Maandag 19/04/2021

'Ik bezwijk al snel voor verleidingen'

undefined

'Tot vandaag is het materiaal waarover ik schrijf, nooit ver van mijn eigen leven verwijderd gebleven. Wat dat betreft, heb ik niet zoveel verbeelding'

Betty Mellaerts praat met Remco Campert

Ik heb het niet zien aankomen, alleen even de wanhoop in zijn blik opgevangen die hij de nieuwe cassette in de recorder toewerpt. Veel sneller dan we hebben afgesproken, zegt Remco Campert: 'Ik wil ermee ophouden, ik ben moe, vind je het erg?' Ja, maar dat durf ik niet te zeggen. Later op de band hoor ik hoe zacht hij het vraagt en hoe vaak hij herhaalt dat hij het niet goed doet. Praten kost een verlegen man moeite, maar ook teruggaan in de tijd, die met ouder worden dichterbij komt en spookt in een geheugen dat niet alles wou weten.

Foto Stephan Vanfleteren

'Het was niet zo lang na de oorlog, in 1949, een karige tijd in Holland. Ik knoeide een beetje met woorden, voelde me nog niet echt een schrijver, maar wel kunstzinnig. Met mijn vriendin liftte ik naar Parijs. Dat was het Mekka, daar gebeurde alles. Het kostte drie dagen. Om door België heen te komen vooral. Weinig mensen namen je mee. We kwamen aan in de Gare du Nord in Parijs. Het was overweldigend. In Brussel zag je al een weelde die wij absoluut ontwend waren. Mooie dingen, prachtig eten, uitgestald. Dat was bij ons allemaal nog op de bon. In Parijs was het nog tien keer erger. Ik keek mijn ogen uit, voelde me heel ruim worden.

"De Franse existentiëlen ontmoette ik niet, maar er was al een internationale artiestenset. Veel Amerikanen die er met GI-beurzen rondhingen, er zaten ook al vrienden van me, Simon Vinkenoog, Hans Andreus, de schilders Karel Appel en Corneille, een Hollands groepje. Alles waar ik naar verlangde, was ruim aanwezig. Er werd getekend, geschilderd, geschreven, er waren tal van blaadjes en ik hoopte er op het grote leven of wat ik me daar bij voorstelde. Vrijheid. Ongebondenheid.

Proza kwam later, maar ik heb er wat gedichten geschreven. Ik spéélde meer de artiest dan dat ik er veel aan deed. Als iemand vroeg: 'Wat doe je?' antwoordde ik: 'Ik ben dichter.' Dan vroegen ze niet verder. Dat was een mooie houding die je je kon aanmeten.

"Hoewel we niet veel geld hadden, was Parijs toch een vakantiegevoel. Er waren altijd wel vrienden die je verder hielpen en soms kreeg je zelf wat geld toegestuurd en hielp jij die vrienden weer. Toch gingen we terug naar Nederland. In Amsterdam wou ik trouwen en werd het een beetje ernstiger allemaal. Toen ben ik echt aan het werk gegaan, al is het besef dat schrijven mijn leven zou worden, pas gekomen nadat ik al een paar jaar bezig was. Die eerste tijd hield ik nog andere mogelijkheden over, alleen wist ik niet wat en dat was een ernstige handicap. Het kon nog alle kanten uit, meende ik. Met schrijven verdiende je geen cent, maatschappelijk gezien kan het nooit wat worden, dacht ik, dat wordt een leven van armoede. Dus was het dichtstbijzijnde journalist worden. Ik heb me gemeld bij een dagblad met de vraag of ik leerling-journalist kon worden. Ik had een paar knipseltjes bij me van de schoolkrant, maar ik had absoluut geen ambitie en ik was dolblij toen ik bericht kreeg dat het niet door kon gaan, dat was toch niks voor mij. Ik vond school al vreselijk, ik heb de middelbare school gehaat, echt, dus daar ben ik dan ook vroegtijdig van afgegaan. Een baan zou een herhaling geweest zijn van de school, de vaste uren, reglementen waaraan je je moet houden, opdrachten vervullen die je zelf nooit verzonnen zou hebben. Ik had ook absoluut geen discipline, ik wou vrij en ongebonden leven. Schrijven was kennelijk mijn natuurlijke bestemming.

