Zondag 18/04/2021

'Ik gebruik de wetenschaptot op het bot'

In het Academisch Ziekenhuis van de VUB in Jette heeft de afdeling fertiliteit een internationale reputatie. Hier worden paren geholpen die al jaren vruchteloos proberen om een kindje te krijgen. Diensthoofd is professor dokter Paul Devroey, die sinds 1974 onafgebroken probeert radeloze wanhoop om te zetten in intens geluk. Dat werk maakt hem tot de eigenlijke vader van enkele duizenden kinderen in binnen- en buitenland.

'Daar denk ik niet aan, nooit. Jawel, één keer. Ongeveer twee jaar geleden was er, na een hele controverse, een uitspraak door het Britse Hooggerechtshof dat sperma van een overleden man uitgevoerd kon worden naar België. In theorie kon zijn weduwe met kunstmatige inseminatie zwanger van hem worden. We werden in het ziekenhuis prompt bedolven onder de mediabelangstelling. Dat maakte me in zo'n delicate zaak wel bang, want de macht van de media is enorm. Binnen de commissie voor bio-ethiek van ons centrum zijn we dan met een hele procedure begonnen rond de vraag of we op het verzoek van die vrouw konden ingaan. De beslissing is gevallen na een laatste vergadering waarop de meeste leden pro waren, maar het heeft aan een zijden draadje gehangen. Toen ik enkele weken geleden in het vliegtuig naar Londen zat, las ik The Times en ik zag een foto van de vrouw met haar baby. Ik kreeg rillingen, dacht: je zult het nooit weten, het is een heel proces geweest, maar je bent er. Dat gaf me een warm gevoel. Als je met voortplanting bezig bent, vallen er af en toe stenen van je lichaam. Dit was er één.

"Het is een bevrijding als blijkt dat je, ondanks tegenkantingen, toch de juiste keuzes hebt gemaakt. Ik heb altijd moeten leven met kritiek op het werk dat ik deed. Emotioneel was dat af en toe heel moeilijk. Maar we hadden in de groep altijd goed nagedacht over onze beslissingen. Ik stond nooit alleen als er kritiek kwam en ik heb altijd geprobeerd om die waardig aan te pakken.

"Ik denk dat ik de eerste was om lesbische vrouwen te insemineren. Toen ben ik enorm aangevallen. Ik begrijp dat nog altijd niet goed. Voor mij heeft elke mens dezelfde waarde. Ik krijg er wat van als mensen in vakjes worden geplaatst. We wisten uit Amerikaans onderzoek dat kinderen van lesbische paren het zeer goed deden. Er zijn niet meer problemen met hen dan met kinderen van heteroseksuele koppels. Dus hebben we doorgezet.

"Het is zeker nooit de bedoeling geweest om eerst te zijn. Maar het is uiteraard een aangenaam gevoel om een pionier te zijn. Ik zie hoe sommige medewerkers veel capaciteiten hebben maar ze niet ten gronde gebruiken omdat ze het grotere materialisme van een privé-praktijk nastreven of niet genoeg gemotiveerd zijn om wetenschappelijk onderzoek te doen. Zij vragen zich veeleer af: waar brengt mij dit? Maar dat is voor mij nu net het boeiende, niet weten waar de zoektocht zal eindigen. Ik heb nooit gedacht aan wat ik wou bereiken. Mijn vraag was: doe ik dit werk graag? Leer ik iets bij?"

"In 1974 was ik bijna afgestudeerd als gynaecoloog. Een onvruchtbaar koppel werd in die tijd heel vaak als vervelend beschouwd. De geneeskunde kon niets voor hen doen. Toen ik raadplegingen hield, moest ik dergelijke patiënten ook in wanhoop naar huis sturen, en ik vond dat vreselijk. Later hebben studies uitgewezen dat de stress van een onvruchtbaar echtpaar even groot is als die van een kankerpatiënt. Dat is onvoorstelbaar. Op dat moment heb ik beslist om me met voortplanting bezig te houden. Iedereen zei: 'Wat ga jij nu doen, zo'n klein domein!' Ik hoor het nog zeggen.

