Zondag 13/06/2021

'Ik draag de lach die pijnen mildert'

Zonder humor, lijkt Minne te willen zeggen, is het bestaan ondraaglijk, bij ontstentenis van zonneschijn valt in dit leven niet te wonen

Portret van schrijver-dichter Richard Minne

Door Christophe Vekeman

Zo kort van memorie ben ik dat ik mij niet eens herinneren kan of mijn geheugen ooit beter was dan nu. Dat ik niettemin nog altijd in staat ben mijzelf bijwijlen te verrassen door, op de koop toe vaak in kennelijke toestand, gedichten van Richard Minne uit het blote hoofd te reciteren, mag dan ook haast een wonder heten. Het zegt in elk geval veel over deze gedichten. Dat zij vrij kort zijn. Dat zij het onthouden waard zijn. Maar bovenal dat zij het vermogen bezitten om eenmaal in de geest tot klinken gebracht, nimmer meer te verstillen. Hun echo verzwakt niet, blijft eeuwig volmaakt.

Richard Julius Minne, die morgen precies honderdvijftien jaar geleden geboren zal zijn, heeft in zijn leven veel geschreven, maar liet toen hij in 1965 op zijn vierenzeventigste overleed toch een qua omvang zeer bescheiden oeuvre na. Zijn Verzameld werk, zoals dat vandaag bij uitgeverij Van Oorschot verschijnt, telt, 'Inhoudsopgave', 'Tekstverantwoording' en dies meer meegerekend, welgeteld 364 bladzijden. Niet erin opgenomen zijn immers de vele duizenden stukjes, columns, literatuurbeschouwingen enzovoort die Minne in de tweede helft van zijn leven voor het Gentse dagblad Vooruit, voorloper van De Morgen, heeft vervaardigd. "Schrijven voor de schijven", noemde Minne dat zelf. Vooral zijn van illustraties voorziene Brief aan Pierken en de dagelijkse, vanaf 1957 door Louis Paul Boon overgenomen rubriek 'In 20 lijnen' konden rekenen op grote lezersaantallen en maakten de schrijver ervan populair bij brede lagen van de bevolking. Het moet een schrale troost geweest zijn voor Minne, wiens in 1927 verschenen debuut, de dichtbundel In den zoeten inval, meteen zijn literaire hoogtepunt geweest was, de gouden kasseisteen aan het begin van een eindeloze, almaar smaller wordende terugweg. Van zijn zo fel gesmaakte, twintig regels omspannende krantensiersels achtte hij er zelf slechts één op de driehonderd waard, ooit in boekvorm te worden gebundeld.

In het Verzameld werk zijn, behalve het genoemde In den zoeten inval en andere, deels niet eerder gepubliceerde gedichten, zestien korte verhalen opgenomen, sommige minder dan een pagina lang, alsook het romanachtige Heineke Vos en zijn biograaf uit 1933. Het is op deze poëzie en, in mindere mate, dit proza dat de liefde voor Richard Minne gebaseerd was en is - niet de liefde van de grote massa, maar die van een even uiteenlopend als select gezelschap. Hebben in de loop der tijden hun bewondering voor Minne niet onder stoelen of banken gestoken: Willem Elsschot, Maurice Gilliams, Herman Teirlinck, Gerard Walschap, Jeroen Brouwers, Louis Paul Boon, Cyriel Buysse, Johan Daisne, Herman De Coninck, Edgar Du Perron en Erwin Mortier, om er maar een paar te noemen. Het Minnegedicht dat op het bidprentje van Gerard Reve prijkte, fungeerde eerder reeds als motto voor diens Verzamelde gedichten in 1987.

Hoe komt het toch dat Richard Minne, afgezien dus van zijn krantenwerk, zo weinig productief is geweest? Zoals altijd het geval is met onoplosbare vragen, zijn ook op deze heel wat antwoorden mogelijk.

Minne zelf beweerde graag dat hij zich aan de literaire kritiek weinig gelegen liet liggen. Of dit grootspraak was, en dus een vorm van zelfbescherming, kan in het midden worden gelaten, al lijken zijn herhaalde sneren richting 'poëziepolitie' er toch op te wijzen dat hij ook op dit gebied gevoeliger was dan hij zich wenste voor te doen. Hoe dan ook is buiten kijf dat hij andermans aanmerkingen niet behoefde om aan zichzelf en de waarde van zijn werk te twijfelen. Zijn zin voor verlammende zelfkritiek was even groot als de mate waarin hij zich mettertijd begon te verwijten dat hij zo weinig presteerde. "Als ik aan 't schrijven ben", zo liet hij al in 1929 aan zijn vriend annex collega-dichter Raymond Herreman weten, "dan ziet het er mij 18 karaat uit. Den dag daarop stel ik vast dat het klatergoud is, of erger nog: plaasterwerk. (...) Ik walg van mijn stijl. (...) Die stijl is niet oprecht, hij is gewrongen, beroest en karikaturaal."