"Mijn vader was een schrijver, maar toen ik drie was, ging hij het huis uit. Achteraf heb ik me weleens afgevraagd hoe dat kon. Maar ik heb ook gezien dat ik door het bohémienachtige leven dat ik leidde, ongeveer dezelfde handelingen herhaalde. Ik brak ook het huwelijk op waar ik kinderen uit heb. Toen zag ik hen niet zoveel meer, ging dezelfde kant op als mijn vader, genietend van het leven zonder te veel te malen over de verantwoordelijkheden. Tamelijk egocentrisch. Ik moest zo leven, ik kon niet anders. Toch vond ik vader worden ontzettend ontroerend. Al heb ik me niet altijd zo goed gedragen, ik denk niet dat ik me volledig had gevoeld als ik mijn kinderen niet had gehad. Het idee van leven te geven, rondzeulen met een kind in je buik, de pijn om het eruit te krijgen, een machtig gebeuren vond ik dat. Ik werd er in ieder geval wat meer volwassen door dan ik voor die tijd was. Dat was wel iets anders dan een ongebonden flierefluiter te zijn. Maar flierefluiten heb ik achteraf toch nog gedaan. Nu ben ik grootvader en dat is makkelijker. Je hebt geen verantwoordelijkheid meer en het gevoel dat ik voortgezet word, vind ik wel iets hebben.

"Mijn moeder is heel oud geworden. Ze was actrice, niet de grootste, daarvoor was ze in zekere zin te intelligent. Dat klinkt onaardiger dan ik het bedoel. Ze kon zich moeilijk geven, was altijd zelfbeheerst. Ze was wel een nuttige actrice die overal ingepast kon worden. Die stukken hadden voor de oorlog een korte omlooptijd. Terwijl het ene liep, werd er al gerepeteerd voor het volgende. Ze nam veel rollen op omdat ze de grote gave bezat ontzettend snel uit het hoofd te leren. Dan overhoorde ik haar weleens. Verder was ze een harde, gedisciplineerde vrouw, nooit ziek. Ze straalde niet veel warmte uit, dat lukte haar niet. Ze was een beetje onhandig tegenover mij en ik tegenover haar. Haar leven was het toneel en dat was een heel andere wereld dan een klein jongetje grootbrengen. Ik heb in mijn jeugd altijd bij anderen gezeten. Ze was ook lief hoor, geen koele kikker, maar ik zag haar niet veel, er werd ontzettend veel in de provincie gespeeld.

"Terwijl zij op pad was, lette haar vader op me. Mijn opa was ook een schrijver. Ik heb het hem als kind veel zien doen. Hij zat grote vellen neer te pennen, maar ik wist bij god niet wat hij deed en ik moest heel stil zijn als hij bezig was. Dat mijn vader schreef, heb ik pas later vernomen. Nadat hij uit het huis vertrokken was, heb ik hem nog twee keer gezien en ik heb één briefkaart die hij mij ergens in de jaren dertig heeft gestuurd. In de oorlog is hij gearresteerd op verdenking van hulp aan joden en in 1943 in het kamp Neuengamme omgekomen. Van mijn oma begreep ik dat er iets aan de hand was met mijn vader, maar ze wou er liever niet over praten. Toen was hij opgepakt door de Duitsers, maar dat wist ik niet.

"Toen de oorlog kwam, was ik een jaar of tien en ik wist niet wat er gebeurde, ik wist nauwelijks dat ik in vrede leefde. Je ouders konden terugkijken en zeggen: 'Weet je nog hoe we in 1929 leefden?' maar ik had geen vergelijkingsmateriaal, daar was ik te jong voor. De oorlog werd een soort kermis.