"Ik paste als een van de eersten in België donorinseminatie toe en werd al meteen geconfronteerd met negatieve reacties. Ik vond dat het kon, een kind verwekken met het sperma van een andere man, omdat ik vertrok van het idee: een kind dat in mijn huis leeft, is mijn kind. Die gedachte heeft waarschijnlijk te maken met de jaren zestig. Die waren politiek belangrijk, maar mij is ook bijgebleven dat we zoveel mogelijk afstand moesten nemen van de materie. Mensen denken voortdurend: dit is mijn huis, mijn wagen, mijn, mijn - mijn wat? Ik heb jaren in een huurhuis gewoond en zelfs nu, in een eigen huis, heb ik geen boodschap aan mijn huis. Ik kan morgen evengoed in Brussel op een appartement gaan wonen. Zo is er ook de afstand tot mijn genetisch materiaal. 'Mijn kind, mijn genen.' Ik heb dat gevoel niet. Ik heb er geen enkele behoefte aan om mijn genetica door te geven omdat ik geloof dat de omgeving belangrijk is.

"Ik weet het, ik heb gemakkelijk praten met twee eigen kinderen, maar het belangrijkste wat ik heb gekregen van mijn vader zijn zijn ideeën en gedachtegoed, meer dan zijn genen.

"Mijn vader was een bankdirecteur, bekommerd om de sociale situatie in zijn bedrijf. Als jonge knaap van achttien, negentien jaar had hij een bibliotheek gesticht. De bevrijding van de arbeider was een van zijn grote leidmotieven.

"Ik had zijn gedrevenheid om altijd nieuwe dingen te leren en dus moesten mijn ouders niet achter mij aan zitten. Ik was heel leergierig, wou alles weten. Ik denk dat ik daarom helemaal niet streng ben opgevoed. Alles was bespreekbaar. Dat is blijkbaar uitzonderlijk voor die tijd, ja.

"Ik ben opgegroeid in de grote sociale bewogenheid van mijn vader. Ik wou mij ook inzetten voor de mensen. Toen ik zeventien was, heb ik een tijd gedacht dat ik rechten zou gaan studeren. Maar mijn vader zei: 'Je studeert wat je wilt, maar kies iets waarbij je niet met mij in contact komt.' In de humaniora gingen wij mensen helpen in de achterbuurten van Brussel, in de Marollen. Ik herinner mij een oud invalide mannetje in een karretje. Dat vond ik zo zielig. Daarom ging ik nadenken over geneeskunde. Als dokter ben je heel concreet bezig met mensen. Bovendien wist ik ook dat ik als advocaat nooit in staat zou zijn om een moordenaar te verdedigen. Soms denk ik dat ik me misschien toch heb vergist. Ik zou meerdere levens moeten hebben.

"Ik ben katholiek opgevoed. Mijn vader is naar het atheneum geweest, maar in de arbeidersbeweging waar hij actief was, kwam hij toevallig in de katholieke hoek terecht. En zo ben ik vanaf mijn elfde opgegroeid bij de jezuïeten.

"Als jongetje geloof je niet, het wordt je ingegoten. Je doet wat men je zegt. Ik ben maar ernstig over geloven beginnen nadenken toen ik geneeskunde ging studeren. Toen ik met voortplanting begon, kwam de existentiële crisis. In 1978 verbood de katholieke Kerk in-vitrofertilisatie, het buiten het lichaam bevruchten van een eicel, terwijl ik overtuigd was van het nut van deze technologie. Wat ik voelde tijdens mijn studies werd op dat moment bevestigd: er was een conflict tussen dat geloof en mijn persoonlijke overtuiging. Daarom besliste ik om uit de katholieke groep te stappen, want ik kon niet permanent in dat conflict leven en ik wou zeker niet hypocriet zijn. Inconsequentie is volgens mij dodelijk. De verticale benadering van een geloof, waarbij een woordvoerder van God bepaalt wat goed is voor de gelovigen, is niet creatief. Ik geloof meer in het horizontale. Dat geeft mij een veel groter gevoel van samenhorigheid, samen voelen en denken."

