af te sluiten zou ik je nog een paar clichés over het artiestenbestaan willen voorleggen, aan jou de vraag in welke mate ze kloppen. Eén: kunstenaars hebben een lastiger leven omdat ze in hun werk voortdurend de confrontatie met zichzelf aangaan.

“O, maar ik vind mezelf geen kunstenaar. Johan Tahon, bijvoorbeeld, da's een kunstenaar. Hoe hij altijd weer nieuwe vormen vormen zoekt voor dat eeuwige worstelen met zichzelf en zijn vader, dat maakt indruk.

“Ik vertel verhalen op een podium, of voor een camera, dat kan ook heftig zijn. Maar als ik bijvoorbeeld aan het leven van oncologen denk, mannen die elke dag moeten vertellen aan patiënten dat ze nog zoveel maanden te leven hebben, dan denk ik: zó heftig is mijn vak nu ook weer niet.”

Acteurs werken weinig, ze hangen altijd op café.

“Acteurs werken hard. Soms óók op café. Als je een hele dag tussen vier muren hebt zitten wroeten, is die kleine ontlading nodig. Maar zelfs in de kroeg blijven wij doorpraten en discussiëren, altijd onderweg naar de beste voorstelling, of de beste film of tv-serie. Dat zijn opgeteld véél werkuren, wees gerust.”

Artiesten gaan vaker vreemd.

“Er wordt in het algemeen veel vreemdgegaan, denk ik. En artiesten hebben misschien levens die daar iets makkelijker toe uitnodigen. Maar ik vecht daar toch tegen. Want ik vind overspel verschrikkelijk vermoeiend: die schizofrenie in je gevoel, het liegen dat ermee gepaard gaat, en dat allemaal voor seks? Nee, merci. Zorg er gewoon voor dat je met je lief een fijn seksleven hebt, en dan is dat allemaal niet nodig.”

Er wordt meer gedronken en aan drugs gedaan.

“Daar moeten we niet onnozel over doen, drank- en druggebruik ligt in ons milieu boven het gemiddelde. Maar als ik ambtenaren om acht uur ’s ochtends met een 33 cl bier op het perron zie staan, dan denk ik toch: het kan nog erger (lacht).

“Ik ben een sociale drinker, thuis zal ik zelden een fles wijn opentrekken. Op dit moment ben ik mij aan het voorbereiden op een film waarvoor ik in topvorm moet zijn, dus drink ik helemaal niks. En wat drugs betreft: ik heb al veel dingen geprobeerd, ik ben daar niet vies van. Maar eigenlijk is blowen het enige wat echt deugd kan doen, vind ik. Met vrienden hilarische avonden meegemaakt na een paar joints. Maar meer is het ook niet, wat onschuldig vermaak. Ik was vroeger al een braaf jongetje, al bij al is dat nog niet zoveel veranderd, denk ik dan (lacht).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234