Zaterdag 31/10/2020

'Ik doe niets nieuws en ik heb niets uitgevonden'

Hij maakte een kunstwerk van de Comme des Garçons-winkel in Tokio en in september stelt hij tentoon in het Tate Modern in Londen. Toch denkt Jan De Cock, nog geen dertig en nu al een van de meest spraakmakende kunstenaars van deze tijd, niet in termen van carrière: 'Ik maak kunst omdat ik dat wil.'

Nica Broucke / Foto Stephan Vanfleteren

'Ik ben een tentoonstellingsmaker. Ik combineer twee dingen: expo's maken en beeldhouwen", antwoordt De Cock bij een bord asperges à la flamande, aan de vooravond van zijn vertrek naar Frankfurt, waar hij op 25 mei exposeert. De vraag luidde: 'Hoe zou u zichzelf, en uw kunst, omschrijven?'

De Cock is net 29 geworden. "Van binnen voel ik me veel ouder. Ik ben een pee van 43", zegt hij, al ziet hij er helemaal niet zo uit. Lang en donker haar, mooie ogen, een vastberaden stem. Goed gekleed. "Ik vind het van respect getuigen dat je er verzorgd uitziet, maar mode interesseert me niet. Al vind ik wat Rei Kawakubo doet heel goed." De bewondering is wederzijds. Na de interventie van De Cock doopte Kawakubo de mannenwinkel van Comme des Garçons in Tokio 'Jan' en bracht ze een aantal accessoires uit onder dezelfde naam. "Ik heb net een mooie, lederen tas toegestuurd gekregen", zegt De Cock. "Binnenin staat 'Jan' gegraveerd."

Zou u, mocht men u vragen, ook een kunstwerk voor H&M maken?

"Neen, nooit. Kawakubo en ik werken in dezelfde avant-gardistische stijl. We zijn zielsverwanten."

Hoet omschreef u ooit als 'een schrijnwerker'.

"Ik heb met Jan Hoet samengewerkt, tegen mij zegt hij andere dingen. Het is niet eens een oneer: hij noemt me tenminste een vakman, dat kunnen weinig anderen zeggen. Door een vak te beheersen kun je je beter uitdrukken. Dat is het voordeel van vakmanschap en mijn kunst, je kunt altijd anticiperen. Mocht ik dat niet doen, zou ik een oude, conservatieve zak zijn die dwaze kubusjes in wegwerpkarton zou maken die je in een vitrinekastje kunt zetten."

Voor een buitenstaander lijken al uw werken een variatie op hetzelfde thema: het plaatsen van vezelplaten in de ruimte.

"Zeg maar voor 99,9 procent van de wereld. Zelfs mijn vrienden durven me die vraag te stellen: 'Hoe komt dat, Jan? Doe jij nu altijd hetzelfde of wat is dat?"

Wel, wat is het antwoord?

"Neen, ik doe niet altijd hetzelfde. Neem je het Fassbinder kwalijk dat hij twee goede films per jaar maakte? Ga je tegen Mondriaan zeggen dat hij steeds dezelfde lijnen trok? Tegen Donald Judd dat hij te veel kubussen heeft vervaardigd? Tegen Dan Graham dat hij moet ophouden met glaspaviljoenen? Tegen Buren dat hij altijd dezelfde zwart-wit strepen maakt? Ik denk het niet.

"Hoe komt het dat die mensen staan waar ze nu staan? Omdat ze trouw bleven aan wat ze wilden maken! Omdat ze een eigen visie hadden en een eigen taal, die ze keer op keer aanpassen en die ze blijven vernieuwen in alles wat ze doen.

"De clou is: is het interessanter om een ideëenkunstenaar te zijn, elke keer een nieuw ideetje in telkens een nieuw medium op een andere manier uitwerken, of is het interessanter om herkenbaar te zijn in groen, rood en wit en elke keer iets totaal anders te maken?