'Niemand kan mij ooit een definitie geven van het woord ethiek. Woordenboeken geven verschillende betekenissen, van 'het gedrag bepalen' tot 'goed en kwaad'. Als we ethiek konden definiëren, zouden we elkaar beter begrijpen. Voor mij is ethiek in elk geval areligieus. De dominee en de rabbijn claimen allebei te praten in naam van een opperwezen. Op de vraag of donorinseminatie mag, antwoordt de dominee ja en de rabbijn neen.

"Het is ook een lokaal en geen universeel gebeuren. Je kunt niet over de hele wereld hetzelfde denken. Culturen verschillen, er zijn tradities. Ethiek is zo waardevol dat ook de democratie er niet over kan oordelen. Als in een land zestig miljoen joden leven en veertig miljoen orthodoxe katholieken, dan laat de democratie toe dat de meerderheid beslist voor de minderheid. Dat kan niet. Zo krijg je illegaliteit. Over ethiek moet je nooit stemmen, over wetten wel. Het is niet omdat er een wet is die donorinseminatie toelaat dat andersdenkenden verplicht worden om die toe te passen. Maar je hebt verdraagzaamheid nodig om een wet te maken die de veertig miljoen orthodoxen toelaat om straffeloos voor donorinseminatie te kiezen."

Genetisch materiaal manipuleren loopt altijd op de wetten vooruit, zeg ik. U speelt zelf voor God de Vader. Hij moet erom lachen, maar neemt het heel ernstig. "Precies daarom is er in ons universitair centrum een jaar of vijf geleden een groep bio-ethiek opgericht. Die bestaat uit artsen, een psycholoog, een jurist, een filosoof, een paramedicus en een geneticus, en samen denken we na over concrete vragen uit de praktijk. Kan het dat je een embryo onderzoekt voordat je het inplant, of dat je het geslacht selecteert? Wat is de waarde van eiceldonatie? Wat zijn hiervan bijvoorbeeld de beperkingen op medisch en op sociaal vlak? Wat betekent het psychologisch en wettelijk voor die kinderen? Alleen kun je over dergelijke complexe problemen niet ver genoeg nadenken. Stel, een vrouw van zestig komt naar het spreekuur met de wens om via eiceldonatie zwanger te worden - wat een courante praktijk is, hoor. Als je met haar praat, begrijp je het verzoek: ze heeft een kind verloren, een carrière opgebouwd, er is een ongestild verlangen naar een kind. Maar de risico's zijn wel enorm. Voor de gezondheid van moeder en kind, en ook voor de leefbaarheid. Zal het kind nog een moeder hebben als het twintig is? Als je daarover beraadslaagt, moet je neen zeggen, dat kun je niet waarmaken. Dat is Realethik.

"Een kind willen kan heel egoïstisch zijn. De motieven waarom twee mensen kinderen willen, zijn niet altijd van het hoogste niveau. Ik moet toegeven dat het waarom voor mij een zwarte doos blijft. Daar zit ik mee in de knoei, ja.

"Sommigen hebben een kind omwille van het kind, anderen omwille van zichzelf. Hoe moet je dat onderscheiden? Maar dat is ook zo voor kinderen die er langs natuurlijke weg komen. Velen worden onbewust verwekt, nog altijd. Dat mag je misschien niet hardop zeggen, maar daar is niets oneerbaars aan, het is zo. Het gemakkelijkst is zeggen: we grijpen nooit in de natuur in, maar dan waren er zoveel kinderen niet geboren, dan waren er zoveel mensen ongelukkig gebleven. Het is de taak van de wetenschap om vooruit te gaan, om zich die concrete vragen te stellen en een kwaliteitsmerk af te leveren, zodat men achteraf geen berouw moet hebben over wat men heeft gedaan. Dat is mijn voortdurende bezorgdheid: dat er geen domme dingen gebeuren."

