Zaterdag 05/12/2020

Interview

"Ik denk weleens: waarom doe ik dit mezelf toch aan?"

Jaak Van AsscheBeeld Stephan Vanfleteren

Acteur Jaak Van Assche is de zesde in een reeks van tien bekende Nederlandstalige toneel- en filmgrootheden die geïnterviewd worden door Margot Vanderstraeten. Fotograaf Stephan Vanfleteren zet de door de wol geverfde zestigplussers voor zijn lens.

"Of ik een seriemoordenaar zou kunnen spelen? Zeker. Maar liever dan dat was ik een Inspector Morse geweest, ik vind het jammer dat dat er nooit van is gekomen. Morse ontroert me, nog altijd, zelfs als ik de afleveringen al meerdere malen heb gezien. Kurt Wallander, van de gelijknamige Zweedse serie, heeft op mij hetzelfde effect. Beiden zijn politie-inspecteurs met een grote, maar ook discrete portie menselijkheid.

"Zal ik mijn visie op Morse eens schetsen aan de hand van één enkele uitzending? Morse heeft een zeer moeilijke zaak opgelost. De aflevering loopt naar haar einde, alles is in kannen en kruiken. En toch zie je als kijker dat Morse, die nog enkele futiliteiten moet afwerken, door iets opgejaagd wordt. Je denkt dat je iets hebt gemist en vermoedt dat de plot op het allerlaatste moment nog zal wijzigen. Maar nee hoor, de spanning, die subtiel is opgebouwd, heeft een andere oorzaak. Morse is gehaast omdat hij die avond in het mannenkoor moet zingen en de hele tijd vreest dat hij te laat op die repetitie in de kerk zal komen. Een shot later staat hij daar dan met de partituur in de hand. Ja, prachtig vind ik dat."

Aldus Jaak Van Assche. Alias Jean De Pesser uit De Collega's, Fernand Costermans uit F.C. De Kampioenen, Frans Van As uit De zonen van Van As, Roger Hendrickx uit Katarakt. Om slechts vier toonaangevende rollen in evenveel tv-series te noemen.

In het totaal werkte Van Assche, die nog altijd aan het werk is, aan tientallen tv-series en films mee. Daarnaast was hij gedurende zijn lange acteurscarrière, tot aan zijn officieel pensioen in 2005, verbonden aan het Mechels Miniatuur Theater, dat in 1956 werd opgericht en ruim zestig jaar later opging in het nieuwe theater van Mechelen, 't Arsenaal.

Jaak Van Assche: "Ik ben een van de weinige Vlaamse acteurs van mijn generatie die gedurende zijn hele beroepsleven een contract van onbepaalde duur heeft gehad. Ik heb een pensioen opgebouwd, zoals iedereen die in normaal dienstverband werkt. Mijn sociale zekerheid is gedekt. Veel van mijn collega's - mijn échte collega's dan, niet die van het ministerie van Financiën waar De Pesser werkte; correctie, waar De Pesser zijn tijd verdreef - zitten in een ander schuitje. Om van de jongere generaties nog te zwijgen.

"Ik vind de huidige situatie voor jonge acteurs een regelrechte ramp. Er zijn vandaag geen theatergezelschappen meer. Er is geen enkele acteur ingeschreven bij 't Arsenaal. Vast dienstverband is onbetaalbaar geworden. Iedereen is freelancer. Iedereen wordt louter en alleen per prestatie betaald.

"Talent heeft geen keuze meer en dat is een schande. Jonge freelancers krijgen vaak, en dat wordt hen op voorhand ook zo gezegd, geen vergoeding voor alle repetities waaraan ze keihard meewerken. Kun je je dat voorstellen? Dat ze enkel per voorstelling worden betaald, en dan nog amper loon naar werken krijgen? Hoe moeten die jonge mensen, die meestal ontzettend gemotiveerd en gedreven zijn, hun leven en hun sociale zekerheid opbouwen? Wat doet zo'n systeem met iemands visie op werk? Wat voor waarden geven wij, de maatschappij, aan hen mee? Wat zegt dit over ons?

"Ik heb een kleindochter van 16. Ze heeft talent voor toneel en overweegt om in die richting verder te studeren. Ik doe mijn job bijzonder graag. Ik vind dat ik het mooiste beroep uitoefen dat er bestaat. En toch zeg ik aan mijn kleindochter: 'Meisje, denk drie keer na over wat je zult doen, want je gaat aan dit vak geen duit verdienen. Integendeel, je schiet er nog bij in!'"