"Je kunt het mij toch niet kwalijk nemen dat 99,9 procent van de bevolking niet kan kijken? Ik wil mensen léren kijken, dat beschouw ik als mijn taak. Maar je kunt ze niet leren wat ze niet hebben ervaren. De mensen moeten binnenkomen in mijn werk."

U maakt werk dat de mensen moeten 'ervaren'.

"Je leert het best door de dingen zelf te ervaren, ja. Dat heb ik geleerd bij de jezuïeten in het Sint-Jan-Berghmanscollege in Brussel. Ik herinner me hoe ik als dertienjarige vier maanden als straf in een lege zaal moest blijven, terwijl ik de anderen buiten op de speelplaats zag spelen. Ik kan je verzekeren dat je op dat moment ervaart wat het is om gestraft te zijn. Maar goed, ik ben niet lang in het college gebleven. Ik ben er net niet buiten gegooid, men heeft me vriendelijk aanbevolen de richting Latijn-wiskunde niet verder te zetten. Ik ben toen naar de kunsthumaniora in Sint-Lucas gegaan. Ik wist toen al dat ik de dingen wou doen die ik nu doe. Ik ben dus door niemand 'ontdekt', ik heb mijn eigen parcours afgelegd."

U noemt uw architecturale installaties 'Denkmal'. Leg eens uit?

"Denkmal slaat niet alleen op het Duits voor monument, voor mij betekent het: 'een mal om in te denken'. Een 'mal' is ook, letterlijk een afgietsel van een vorm. Daar is niets ingewikkelds aan.

"Mensen denken altijd dat ik, omdat ik grote dingen maak, megalomaan ben. Maar ik ben een eenvoudige man, die in zeer eenvoudige verhoudingen denkt. Ik doe niets nieuws en ik heb niets uitgevonden. Maten, modules, vormen, de gulden snede... De Grieken en Romeinen deden het al en het komt allemaal terug. Alles wat we op school in ons boekje Van Altamira tot heden hebben geleerd. Dat is mijn taal, die van het modernisme. En dat is de taal waarvan de mensen beweren: het is weer van dat, weeral een kubus, weeral rechte lijnen... Het is iets wat anderen niet (meer) doen en dat zorgt voor ergernis, ja. Maar het is ook mijn sterke punt."

Hebt u dat van thuis meegekregen, die drang om te creëren, te communiceren? Uw vader was een gereputeerd cameraman, uw broer Gerrit zit in de media.

"Ja, maar dat ligt toch mijlenver van wat ik doe. Ik ben communicatief omdat ik al mijn hele leven moet uitleggen waarmee ik bezig ben. Het is niet zo dat ik van thuis uit gestuurd ben. Toen ik een jaar of zestien, zeventien was, wist ik zelf al waar ik naartoe wou. Dan ga je niet bij een carwash werken, maar bij een schrijnwerker of in de bouw. Ik ben er al jaren van 's ochtends tot 's avonds mee bezig. En ik heb ook heel veel slechte dingen moeten maken, want je kunt geen goede kunst maken zonder slechte."

Is dat wat u 'Randschade' noemt?

"Neen, dat is iets anders. Randschade is de schade die je met kunst kunt aanrichten. Het is niet alleen negatief. Bij een bombardement worden gebouwen kapotgemaakt, maar er kunnen nieuwe in de plaats komen. Dat is het uitgangspunt voor de tentoonstelling in Frankfurt."

Wat gaat u in Frankfurt doen?

"Ik verzeker je dat het een ongelooflijk goede expo wordt. Duitsland, dat zie je voor zo voor je: dat is koud, dat is platgegooid geweest, daar blijft niet veel meer van over. En dan is er het centrum van Frankfurt, ik denk dat er in heel Duitsland geen eclectischer of absurder plaats te vinden is. Er is een museum uit de jaren tachtig, een oude dom. Je hebt een archeologische site, gecombineerd met het conservatiefste marktplein met alle syndromen van dien: het fonteintje, de oer-Duitse biertenten met terrassen en daartussen heb je nog eens immens lelijke gebouwen uit de jaren zeventig volledig in beton opgetrokken. Enfin, dat alles wordt nog eens aan elkaar geregen door de meest foute renovatie in de geschiedenis, zo'n beetje à la Brugge met bakstenen en zo.