Aan Herreman zelf, die er samen met Maurice Roelants voor zorgde dat de debuutbundel van de niet bepaald praktisch of zakelijk aangelegde Minne tout court werd gepubliceerd, heeft het in elk geval niet gelegen. Een aan de wand geprikte bloemlezing uit zijn brieven aan Minne zou boven geen enkele schrijftafel misstaan. In 1927 spoort hij aan: "Schrijf onmiddellijk. Stel niet uit. Neem de pen ter hand." In 1945 luidt het: "Laat uw machine niet los, Richard, en de rest zal u ook niet loslaten." Maar zeker in 1945 vermocht deze raad allang geen aarde meer aan de dijk te brengen. Zeven jaar eerder had Minne al onder de lede ogen moeten zien: "Mijn taal is als een vrouw, die ge verwaarloosd hebt. Zij vergeeft het u niet. Ik mat mij erop af en ze blijft koud, de teef."

Hoe meer zijn schrijverschap op een dood spoor belandde, hoe meer uitvluchten Minne vond om zijn literaire dadenloosheid te verklaren: de journalistiek slorpte hem volledig op, hij was bang zich te herhalen, hij was in het verkeerde land geboren, hij was slordig, niemand zat op zijn gedichten te wachten, zijn poëzie was te prozaïsch, zijn proza te poëtisch, 'foert' dus, en daarbij, een mens gaat toch "alles steeds meer relatief (...) bekijken: achter ons trekken ze de ladder op en dan is het toch gedaan", zoals hij drie jaar voor zijn dood televisiekijkend Vlaanderen wist te vertellen.

"Helaas!" staat te lezen in Heineke Vos, "mijn muze is als een vulpen. Zij kladt heimelijk uw binnenzak vol, maar wanneer gij haar diensten inroept, blijft ze stom." Even verderop doet het hoofdpersonage een andere vaststelling, die de vorige misschien wel verklaart: "Ik houd van tegenvallers, rampen en stokken in de wielen. Als er geen hinderpalen zijn, werp ik ze zelf op."

Is de geringe dikte van Minnes bijna anorectisch aandoend Verzameld werk dus het symptoom van een neurose? Of was de schrijver bovenal toch een klein beetje aan de luie kant? Een verplicht te schrijven, 'De luiaard' getiteld opstel haspelde hij op de middelbare school af in, jawel, twintig regels, of '20 lijnen' zo u wilt. Heineke Vos dan weer droomde op zijn beurt "van een roman in dertig lijnen, waar ieder woord een hoofdstuk is".

Op de genoemde middelbare school, het atheneum te Gent, zou Minne ooit twee dagen zijn geschorst wegens een ander opstel, dat als onderwerp het bezoek van de Belgische vorst aan deze stad had. Dit prille geschrift was dus al - dixit Minne later - even "weinig orthodox" en controversieel als zijn toekomstige werk zou zijn: zijn gedicht 'Gebed voor de galg', bijvoorbeeld, zijnde de zwanenzang van een expliciet aan Jezus Christus refererende misdadiger, liet in 1921 niet na de gemoederen van katholiek Vlaanderen fel te beroeren.

Maar ook en vooral in andere opzichten was Minnes poëzie van meet af aan opmerkelijk en subversief: zij was toegankelijk, spits, puntig, enigszins volks, individualistisch, pessimistisch, parlandesk, zowel afstandelijk als melancholiek, snullig en geniaal, zowel versluierd als recht voor de raap, leugenachtig en goudeerlijk, bitter en humoristisch. Ironie behoorde volgens Minne tot "de hoogste essentie der lyriek", en inderdaad, zijn gedichten zouden kunnen worden omschreven als poëtische paradoxen, als, om met de door Minne hooggewaardeerde wijsgeer Hegel te spreken, 'syntheses' van twee aan elkaar tegengestelde neigingen: die om te lachen, en die om hopeloos in hete tranen uit te barsten. "Ik draag den lach die pijnen mildert", vatte Minne treffend samen.