"Ik heb het enorme geluk gehad dat ik mij met een tak van de geneeskunde bezig heb gehouden waarin er een grote evolutie is geweest. Toen ik studeerde, kende men het stimuleren van ovaria als bevruchtingstechniek. Dat was het ongeveer. Van de jaren zeventig tot nu kwam er microchirurgie bij, endoscopie, in-vitrofertilisatie en nu als laatste de micro-injectie, een techniek die ontwikkeld werd op de medische campus van de VUB en waarbij een zaadcel rechtstreeks in de eicel wordt geïnjecteerd. Elke man die ook maar één zaadcel heeft in zijn ejaculaat kan embryo's creëren, waardoor de vraag naar donorinseminatie zo goed als niet meer bestaat. Dat concept is fabuleus, net als de pre-implantatiediagnose waardoor meer en meer ziektes opgespoord kunnen worden in een heel vroeg stadium, bij embryo's, in plaats van bij de zwangere vrouw. Dankzij die techniek worden alleen nog gezonde embryo's teruggeplaatst.

"Het is enorm boeiend om dat allemaal te weten. Het geeft een goed gevoel als je met die kennis de kinderwens van een paar kunt vervullen. Je hebt die mensen geholpen, de normale gang van hun leven is vervuld.

"Ik snap wel dat de afschrikwekkende sciencefictionverhalen voor het grote publiek steeds dichterbij komen. Dat ze geloven dat men in een laboratorium allemaal mensen met blauwe ogen kan ontwikkelen of allemaal identieke wezens. Maar dat is dus niet zo. Volgens mij berusten die denkbeelden op slechte informatie. De geneeskunde kan veel, maar ook bijzonder weinig."

Hij is vol van de goede ontwikkelingen in zijn vakgebied, maar ik vrees dat het naïef is om de vijand te onderschatten.

"Klonen kan, dat wel, de natuur maakt ook tweelingen. En het is waar dat je niet kunt voorspellen wat mensen met slechte bedoelingen in een of ander laboratorium van plan zijn", antwoordt hij daarop, en ik weet niet of deze gedachte hem verontrust.

"Er is nog veel wat we niet weten. Een aantal mensen krijg je nooit zwanger. Ontwikkelingsgeneeskunde betekent vooruitgaan, met vallen en opstaan. Dat geeft een latente frustratie omdat je het altijd beter wilt dan het op dat moment kan.

"Ik weet dat men veel van me verwacht, maar ik heb nooit faalangst. Ik gebruik de wetenschap tot op het bot. Wanneer ik alles wat ik weet heb toegepast en toch geen resultaat behaal, dan maak ik er abstractie van. Ik zou me slechter voelen als ik zou weten dat wetenschappers in Japan een procédé hebben dat ik niet ken, want dan benadeel je mensen. Ik ben er niet bang voor dat ze in andere onderzoekscentra behandelingen geheim houden, maar je moet wel op de hoogte blijven. Je mag nooit denken dat je het allemaal wel gehad hebt en dan maar wat aanmodderen."

Ik kan me voorstellen, zeg ik hem, dat de onrust van een onderzoeker groot is zolang niet alle problemen een oplossing hebben. Hij nuanceert, zoals hij dat bij alles doet.

"Ja en neen. In de voorbije vijfentwintig jaar zijn er veel problemen begrepen en opgelost. Het was een zeer constructieve tijd. Ik hoop dat dat de komende vijfentwintig jaar ook nog zo zal zijn, hoewel je niet op een krampachtige manier aan onderzoek mag doen. Je moet de zaken laten evolueren. Plots keer je je om en zie je dat het resultaat er is. Neem nu het kweken van eicellen in een laboratorium. Men is er nog niet, maar op een bepaalde dag zal dat kunnen. Het perspectief is er al wel.