"Om een lang verhaal kort te maken, het museum is atypisch voor zijn omgeving. En daar wil ik iets mee doen. Ik ben gevraagd door Max Hollein, die een van de meest gerenommeerde instituten van Duitsland, de Schirn Kunsthalle, leidt. Hij is niet bang om tentoonstellingen te plannen met kunstenaars die al overleden of fin de carrière zijn. Elk jaar is er een kunstenaar die een artist in residence-programma krijgt, en dit jaar ben ik dat. De tentoonstelling opent midden mei, en loopt tot in oktober. Dat is zeer lang.

"Maar om op je vraag terug te komen, die Kunsthalle, dat museum zoals het vandaag is, is een problematisch gebouw, een erg moeilijk gebouw ook."

Waarom?

"Omdat het naar mijn normen te weinig karakter heeft. Maar ik probeer altijd de periferie van een gebouw te onderzoeken totdat ik het snijpunt vind waarvan ik denk dat ik er iets mee kan doen. Dat kan intellectueel of vormelijk zijn of iets dat ik aan de lijve heb ondervonden."

En concreet voor de Kunsthalle?

"Het scherp van de snee tussen het museum als verzamelplaats en het meest eclectische plein dat ik ooit in mijn leven ben tegengekomen, het plein waarop dat museum ligt... Ik ga iets maken dat zich zowel binnen als buiten afspeelt. Ik ga een tweede museum bouwen, buiten, een tweede ingang ook. Dat heb ik nog nooit eerder gedaan. Het wordt een werk dat de geschiedenis van stad in vraag stelt, waar iedereen aan zal kunnen deelnemen, want 90 procent speelt zich buiten, in de publieke ruimte, af. Het hele werk wordt nog eens voor 100 procent gerecycleerd in de ramen van het museum zelf."

Opnieuw in hetzelfde materiaal? Vezelplaten en multiplex zijn toch niet buitenbestendig?

"Neen, dat is ook niet de bedoeling. Als dat werk binnen zes maanden zo rot staat dat je het zelfs niet meer kunt fotograferen, dan is dat maar zo. De kracht van het werk schuilt ergens anders."

Voelt u zich gevleid dat het Tate Modern u, na Tuymans, als tweede Belg ooit, heeft gevraagd?

"Niet echt, neen. Het is een groot gebouw, en daarom geeft het wel meer druk, ja. We zullen wel zien, ik moet de expo nu gewoon eerst maken. Ik ben er niet zenuwachtiger voor dan voor Frankfurt. Ik geloof in wat ik doe, ik heb mijn principes en mijn manier van werken. En als je, zoals ik, hard werkt, moet er al heel veel fout gaan opdat het niet goed zou zijn. Ik weet ook nog niet goed wat ik er precies ga doen, elke tentoonstelling is een ander verhaal. Ik zei het al, ik doe eerst onderzoek. Ik ga dan proberen om schalen te maken, verhoudingen in te schatten... Ik maak nooit vooraf maquettes of tekeningen. Alles zit in mijn hoofd."

Hoe komt een 29-jarige in het Tate terecht?

"Ja, hoe komt dat? Door goede tentoonstellingen te maken. Als ik in de periferie van de grote musea en buiten de S.M.A.K.'s van deze wereld een expo maak in de Boekentoren in Gent waar twee man en een paardenkop naar komt kijken, maar waar ik wel mijn principes heb kunnen duidelijk maken en een man als Jan Debbaut (een van de curatoren van Tate, NB) komt daarnaar kijken, wat kan ik daaraan doen?"