"In 1942 gingen de Duitsers langs de Europese kust de Atlantikwall aanleggen en in Den Haag werd de buurt waar we woonden, afgebroken. Tenzij je over eigen geld beschikte of over andere mogelijkheden, werd je geëvacueerd. Het was midden in de winter, ijskoud, en we kwamen op de Veluwe terecht in een soort vakantiekamp met houten huisjes. Het was een avontuur. Ik zat bij kennissen van mijn ouders, die hadden me meegenomen, want mijn vader was spoorloos en mijn moeder had een engagement in de schouwburg van Den Haag. Ik werd een paar jaar uitbesteed aan die kennissen. Heel aardige mensen overigens, met vijf jongens en twee meisjes en ik daar nog bij, dat was wel gezellig, eigenlijk. Op de duur kregen we een beter huis waar we allemaal inpasten. Je merkte wel iets van de oorlog, door luchtgevechten en de Engelse radio, maar niet zoveel. Het drong pas aan het eind tot me door, toen de Duitsers terugtrokken. In het bos kwamen ze oude tanks zetten en ze namen de school in beslag, dan hadden we plots geen les meer, maar dat vond ook niemand een ramp. Ik heb er nog een aardig verhaal over geschreven, vind ik zelf. Het heet 'Er was eens', een sprookje over twee jongetjes in de oorlog. Daarin heb ik die herinneringen verwerkt.

Terwijl ik op de Veluwe zat, kwam mijn moeder een dag over uit de stad. Ze bracht het doodsbericht van mijn vader mee, maar hij was voor mij een onbekende, het zei me niet zoveel. Ik vond het eerder een beetje een lastige onderbreking van de dag, want iedereen liep geruisloos met een grote bocht om me heen. Ze hadden het idee dat ik gespaard moest worden. Ik had dat allemaal niet zo in de gaten. Ik ben ontzettend naïef geweest als kind, heel opgesloten in mezelf, een verlegen jongen. Ik bestond liever niet eigenlijk. Naar meisjes durfde ik nauwelijks te kijken en later moest ik er ook zeker van zijn dat zij iets voor me voelden voor ik met ze sprak. Een echte veroveraar ben ik nooit geweest. Ik ben nog verlegen, maar toen was het met geen pen te beschrijven. Ach ja, ik leef toch nog."

'Ik merkte later dat die oorlog toch wel indruk op mij had gemaakt, wat ik, toen ik hem meemaakte, wat wegstopte. Ik was kennelijk toch wel bang. Ik reisde na de oorlog ook meteen naar Berlijn en nog altijd ben ik gefascineerd door Duitsland. De eerste keren dat ik er was, ging ik op zoek naar sporen van de oorlog. Dan zag ik kogelgaten in een huis en dat vond ik wel spannend. Ik ging er niet naartoe uit wraakzucht maar om het geheimzinnige dat met oorlog te maken heeft. Dàt gebeurde er dus, terwijl ik van niks wist, weet je. Ik heb er gedichten over geschreven.

"Jaren later is dat eigenlijk pas boven gekomen. De bevrijding was ook zo een overweldigende gebeurtenis en mijn eigen leven begon toen, ik was zestien. Alles was nieuw en geweldig. De Canadese bevrijders brachten jazzmuziek mee, Amerikaanse tijdschriften, een heel andere wereld en daar wou je graag aan meedoen. Bach of Beethoven was niet om me heen en vijf jaar lang was er tijdens de oorlog rotzooi op de radio, Duitse liedjes. Met de bevrijding ontdekte ik de bebop. Ik herkende me heel erg in Charlie Parker, Thelonius Monk en al de anderen. Mijn liefde voor de jazz is nu minder geworden. Die muziek is een beetje stil blijven staan, het zijn herhalingen van dingen die je allang weet. Toen was het allemaal erg opwindend. Jazz had een levensgevoel dat me aantrok. De muziek werd ondergronds gespeeld, in kleine cafeetjes. Je hoorde erbij, bijna alsof je zelf een saxofonist of trompettist was, anders dan poëzie, want dichten is toch een heel individuele ervaring. De muzikanten namen alle vrijheid, lieten vormen los, waardoor er andere ontstonden maar zonder te hoeven denken: doe ik het goed? Ze leefden van dag tot dag, hadden het sociaal gesproken niet zo geweldig. Die bohémienkant trok me erg aan. Ik was lid van een jazzclub, ging ook naar grote concerten in het Concertgebouw, waar ik Chet Baker voor het eerst hoorde, in 1955 of zo. Ik ontmoette hem later nog wel op een paar optredens maar ik was zo bedremmeld dat ik hem niet durfde aan te spreken. Ik was meer een aanbidder op een afstand.