Minne, die ten gevolge van zenuwzwakte en een van dokterswege vastgestelde behoefte aan fysieke arbeid in de tweede helft van de jaren twintig als landbouwer aan de kost kwam, droeg de humor hoog in het vaandel - maar zijn lach was die van een boer met kiespijn, die zich bovendien genoodzaakt wist te veel hooi op zijn vork te nemen. Schreef hij: "Mijn leven werd, o Heer, niet opgebouwd/ uit de overweldigende dingen/ waar men geschiedenis uit houwt", toch viel dit leven hem zwaar, toch was dit leven overweldigend genoeg om hem geen andere keuze te laten dan die voor de relativerende humor, de gulle grijns, de zuinige glimlach.

Het bestaan is droef, koud en hard als de winter, en de religieuze heiden, de realistische mysticus Minne aanbad van de weeromstuit de zon. Ter gelegenheid van zijn zestigste verjaardag noemde Achilles Mussche hem een "Gentenaar tegen wil en dank (...) die in het verre zonneland pas tot volle gedijen zou komen", en inderdaad valt op hoe dikwijls de vuurbol in kwestie, bron van licht, symbool van lichtheid, in de poëzie van de zwaarmoedig geaarde Minne voorkomt: aan de hemel van maar liefst eenentwintig gedichten in het Verzameld werk staat zij te stralen of wordt er althans naar haar aanwezigheid, haar gloed en warmte verlangd. Op het einde van Heineke Vos is er sprake van een zonsverduistering, met alle gevolgen van dien: de mensen zijn bang en zenuwachtig, en zelfs "het koelste hoofd der stad verloor zijn zinnen. Een emeritus in sterrekunde hield het zijne nog 't langst boven water" - maar ten slotte verhangt hij zich toch. Zonder humor, lijkt Minne te willen zeggen, is het bestaan ondraaglijk, bij ontstentenis van zonneschijn valt in dit leven niet te wonen.

De geleerde hemelkenner uit Heineke Vos is overigens de enige niet in het Verzameld werk die de dood boven het leven verkiest. Van Heineke Vos zelf, zo wordt gemeld aan het begin van de korte roman, is het lijk in het water van de Leie aangetroffen, en de hoofdpersoon in het 'Kwart na zeven' geheten verhaal pleegt eveneens zelfmoord: net als de gepensioneerde sterrenkundige hangt hij zich op.

Richard Minne, die naarmate de jaren verstreken alsmaar meer zichzelf werd, wat in zijn geval wilde zeggen: een grommige brompot, was niet bepaald een tafelspringer, en blijkens de brieven die hij aan Herreman en Roelants richtte waren doodsverlangen en zelfs suïcidefantasieën ook hemzelf geenszins vreemd. In 1940 schrijft hij: "Meer dan eens hoop ik dat een kerel van achter een boom komt gesprongen en mij den schedel inslaat met een ijzeren staaf. Dan is alles voor goed gedaan." In 1950: "Mij gaat het, hoe zal ik het zeggen? te goed om in de Leie te springen en niet goed genoeg om er niet in te springen." En een jaar later: "Morgen werkdag: ge wenst bijna bij een verkeersongeluk om te komen." Het zijn citaten die er niet om liegen, zeker wanneer je in aanmerking neemt hoe báng Richard Minne wel degelijk was voor de dood: van de eindigheid van het bestaan lag hij naar eigen zeggen vaak letterlijk wakker, geteisterd door onzekerheid en twijfels. In den zoeten inval sluit af met het volgende 'grafschrift': "Gij verwacht u aan iets chics,/ dáár aan den oever van den Styx?/ Misschien is 't iets, misschien is 't niks./ X." Op de uitvaart van Richard Minne, niet door zelfmoord om het leven gekomen, maar gesloopt door ziektes en slijtage, probeerde volgens biograaf Marco Daane de zon "fletsjes door een dun wolkendek te prikken"...

Aanwezig op Minnes begrafenis was uiteraard zijn vrouw, Julienne, die pas in 1977 zou overlijden. Vijfenveertig jaar lang zijn zij getrouwd geweest, niet ongelukkig, naar het zich laat aanzien - maar in het werk van Minne komt zij nauwelijks aan bod. In het autobiografische verhaal 'Polderland' figureert zij onder de naam Annie. Het briefje dat zij de ik-figuur onder de neus schuift, heeft Julienne ook in de realiteit aan haar echtgenoot, de niet-schrijvende schrijver geschreven: "Schat, Als ge denkt dat ge ooit in iets, hetzij groot of klein, kunt slagen door het bij ongeregelde vlagen aan te vatten, zie dan van dat verkeerde denkbeeld af. Uw vrouwtje."