In 1999 was u een van de Coming People in het S.M.A.K. en minder dan vijf jaar later staat u al op Manifesta in San Sebastián, in Frankfurt en in het Tate Modern. Van een blitzcarrière gesproken.

"Het Tate is geen eindpunt, het is gewoon een expo die ik binnen mijn parcours graag zou doen. Dat heeft niets met carrière maken te maken. En ik ben al van mijn zestiende bezig. Ik ben een kunstenaar, geen strateeg. Carrière maken interesseert me niet. Alles wat ik doe, doe ik in termen van de wereld verbeteren. Ik ben, voor zover ik weet, misschien wel de onafhankelijkste kunstenaar die er rondloopt. Mijn werk laat zich nooit door 'de markt' dicteren."

Een wereldverbeteraar! Denkt u dat uw kunst de wereld kan veranderen?

"Kijk, ik maak in de eerste plaats kunst voor mezelf, maar dat neemt niet weg dat ik inderdaad kan stellen dat ik er als enige in geslaagd ben om in een biënnale als de Manifesta iets blijvends te veranderen. Wanneer de soep die in een museum geserveerd wordt op is, wat blijft er dan van over? Ja, de incrowd heeft van de soep geproefd. Maar als ik een expo maak in een leegstaande fabriek van dertig jaar oud en als de stad San Sebastián nadien beslist, doordat ík dat gebouw heb gevonden en omdat ik erin geslaagd ben het in de periferie open te stellen voor het publiek, om datzelfde pand te gebruiken om er workshops voor kinderen in te organiseren, er een bootmuseum in onder te brengen en er de mensen uit de omgeving de mogelijkheid te geven hun boot te restaureren, dan ben ik toch goed bezig? Ik heb er niets extra voor moeten doen. Ik heb gewoon die expo daar gemaakt. Dat hoofdstuk is nog niet afgesloten, het loopt verder. Ik heb iets in gang gestoken, net zoals ik in het PSK heb gedaan."

U hebt een restaurant gemaakt in de Hortahal.

"Neen, ik heb een kunstwerk gemaakt waarin je ook kunt eten - dat is iets anders. Een werk met toegevoegde waarde, ik heb de ruimte met 500 vierkante meter vergroot, iets aan de structuur van het gebouw toegevoegd.

"Wat denk je dat ik in de Hortahal van het PSK heb gedaan? Ik heb de bestaande geschiedenis van het gebouw, waarvan iedereen dacht dat die voorgoed voorbij was, veranderd. Ik heb gevochten om er een kunstwerk te mogen maken, om in een muur van Horta drie gaten te mogen bouwen. Dat ik, in een conservatief land als België, van Monumenten en Landschappen de toelating heb gekregen om zoiets te doen is toch opzienbarend? Blijkbaar is het dan toch mogelijk om het PSK nog te vernieuwen! Ik heb gevochten voor dat werk en dagenlang gepraat met Paul Dujardin. Ik heb geluk gehad dat de directeur van het PSK in het project geloofde.

"Maar, het is niet omdat mijn kunst de wereld kan veranderen dat ik de trend volg van mensen die beweren dat ze sociale kunst kunnen maken of dat kunst op de sociale processen kan ingrijpen. Die mensen zijn meestal deconstructief bezig. Ze werken overal, behalve in een museum en áls ze al iets in een museum doen, dan moeten alle ramen eruitgehaald worden of moet het worden platgegooid.

"Vandaag de dag kun je ook geen video's of televisieschermen tonen in een museum, vind ik. In een witte ruimte de ramen met zwart plastic van de boerenbond afplakken, dat kan niet, ongeacht de kunstenaar. Bill Viola in het Stedelijk Museum Amsterdam onlangs, dat vond ik van een ongeoorloofde arrogantie getuigen. Let wel, ik ben niet tegen videokunst, maar ik vind dat video niet thuishoort in een museum. Ik zou zelf iets met film of video willen doen, maar tot nu toe heb ik er geen interessante oplossing voor gevonden."