"In de literatuur kwam ik bij de experimentelen terecht. Het was een klein groepje en een jaar of twee leefden we bijna continu in elkaars nabijheid. Later werd er getrouwd en gescheiden, nam het leven voor ieder een andere vorm aan. Die vriendschap had iets extra's, omdat we met zijn allen ook een beweging vormden. Lucebert had in 1949 een mooi gedicht geschreven: 'Verdediging van de vijftigers'. De naam had hij dus al in zijn eentje bedacht, maar wij wisten dat we deel uitmaakten van de groep. De meesten waren wat ouder dan ik, maar iedereen ging heel gewoon met me om. Bij hen leerde ik wennen aan het leven. Iedereen werkte vreselijke hard. Lucebert en Bert Schierbeek, met wie ik een tijdje in huis woonde, waren altijd aan het schrijven. Dat stak me wel aan. Ik besefte: schrijven is werken, je moet ervoor gaan zitten, niet rondfladderen.

Lucebert werd beïnvloed door het vooroorlogse dadaïsme, dat door de literatuur in Nederland een beetje was overgeslagen, en door Friedrich Hölderlin. Ik had geen idee wie dat was. T.S. Eliot, die vond ik erg goed en Amerikaanse dichters, Herman Gorter ook. Paul van Ostaijen gaf me een enorm gevoel van ruimte. Hij schreef ook over de oorlog, een andere weliswaar, maar ik herkende het wel. Nou ja, alles waar ik de hand op kon leggen, is van invloed op me geweest. Alles was nieuw. De oude vaderlandse poëzie verwierpen we, die vonden we maar niks en dat vind ik nog altijd. Die houding stuitte natuurlijk op veel verzet bij de vorige generatie. We werden niet meteen geaccepteerd, maar we hadden een ongelooflijk zelfvertrouwen. Er was geen twijfel mogelijk. We wisten dat onze poëzie goed was en dat we weleens zouden doorbreken, maar daar zaten we niet eens op te wachten, dat kon ons niets schelen.

"Ik denk wel dat ik een goede periode heb getroffen. De bevrijding van Nederland was een sobere, karige, benauwende tijd, maar ook heel optimistisch. De wederopbouw, nieuwe initiatieven, alles kon en het viel samen met mijn ontdekking van de wereld. Ik begon liefde te krijgen voor het schrijven, maar voelde ook de noodzaak. Het was het enige waar ik toch nog een beetje talent voor had, dat wist ik wel. Ik las, vergeleek wat ik deed met wat anderen schreven en dan vond ik dat ik het er niet zo slecht afbracht. Ik stuurde ook af en toe een verhaaltje naar Mandril, een New Yorker-achtig blad dat een tijdje in Nederland bestaan heeft. Als je stuk meteen door hen werd geaccepteerd, wist je wel dat je talent had. Niet dat je zo over dat woord nadenkt. Ik schreef en had er plezier in. Ik heb het altijd louter voor de lol gedaan, nog altijd. Dat plezier kan ik kennelijk wel meedelen aan het publiek. Ik hou van grapjes die soms in meligheid ontaarden, ik moet erover waken dat ik mezelf niet te leuk ga vinden. Als ik echt toegeef aan de ernst, en grote gevoelens op papier wil zetten, dreig ik pathetisch te worden. Dat ondermijn ik graag met humor, gewoon voor mezelf hoor, om mezelf in stand te houden. Ik ben zoals iedereen weleens ongelukkig, maar schrijven haalt me er altijd uit. Ik heb ook geluk gehad. Na Het leven is vurrukkulluk kon ik vrij snel van het schrijven leven. Sindsdien is het almaar beter gegaan. Nu hoef ik het zelfs niet te doen als ik het niet zou willen."