Is dit de politicus in de acteur die nu spreekt? U was achttien jaar lang schepen van cultuur (VU) in Bonheiden en na uw overstap naar de N-VA werd u er gemeenteraadslid.
"Het is de bekommerde en sociaal geëngageerde mens in mij die spreekt. Ik zeg wat me, vanuit een maatschappelijke betrokkenheid, op het hart ligt.

"Ik denk vaak: dat die van het ministerie van Cultuur, dat al diegenen die van aan hun bureau beslissen over het leven van zovele acteurs maar eens een paar dagen doen wat zo'n acteur doet. Het loon dat deze ambtenaren maandelijks op hun rekening gestort krijgen, staat niet verhouding met het gebrek aan loon en zekerheden van acteurs. Het gros van de ambtenaren heeft geen idee van de inspanningen die op het veld geleverd worden."

Jaak Van AsscheBeeld Stephan Vanfleteren

'De collega's', Jan Matternes tv-serie die sinds 1978 en dankzij veel heruitzendingen Vlaams cultureel erfgoed is geworden, zijn actueler dan ooit?
"Natuurlijk. Het succes van die serie, die eerst als theater de ronde heeft gedaan, hangt samen met die hoge mate van herkenning, en de wereldvreemdheid van vele ambtenaren is helaas tijdloos.

"Jan Matterne (1922-2009, acteur, scenarist, regisseur; MV) wilde de reeks trouwens eerst De kantoortuin noemen. Daarmee doelend op die metamorfose die veel mensen in hun werkomgeving ondergaan: ze kunnen er iemand zijn die ze in hun privéleven niet kunnen zijn. Ze spelen er een andere rol. De recentere tv-serie Het eiland draait ook rond dit thema.

"Ik heb onlangs nog eens enkele uitzendingen van De collega's afgespeeld. En ik betrapte mezelf erop dat ik bleef kijken. Ik heb nog altijd plezier in die reeks. Ook als ik mezelf zie, ja. Ik heb geen problemen met de jongere en slankere versie van deze Jaak. Ik ben gene moeilijke mens.

"De dialogen in De collega's blijven ook nog steeds overeind. Matterne beheerste de kunst van de dialoog als geen ander. Voor zijn tijd waren Vlaamse fictie en theater nog zeer literair. Teksten misten spontaniteit en klonken kunstmatig. Matterne heeft, ook met de reeks Beschuldigde, sta op, verandering in die schriftuur aangebracht. Hij liet improvisatie toe, sterker nog, improvisatie werd een belangrijk ingrediënt van zijn werk, van ons werk dus.

"De BRT stond niet te springen om van De collega's een tv-serie te maken. We hebben met het Mechels Miniatuur Theater eerst een jaar lang de comedy gespeeld. Het publiek was laaiend enthousiast. Geleidelijk aan is de BRT toch overstag gegaan.

"Ook toen al durfde de BRT geen keuzes te maken, net als nu. Sta me toe te zeggen dat ik dat niet begrijp. Ik snap niet dat 'leiders' zo angstig zijn dat ze uiteindelijk niet meer voluit voor iets durven te gaan en elke visie kwijtspelen.

"Waarom is de VRT gestopt met F.C. De Kampioenen? Omdat de leiding bang is van entertainment? Omdat een fractie van de media moeite heeft met het soort ontspanning dat F.C. De Kampioenen biedt? En hebben die media dan gelijk? Wie heeft baat bij een stopzetting van een succesvolle reeks?"

U maakt geen onderscheid tussen hoge en lage cultuur. Tussen uw rol als Pozzo in Becketts 'Wachten op Godot' en uw rol als Fernand Costermans in 'F.C. De Kampioenen'?
"Of ik nu soap speel, comedy of klassieke stukken: ik zal overal het beste van mezelf geven. Dus waarom zou het ene dan minderwaardig zijn aan het andere?

"Daarnaast moet een acteur, net als ieder ander mens, brood op de plank hebben. Het is misschien geestig om tot je 26ste te koken met een gasvuurtje dat op een sinaasappelkist staat, maar daarna is de tijd van de romantiek toch voorbij.