Voorts echter nemen de vrouwtjes, naar wie Minne tot op gevorderde leeftijd graag kijken mocht, in zijn werk een vrij prominente plaats in, welke plaats niet zelden een bordeel is. En zijn Minnes vrouwtjesfiguren geen hoeren, dan zijn zij toch 'lustig' of 'vrijgevig', hebben zij 'veel bemind' of verdienen zij het omineuze predikaat 'geëmancipeerd'. De vrouw is onmiskenbaar het sterke geslacht. In het verhaal 'De amazone' stelt de verteller ootmoedig vast: "De vrouw blijft de vrouw. Zij is de rechte lijn. En morgen zal zij met de buurvrouw over de bedgebeurtenissen klappen, tusschen twee teugjes koffie. Doe het haar eens na." De vrouw is machtig, imponeert, aan het raam passerende meisjes zijn in staat een dag "naar de knoppen van schoonheid" te helpen.

Soms zelfs is de vrouw gevaarlijk, op het castrerende af, zoals de bijtgrage Eva in de Hof van Eden. Gedicht uit In den zoeten inval: "Daar is weer de vrouw:/ S.O.S./ 'k Zit in den klauw/ en onder 't mes." Regels uit een ander gedicht, waarin Minne Baudelaire in decadenterigheid naar de kroon lijkt te willen steken: "Poesje, niet klauwen nu. Van u door-zond/ staat zelfs de laatste schuilhoek dezer kamer./ (...)/ Uw vinger weegt van zevenkleurige steenen/ en om uw pols kruipt slang en hagedis". Ten tijde van zijn 20 lijnen werd de columnist door lezeressen regelmatig beschuldigd van misogynie - ook als populaire pennenheld bleef hij onverminderd controversieel.

Net als Heineke Vos moet Minne "een asceet tegen zijn goesting" zijn geweest: zinnelijk én gevoelig, opgetrokken uit de eisen of althans de wensen van het vlees en de behoefte aan iets hogers, geestelijke eenwording, intimiteit. Terugkijkend op een en ander stelt Heineke Vos de vraag: "Is het niet bedroevend, Fanny, dat er zoo weinig idylle mee gemoeid was?" Verscheurd als Minne, de onliteraire poëet, de Tsjechov lezende boer, zich in velerlei opzichten wist, misschien ook seksueel, valt zijn voeling met Hegels dialectiek vrij eenvoudig te verklaren, ja, ligt zij zelfs voor de hand. "Stof en geest", zo dichtte hij, "dualiteit/ die mijn ziel/ ten bloede snijdt."

In 1978, op de achterzijde van het tijdschrift Tirade, constateerde uitgever Geert van Oorschot dat "bijna geen enkele boekhandel" de Verzamelde gedichten van Richard Minne in voorraad had. "Ik vrees", voegde hij eraan toe, "dat daar nooit verandering in zal komen." Of Minne, toen dertien jaar gestorven, "dáár aan den oever van den Styx" door deze mededeling zwaar getroffen is geweest, valt bezwaarlijk aan te nemen. Tenslotte heeft hij er meermaals blijk van gegeven, niet voor de eeuwigheid, maar "slechts voor 't heden" te schrijven, aldus "den troost van 't eigen lied" genietend. Eerzucht en de hang naar roem, die "magere illusie", konden slechts zijn (zelf)spot wekken, en trouwens: "Gewonnen roem/ (...)/ Is maar een flits,/ is maar een knal./ Daar is de sneeuw/ en dekt het al."

Ware woorden, zonder twijfel, maar laten we niettemin hopen dat de genoemde sneeuw met ingang van vandaag verdwijnt voor de zon die het Verzameld werk van Richard Minne in letterlijk elke boekhandel zal zijn.

Richard Minne

Verzameld werk

Van Oorschot, Amsterdam, 364 p., 29,50 euro.

'Mijn taal is als een vrouw, die ge verwaarloosd hebt. Zij vergeeft het u niet. Ik mat mij erop af en ze blijft koud, de teef', zei Minne ooit misnoegd over wat hij schreef

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234