'Af en toe heb ik voorspellende gaven gehad over een tijdsperiode die er zat aan te komen, maar als je een aantal dingen bij elkaar telt, kom je vanzelf tot conclusies. Goed om je heen kijken. Dat doe ik nog steeds. Misschien is dat toch een journalistieke gave die ik heb meegekregen. Zo zag ik de sfeer van de jaren zestig al van ver aankomen. Het Leidse plein en het Vondelparkleven, de marihuana die zijn intrede deed, dat was allemaal heel ontspannen en relaxed. Simon (Vinkenoog) heeft er zich ingegooid, ik veel minder omdat ik het gevoel had dat ik die ongebondenheid al kende. Voor zover ik ben opgevoed, was ik door het artistieke milieu waar ik uitkwam, toch al vrij. Ik hoefde me nergens van los te maken en ik ben er blij om dat ik het van op een afstand heb bekeken, want die tijd heeft ook wel slachtoffers gemaakt. LSD is voor sommige mensen niet goed afgelopen. Als ze er niet aan gestorven zijn, zijn ze toch in die periode blijven hangen en zijn nog altijd de oude hippie. Ik bezwijk al snel voor verleidingen, ik ben bang dat ik daar te ver zou zijn in meegegaan en dat had het schrijven enorm in de weg gestaan, want dat kan je niet combineren. Als je schrijft moet je totaal sober zijn, niet drinken, geen marihuana roken, echt je kop erbij houden en ik was al serieus met het schrijven bezig. Dat moest ik niet loslaten. Bovendien is een kosmisch gevoel van alles is met alles verbonden, mij ook vreemd. Het hippietijdperk zei me niet zoveel.

"Midden in die tijd ben ik door de grote woningnood in Amsterdam in Antwerpen gaan wonen en daar was nog helemaal geen sprake van hippies, op Ferre Grignard na dan. Ik was weer eens getrouwd, we hadden twee kleine kindjes en ik wou iets nieuws meemaken, het kringetje hier ging me ook wat vervelen. Ik was onrustig, ongeduldig. Ik wou eerst weer naar Parijs, maar dat was financieel niet haalbaar, dat had ik in 1952 nog een keer geprobeerd met Rudy Kousbroek erbij. Hij vond werk bij de UNESCO en ik leefde van hem of van de toelage van 50 gulden per maand die mijn eerste vrouw van haar ouders kreeg. Af en toe verdiende ik een paar tientjes met een verhaaltje, maar dat was niet genoeg, dat wist ik intussen wel.

"Met mijn nieuwste vrouw ben ik in Brussel een namiddag rondgeleid op zoek naar huizen, maar ik vond de stad onwelkom voor buitenlanders. Dan maar naar Antwerpen. Daar konden we voor heel weinig geld een enorm groot huis huren. Dat gaf heel veel ruimte. Ik had er ook wat vrienden, Hugues C. Pernath en zo. Ik heb er tot mijn grote genoegen gewoond tot de kinderen naar de lagere school moesten. Ik wou toch liever dat ze dat in Nederland deden. Mijn huwelijk liep ook weer mis en ik werd verliefd op iemand hier in Amsterdam, de vrouw overigens met wie ik vijf jaar geleden getrouwd ben. Liefde is ook weleens gemakzucht, maar meestal was het dolle verliefdheid. Alleen had ik de ongelukkige neiging om altijd te trouwen omdat ik het onnozele idee had dat ik mijn geliefde dan zou behouden. Toen ik mijn huidige vrouw ontmoette, was ik al drie keer getrouwd geweest en ik dacht: nou niet meer, als ik dat doe, loopt het zeker verkeerd af. We zijn desondanks ook uit elkaar geweest, maar tenslotte bleek ze toch degene te zijn die voor mij bestemd is en heb ik de stap nog een keertje gezet.