"Om op dat hoog en laag terug te komen: ik heb bijvoorbeeld geen enkele connectie met ballet en moderne dans. Mijn standpunt is: waarom zou je dansen als je, wat je te zeggen hebt, ook gewoon kunt vertellen? Dus als ik moet kiezen tussen het schitterende toneelstuk Pygmalion en My Fair Lady, kies ik Pygmalion. Het werd geschreven door de Ierse Brit George Bernard Shaw en de vijf akten zijn geweldig. Op basis van dit toneelstuk is dan later de musical My Fair Lady ontstaan. Zelfde verhaal. Maar toch anders. En gezongen. Ik vind er niets aan. Maar vind ik musical daarom minderwaardig? Nee.

"Tussen snobisme en zogenaamde betere of intellectuele theaterkunst loopt een vage grens. Een aantal critici kiest zo rechtlijnig de kant van 'moeilijke' kunstenaars en producties, dat ik me afvraag of ze dat niet gewoon doen om zich op die manier van 'het gewone volk' te onderscheiden. Die wrijvingen hebben altijd gespeeld, ze zullen nooit helemaal verdwijnen.

"Ik herinner me het gevecht dat het Mechels Miniatuur Theater geleverd heeft. We brachten zo veel mogelijk voorstellingen, om op die manier voldoende geld voor de werking van het theater binnen te rijven. We hadden succes, trokken volle zalen. Waarna we, uiteraard, op onze donder kregen omdat we volgens bepaalde critici te populistisch waren. Onze kwaliteit zou niet goed genoeg zijn.

"Ach, Tijl Uilenspiegel is nog lang niet dood. Deugniet Uilenspiegel maakte een muurschildering met een speciale verf die, zogezegd, alleen zichtbaar was voor mensen met blauw bloed. Mensen geloofden dat. Tot een nar zijn leugen onthulde. Het verhaal is een variant van de kleren van de keizer.

"Ik vind Jan Fabre zo'n Uilenspiegel. Hij is een geniale oplichter. Zijn genialiteit vind ik dan weer een verzachtende omstandigheid." (lacht)

Het ene theatergezelschap gunt het andere het licht in de ogen niet, wordt weleens gezegd. Binnen het podiumlandschap is er, zeker in tijden van bezuiniging, na-ijver en angst, en meermaals regeren eigenbelang en behoudsgezindheid, daar waar het grotere culturele belang centraal zou moeten staan. Waar blijft de nar die dit spel doorprikt en onthult?
"Dat is zo. Onze theaters vormen baronieën op zich. Het zijn clubjes met leden die in het gelid van de leider lopen. Men gunt alleen de gelijkgezinden, en niet per definitie diegene die het waard is, de voordelen.

"Ook dat trekje is des mensens. Het is de overheid die, dankzij haar kennis en inzicht in de sector, deze vriendjespolitiek zou moeten doorprikken en niet in dit soort spelletjes zou mogen trappen. Maar de overheid vervult haar taak niet. Wat ik over de VRT vertelde, sluit hierbij aan. Men durft niet voluit voor een keuze te gaan.

"Daarnaast is het subsidiepotje van theaters, maar evengoed van andere culturele centra, de laatste twintig jaar ook nog uiterst verschraald. Dat is schrijnend. Te meer omdat vooral de burger de pineut is van al deze bezuinigende maatregelen. En samen met de burger krijgt ook de gemeenschapszin een klap. Jammer genoeg legt niemand dit uit.

"Wat krijg je, als je met weinig middelen theater moet maken? Centra gaan monologen programmeren. Eén enkele freelancer kost immers veel minder dan een toneel vol acteurs. Of dit: omdat alle acteurs freelancers zijn geworden, kan een productie die succes heeft niet langer dan gepland op het programma staan. Alle freelancers moeten na die ene klus namelijk weer naar de andere. Er is geen ruimte voor organische groei. Dus ook daar betaalt de burger het gelag.

"Ik zeg niet dat gezelschappen het antwoord op alles zijn. Maar dat Vlaanderen geen enkel deftig gezelschap met een deftig aantal spelers meer telt, dat is om te huilen."

U maakte gouden tijden mee. Vandaag is het geld op.
"Zo simpel is het niet. De bedragen voor cultuur dienen drastisch te worden verhoogd. Ik meen dat. Er moet veel, veel meer geld in cultuur worden geïnvesteerd. Want die factuur wordt, wees gerust, ruim terugbetaald aan de subsidiërende overheid.

"Een avondje theater, wat is dat? Dat is, en dat moet het streefdoel zijn, in de eerste plaats een geslaagde avond vol ontspanning. Een goed stuk moet beklijven. En liefst van alles beklijft het met z'n gelaagde inhoud. Ik vind het fijn als er ergens een 'les' blijft hangen. Geen preek, geen moraalles, maar iets dat je meeneemt en waar je nog een paar keer aan denkt. Zoals ook mijn illustratie van Morse een les inhoudt: zorg ervoor dat je je eigen ding doet, ondanks de stress van je werk, blijf dicht bij jezelf.