"Ik zal dat niet meer meemaken, neen, en dat vind ik niet erg. Je moet afscheid kunnen nemen. Ik kan dat. Je moet bereid zijn om een andere job te doen, vind ik. Ik stel me wel de vraag hoe de nieuwe generatie zal oordelen over wat we nu doen. Als ze onze oplossingen veroordeelt, zou dat een blamage zijn. Het zou betekenen dat we het nu niet goed inschatten."

De vooruitgang in de behandeling van onvruchtbaarheid is spectaculair, maar niet alles lukt. Het moet een harde keerzijde zijn van het succes, zeg ik.

"Zelfs als ieder paar zou doorgaan met de behandeling, blijft 15 procent kinderloos. Het is heel moeilijk om met de nederlagen te leren leven. Sommige vrouwen haken voortijdig af. Waarom ze stoppen, ontglipt je. Was het een gebrek aan communicatie? Lag het aan de opvang of aan hun eigen ontgoochelingen? Ik weet het niet. Moeten meedelen aan een jonge vrouw dat ze nooit een kind zal hebben, vind ik vreselijk. Het is ook een gevaarlijk, negatief punt voor het paar zelf. Stel je voor, een vrouw heeft geen eigen eicellen maar aan haar man moet je vertellen dat zijn sperma perfect is. Dat geeft natuurlijk psychologische spanningen. Ik ben daar altijd bijzonder bang voor. Ik vraag me dan af hoe ik dat ga zeggen, maar er bestaat geen recept voor. Wat je weet, moet je zeggen, zonder omwegen. Maar het is zeer uitputtend, nog altijd. Als ik zo twee of drie gesprekken op een dag moet voeren, ben ik leeggezogen.

"Niet weten waarom het fout is gegaan, maakt me heel droef. Daar wen je niet aan. Dan ga ik wel eens met mijn wagen rijden op de lege autoweg. Soms allicht wat te hard."

'Ik ga graag op reis. Reizen brengt alles terug in de juiste proportie. Af en toe moet je afstand nemen. Dan zie je wat wij allemaal krijgen, hoe goed het hier is, al blijft België tenslotte maar een klein vlokje op de wereldbol. Ik ben ook graag alleen. Dat lijkt me een voorwaarde om je echt goed te kunnen voelen bij anderen. Ik heb de creatiefste ideeën in luchthavens, wanneer ik onbereikbaar en onder invloed van een jetlag ben.

"Ook contrasten kunnen je geest leegmaken. Ik heb er helaas steeds minder de tijd voor, maar wat ik ontzettend graag doe, is om vijf uur 's namiddags naar een gewoon cafeetje gaan, rond het voetbalstadion van RWDM, en daar met de mensen praten over de banaalste dingen. Domme dingen, soms. Dan leer je wat er onder de mensen leeft.

"Ik heb een hond thuis. Ik heb nooit tijd, maar je moet wel voor zo'n dier zorgen. Dus ga ik naar de hondenschool. Dat is zalig. Het is een nieuwe wereld, leren hoe je met die hond moet omgaan. Een mens moet aanvaarden dat hij voortdurend bijgestuurd moet worden. Of op zondagmiddag naar een heel klein voetbalploegje gaan. Daar zou ik honderd kilometer voor rijden. De sfeer van een kantine, dat vind ik zo leuk. De geest leegmaken. Alles eruit. Mijn omgeving vindt dat vreemd, noemt dat een beetje gespleten, maar contrasten geven je opnieuw energie."