U zegt van uzelf dat u een tentoonstellingsmaker bent. U maakt in een museum uw eigen tentoonstellingen. Is dat niet beperkend of, nog erger, uit de tijd?

"Waarom mag je niet constructief nadenken over de relatie tussen de kunstenaar, het kunstwerk en het museum? Kijk, ik heb iets in gang gezet waarvan iedereen dacht dat het voorbij was: je kúnt werken met rechte lijnen, zuivere vormen maken en toch vernieuwend bezig zijn. Ik vind alles wat er buiten het museum gebeurt oninteressant. Als er geen relatie is met wat er zich in het museum afspeelt, is het geen interessante kunst. Kunst op straat of grote happenings, het zegt me allemaal niets. Mijn werk in San Sebastián stond weliswaar in een apart gebouw, maar het fungeerde zelf als museum."

Met welke kunstenaars voelt u zich wel verwant?

"Dan Graham, Daniel Buren, Marcel Broodthaers. Broodthaers was ook iemand die vond dat het museum belangrijk is."

Voelt u zich de erfgenaam van Broodthaers?

"Ik voel me verwanter met iemand als Van de Velde of Frank LLoyd Wright, maar als je het in termen van reïncarnatie of volgens de logica van 'kosmische extremisten' bekijkt, dan kun je stellen dat ik werk in de geest van Broodthaers. Letterlijk dan: hij is in maart 1976 gestorven, dat is twee maanden voor mijn geboorte. Maar ik laat het aan anderen over om uit te maken of er al dan niet iets van Broodthaers in mij is overgegaan. (lacht)"

Zijn er nog projecten waarvan u droomt?

"Ik ben geen dromer, ik ben een zeer slechte slaper."

Het Belgische paviljoen op de Biënnale van Venetië?

"Het zou wel leuk zijn om het Belgische paviljoen te doen, maar om nu te zeggen dat dat een droom is, neen. Het is geen geheim dat ik een relatie heb met Henry van de Velde, de architect van het paviljoen en van de Boekentoren in Gent. Ik denk dat ik als een van de weinigen iets zou kunnen maken dat rekening houdt met de geschiedenis van het gebouw. Maar ik geloof niet dat ze me ooit zullen vragen."

U zei daarnet dat u nooit tekeningen of maquettes maakt. Dus de kleine verzamelaar kan geen 'Jan De Cock' in huis halen.

"Ik maak wel tekeningen, natuurlijk, maar die zijn niet te koop. En fotowerken ook. De markt interesseert me niet. Je moet al ver zoeken wil je iets van mij kunnen kopen. Op Art Brussels werden er twee lichtbakken van mij, met foto's van San Sebastián, verkocht. Ik maak geen multipels. Ik ben een van de weinigen in het wereldje die niet kan zeggen dat hij via de markt zijn boterham verdient. Er zijn natuurlijk verzamelaars, zoals Anton Herbert en Filiep Libeert die mij - moreel - al lange tijd steunen."

Wat doet u wanneer u niet werkt?

"Ik ben altijd aan het werk, tussen de borstvoedingen door. (lacht) (De Cock is net vader geworden, NB) In mijn atelier staat een pingpongtafel. Als ik veel heb gezaagd en geklaagd kan dat op korte termijn wat stress afwerpen. Ik kan zeer goed pingpongen. Wist je dat ik zelfs nog competitie heb gespeeld? Ik mag gerust zeggen dat mijn balgevoel zeer groot is."

Dus niemand durft het tegen u op te nemen?

"Toch wel, mijn jongens spelen ook goed. Wanneer ik, zoals nu, naar Frankfurt ga, verhuis ik mijn hele atelier mee. Ook de pingpongtafel."

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234