"Maar theater is méér dan een goed stuk. In het cultureel centrum komt het hele dorp elkaar tegen. Men praat er met elkaar. Men gaat achteraf iets drinken, of men eet vooraf een hapje. Men spreekt af om elkaar nog eens te zien. Men heeft thuis een babysit geregeld. Men heeft zich opgekleed, is naar de kapper geweest. Dat hele gebeuren versterkt het sociaal weefsel van een gemeenschap. En brengt ook de economie tot leven."

Als morgen alle theaters gesloten zouden worden, zou er dan een opstand uitbreken? Zoals dat bij het lamleggen van de televisie misschien wel het geval zou zijn?
"Nee, de bevolking zou niet wanhopen.

"Er zijn nog altijd talrijke Vlamingen die nog nooit een theaterzaal zijn binnen geweest. En dan heb ik het niet eens over nieuwe Vlamingen, zoals we de allochtone medemens tegenwoordig moeten noemen, want ook deze burgergroep is, ondanks de moeite die we getroosten om de situatie te keren, zeer moeilijk te overhalen om eens naar het toneel te komen.

"Ik vind dat de overheid hier aan haar plichten verzaakt. Hoe komt het toch dat niemand de sportinfrastructuur in dit land in vraag stelt, maar dat iedereen zich altijd vragen stelt bij investeringen in culturele instellingen? Sport staat ten dienste van een gezond lichaam. Cultuur ten dienste van een gezonde geest. Die twee zijn even belangrijk, en zouden met eenzelfde overtuiging gedragen moeten worden.

"In Nederland gaat men sneller naar het theater. Daar word je bij het publiek ook een grotere luisterbereidheid gewaar; de zaal is er aandachtiger, je hoort dat als je speelt, er vallen diepere stiltes, er wordt scherper op de tekst gereageerd.

"Toch is Vlaanderen op dit vlak volwassener geworden, begrijp me niet verkeerd. Dus een klein opstandje zou er, na sluiting van alle zalen, misschien wel plaatsgrijpen. We hebben wel degelijk een theaterpubliek gekregen. Die vorming hebben we aan onze culturele centra te danken, die sinds de jaren 70 zijn opgekomen, met de Warande in Turnhout als pionier, en ook met Limburg als voortrekker, met name Hasselt en Neerpelt. Vandaag heeft zogoed als elke gemeente haar cultureel centrum. Dat van Bonheiden, waar ik woon, is er een om trots op te zijn.

"Die culturele centra zijn een heel belangrijke verwezenlijking. En ik weet, als politicus, al te goed dat het niet vanzelfsprekend is om vandaag de dag als gemeente in te zetten op cultuur, juist omdat cultuur door het grootste deel van de bevolking als weggegooid geld wordt beschouwd. Een gemeente is nooit af. Er moeten altijd verbeteringen worden doorgevoerd. En de bevolking heeft liever dat er, in plaats van een cultureel project, nieuwe riolen worden aangelegd, omdat ze die kunnen zien, ook al steken ze onder de grond.

"In Heist-op-den-Berg is onlangs een nieuw en zeer geslaagd cultureel centrum ingehuldigd. Het is een pareltje. Dat Heist-op-den-Berg er, in deze tijden, in geslaagd is om van cultuur een politieke prioriteit te maken, is een prestatie waarvoor dit stadje alle lof verdient. Zelfs jeugdhuizen wil men vandaag nergens meer bouwen. Omdat alle gemeenten vinden dat 'nuttigere' investeringen belangrijker zijn. Terwijl ik zeg: investeer in jeugdcentra, nu meer dan ooit."

Uw sociale betrokkenheid wordt in al uw antwoorden weerspiegeld. Maar hoeveel Van Assche zit er in de personages die u vertolkt?
"Veel. Mijn stem en mijn lichaam zijn mijn instrument. En dat instrument ben ik.

"Als ik de mens Jaak Van Assche niet zou inzetten, zou ik bij de imitatie belanden. Een imitator verveelt heel snel. Chris Van den Durpel weet dat zeer goed, daarom dat hij ook zeer goed weet wanneer hij moet stoppen. Hoe meer je als acteur bij jezelf blijft; hoe meer je van jezelf in een rol steekt, hoe boeiender je wordt voor het publiek.