"Het grootste gebaar van liefde is voortdurend geven, denk ik, niets eisen. Het is een grote vergissing om je eigen patroon op een ander te projecteren. Het beste is de mens een zekere vrijheid te geven. Afstand te doen van het bezit. Blij zijn als iemand het goed doet, beter dan jij, zelfs. Persoonlijk heb ik tot nu toe meer gekregen dan ik gegeven heb. Ik heb exact kunnen doen wat ik heb willen doen. Ik sta elke ochtend met mijn kinderen op en praat met hen. En af en toe probeer ik een dag of twee, drie met hen alleen te zijn. Wat ik dan zeg, is ook echt tot hen gericht. Ik lever continu een gevecht tussen mijn familie en mijn vak. Mocht ik alleen zijn, dan zou ik veel meer tijd kunnen steken in mijn werk, maar vanuit een fundamentele eenzaamheid kan ik niet functioneren. Zoeken naar evenwichten is zeer moeilijk.

"Ik ben geen opgejaagd dier, maar ik realiseer mij maar al te goed dat ik meer tijd vrij zou moeten maken om na te denken. Elk jaar in januari probeer ik in mijn agenda alles op te schrijven wat ik de volgende twaalf maanden moet doen, tot in het waanzinnige toe. Soms ben ik daar zelfs bang voor, want dwangmatig gedrag is zeer remmend. Maar toch is het belangrijk, omdat ik dan nadenk over wat ik allemaal ga doen om geen berouw te hebben over wat ik niet gedaan heb.

"Nadenken over de dingen waarmee ik bezig ben, heeft mij ook als mens veranderd. Ook de keren dat ik naïef ben geweest, te goedgelovig. Mijn vrouw zegt wel eens tegen mij: je gelooft te veel in de mensen. Ik vind dat je dat moet blijven doen, maar als je weet dat je benadeeld wordt, moet je reageren. Dat heb ik nu wel geleerd. Vroeger zou ik zelfs dat niet gedaan hebben.

"Ik relativeer alles onmiddellijk, wat ook goed is, maar er zijn grenzen, in naam van de eerlijkheid. Velen zien de wetenschappelijke wereld als een vorm van competitie, claimen voor zichzelf wat jij hebt ontdekt. Dat gebeurt regelmatig, en dat is eigenlijk wel kwetsend. Daar ben je ziek van. Toch is voor mij het kunnen opzetten van een idee al belangrijk genoeg. Als ik niet bij de uitwerking ervan betrokken ben, vind ik dat niet erg. Maar je moet wel heel alert blijven. Je kunt gemakkelijk misbruikt worden doordat je in een idee al je energie steekt en dan genegeerd wordt, of doordat er slechte afspraken gemaakt worden tengevolge van een foute communicatie.

"Het is voor mij soms heel frustrerend als ik niet exact kan verwoorden wat ik eigenlijk wil zeggen. Op de middelbare school heb ik geleerd de impulsen die je krijgt, en zeker de negatieve, door een spiegel te bekijken. Niet meteen te reageren. Daar win je immers niets mee, dat is een stierengevecht. Je nooit kwaad maken, maar er eerst nog eens over nadenken. Ik heb er nog een stap aan toegevoegd: 'tertiair' reageren, de zaak nog wat langer bekijken. En heel dikwijls lossen problemen zich vanzelf op. Aan die beheersing moet je werken. Ik weet niet hoe ik dat geleerd heb. Ik heb het grote geluk dat ik passioneel en rationeel tegelijkertijd ben. Je kunt je als mens maar goed voelen als je nooit dingen zegt die kwetsend zijn voor de andere. Ik praat met niemand over mijn conflicten, behalve met de betrokken persoon, onder vier ogen. Wat ik over iemand denk, daar heeft niemand zaken mee. Je moet ook nooit opmerkingen maken over mensen als ze er niet bij zijn. Zo geraken veel mensen uit hun evenwicht. Toch mag je sommige dingen niet laten rotten. Het vraagt echter moed om een mogelijke conflictsituatie onder ogen te durven zien. En ik ben nogal schuchter. Vraag is: hoe moet je reageren? Daar ben ik nog niet uit. Moet je iets zeggen? Een brief schrijven? Mocht ik tijd hebben, ik zou veel brieven schrijven."