"Een totale verbintenis heb ik met schrijven. Waar ik ook ga, dat heb ik altijd bij me. Tot vandaag is het materiaal waarover ik schrijf, nooit ver van mijn eigen leven verwijderd gebleven. Wat dat betreft, heb ik niet zoveel verbeelding.

"Wàt ik schrijf, gaat met periodes. Nu zit ik in een poëzieperiode. Die herken ik als een rare soort afwezigheid in me, een grieperig gevoel, wat koortsig door de stad lopen, kijken, en dan komen er opeens regels in mijn kop, een ritme, tonen, die er vaak eerder zijn dan de woorden. Dan is het begonnen. Snel naar huis en hard werken. Dat duurt een maand of wat, dan ebt het weg en ga ik weer verhalen schrijven. Ik kan het niet afdwingen in mezelf, zeggen: het is september, nu ga ik aan de poëzie. Gedichten komen vaak na een lang verhaal omdat je dan wat vakantie neemt: hèhè, het is af. Dan ga je de wereld met andere ogen bekijken, laat je geest niets anders toe. Er mag dan niets zijn wat de boel in de war schopt. In huis moet het heel vredig zijn, geen ruzies of conflicten, niets mag mijn instelling van dat moment verstoren. Een vrij gebied dat je op jezelf verovert. Dan ga ik in het kamertje hiernaast zitten, waar geen boeken staan die me zouden kunnen afleiden, en schrijf. Eerst op papier, later op de schrijfmachine die ik uitsluitend voor poëzie gebruik. Zo heb ik er nog twee. Deze grijze is voor de stukjes in de krant en voor op reis, de rode is voor de verhalen. Ik heb weleens een keertje de rode moeten gebruiken voor de krant, maar dat klopte niet. Dat is een andere letter, dan heb ik geen overzicht meer. Nonsens natuurlijk.

"Ik probeer zoveel mogelijk deel te nemen aan het huiselijke leven, maar een groot deel van de dag zonder je je toch af om te schrijven, is je hoofd ergens anders. Ik wil ook niet dat alles in dienst staat van het schrijven, dan verlies ik het contact met de dingen, zeker ook met wat ik nodig heb om te schrijven. "Ik denk maar niet te diep na over hoe dat precies werkt, uit angst dat het op zou houden als ik het systeem eenmaal begrijp. Schrijven moet spontaan gebeuren. Behalve de drie stukjes in de week voor de Volkskrant, die ik mezelf een beetje afdwing, komt de rest vanzelf. Dan moet ik bijna gedachteloos achter de machine gaan zitten. Schrijven is een heel avontuur, ik weet nooit van tevoren wat het zal worden, al schrijvende roep je almaar meer op. Dat is het leuke ervan. Ik heb ook nooit het gevoel gehad dat ik veel deed of grote inspanningen heb verricht. Schrijven ging op zo'n speelse manier dat ik het nauwelijks als werken beschouw. En als ik nu terugkijk op de hoeveelheid pagina's, lijken het er toch wel wat te zijn. Dat maakt me rustiger. Ik weet ook dat het wel komt. Vroeger schreef ik alles in één keer, ik haalde de tekst nooit drie keer door de machine zoals dat heet, daar was ik veel te gejaagd voor. Nu doe ik dat wel. Naarmate ik minder tijd heb, ben ik geduldiger geworden en gebruik de tijd die me nog rest zo goed mogelijk. Ik zie het wel als de dood eraankomt, al vind ik het geen opwekkende gedachte om er straks niet meer te zijn. En daar verandert ouder worden niets aan."

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234