"Ik heb snel door of een regisseur het beste uit zijn acteurs heeft gehaald of niet. Soms stel ik al na enkele scènes vast dat de regisseur z'n acteur tot iemand heeft willen kneden die veel te ver van hem af staat.

"Ik heb dat ook al meegemaakt, hoor. Bijvoorbeeld toen ik die Pozzo in Wachten op Godot speelde. De rol plakte niet aan me. Ik wás die Pozzo niet. Pozzo was een erg autoritair karakter, een man die geschift was, die niet over een logische geest beschikte. Zo'n absurd personage staat ver van me af."

En een seriemoordenaar niet?
"Ik probeer 'ne goede mens' te zijn. Maar wie goedheid in zich heeft, draagt ook slechtheid mee. Het een kan niet zonder het ander.

"De vraag is wanneer het goede de overhand heeft, en wanneer het kwade. Dat kan van omstandigheden afhangen. Als ik me in die omstandigheden kan inleven, kan ik die slechterik spelen."

U speelt meer dan een halve eeuw. Ook vandaag staat u nog op de planken. Bent u soms nog zenuwachtig?
"Bij een première, en de eerste voorstellingen na de première, denk ik telkens: 'Wat doe ik mezelf toch aan? Waarom doe ik dit?'

"Ik zorg er ook altijd voor dat ik een uur op voorhand in de zaal ben. Ik doe dan niet veel: ik sta er op de scène, wandel wat rond, snuif de sfeer van de zaal op. Het is een ritueel dat ik nodig heb."

Houden de zenuwen lang aan?
"Tot de voorstelling een minuut oud is. Vanaf dan is er alleen maar plezier."

En applaus? Heeft dat nog effect op een ancien zoals u?
"Applaus is een traditie. Mensen klappen omdat het zo hoort. Ik heb familie in Wenen. Als ik hen opzoek, ga ik ook altijd naar een klassiek theater in die stad. In Wenen is een applaus een show op zich, het is er een deel van de voorstelling en het wordt volkomen geregisseerd. Zo veel keer opkomen. Zo veel keer buigen. Dit en dat. Elke oprechtheid is uit dat handgeklap verdwenen.

"Ik heb veel voorstellingen voor scholen gegeven. Het mooie is: kinderen applaudisseren niet. Want kinderen hebben, via de tv en de computer, de gewoonte om naar beelden en verhalen te kijken, zonder dat ze daarvoor met handgeklap moeten bedanken. De traditie verandert dus."

U bent een goedlachse man. Kreeg u ooit de slappe lach tijdens een voorstelling?
"Niet dat ik me herinner. Maar soms scheelde het niet veel.

"Er is een gevarenzone die elke acteur kent. Het is die zone die zich tussen fictie en werkelijkheid uitstrekt. Je staat op de scène te spelen, dat is de fictie. Maar ergens dringt de realiteit zich aan die fictie op. Er ontbreekt bijvoorbeeld een rekwisiet op het toneel. Je weet dat. Iedereen weet dat. Alleen: hoe gaan we dat oplossen zonder dat de zaal er iets van merkt?

"Je medeacteurs worden op zulke momenten weer collega's. Ze zijn geen personage meer, maar iemand die je nodig hebt om iets op te lossen. De verbeelding is verbroken, je moet een geestelijke spagaat maken en dat is gevaarlijk, want dat is de zone waarin de slappe lach erg goed gedijt.

"Met sommige acteurs leef ik altijd in die spagaat. Met Marijn Devalck bijvoorbeeld, Boma in De Kampioenen. Ik ken hem erg goed en kan aan zijn ogen zien wanneer hij zich zit te verkneukelen om iets wat buiten zijn rol ligt. Hij is dan voor mij Boma niet meer, maar Devalck. Ook dan moet ik oppassen. Hij trouwens evengoed, hij leest mij op dezelfde manier.

"Voor de camera is dat allemaal niet erg. Je kunt de scène overdoen. In het theater moet je die spagaat volhouden totdat je achter de coulissen bent, en in lachen uitbarst. Heel prettige momenten zijn dat."

Volgende week: Tone Brulin

Schrijfster Margot Vanderstraeten en fotograaf Stephan Vanfleteren maakten voor De Morgen eerder al 'Schrijvers gaan niet dood', een alom bejubelde reeks portretten van oudere auteurs als Mulisch, Geeraerts, Vandeloo en Vinkenoog. De interviews en foto's verschenen ook in boekvorm.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234