Hij formuleert bedachtzaam en praat het voor de Vlaming zo zeldzame mooie Nederlands. "Dat heb ik geleerd van mijn leraar in de poësis. Hij was een kunstenaar en hij heeft mij de passie voor het woord bijgebracht. De verwoording is fascinerend voor mij. Ik heb nooit kunnen zingen, beeldende kunst raakt mij emotioneel niet echt, maar het woord wel. Goed praten, zo weinig mensen doen daar inspanningen voor, zelfs hooggeplaatsten in dit land. Ik snap dat niet."

We zijn het er roerend over eens dat taalbeheersing een verwaarloosd wapen is bij onze politieke leiders.

"Wat ik aan mijn kinderen het liefst zou doorgeven is net die verbale kracht, dat ze kunnen verwoorden wat ze denken en voelen. Dat is het enige wat me echt boeit."

Of het moeilijk is voor zijn kinderen om te leven met de genialiteit van een vader, vraag ik hem. Hij kijkt spottend.

"Om te beginnen ben ik geen genie. Ik verberg thuis ook voor een stuk waar ik mee bezig ben. Met opzet, om mijn kinderen niet te belasten. Ik relativeer voortdurend wat ik doe. Wanneer ik uitnodigingen krijg om te gaan praten ergens in de wereld, vraag ik me ook altijd af waarom ze mij vragen. Ik denk dat ze zich continu vergissen."

Hij lacht breeduit, ik noem hem vals bescheiden.

"Ik weet wel dat ik zeer moeilijke dingen gemakkelijk kan verwoorden. Maar daarvoor moet je je onderwerp heel goed beheersen. Waarschijnlijk komen ze daarom naar mij.

"Naarmate je meer verantwoordelijkheden in de maatschappij krijgt, word je meer geleefd. Ik zou absoluut Spaans willen leren. Ik luister in mijn auto regelmatig naar cassettes, maar ik zou een maand naar Zuid-Amerika moeten gaan. Het komt er niet van. Ik zou een boek willen schrijven over de medische evolutie op het gebied van fertiliteit, het is nog maar een idee. Ik probeer mijn dag in vakjes in te delen, maar er zijn vakjes te kort. Ik heb voortdurend het gevoel dat dingen mij ontglippen. Dingen die niet afgewerkt zijn, of niet goed genoeg, of gesprekken die niet lopen zoals ik het wens. Wanhoop ontstaat als je sneller wilt lopen dan je kunt gaan.

"Toch is een glas voor mij altijd halfvol. Ik bekijk alles altijd positief. Dat heb ik van mijn vader. Ik heb hem nooit iets negatiefs horen zeggen. Er is ook altijd overal een oplossing voor, behalve voor de dood. Het onmogelijke mogelijk maken, dat is de uitdaging, maar je moet ook de nederigheid hebben om te aanvaarden dat je alles op een onvolkomen manier doet. Je moet voortdurend jezelf in vraag stellen. Ik denk elke dag aan de dood. Ik vind dat je elke dag bereid moet zijn om te sterven. Ik zie de dood niet negatief. Je bent geboren en je moet sterven, dat zijn de enige zekerheden. Als je het zo bekijkt, kun je vanzelf alles veel beter relativeren.

"Ik zou graag willen sterven zonder lijdensweg. Ik heb mijn eigen vader het afgelopen jaar zien aftakelen en dat is wel hard. Toch moet je nooit opstandig zijn. Als je nederig bent, aanvaard je de hulpeloosheid van de wetenschap tegenover een fatale ziekte. De geneeskunde is de laatste vijftig jaar enorm geëvolueerd, ondanks alle kritiek die men erop kan hebben. Maar het heeft allemaal zijn beperkingen en wat kun je daaraan doen? Ik kan heel treurig zijn dat mijn vader er nu niet meer is, want we hadden een fantastische relatie, maar ik ben ook blij om wat er is geweest, en daar moet je altijd aan denken."

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234