Dinsdag 27/07/2021

'Ik ben verontwaardigd over het leven'

Opgewekter is Luk Perceval niet geworden van zes jaar Toneelhuis. Daarvoor waren de tegenstanders te talrijk en de tackles te pijnlijk. Wellicht komt zijn vertrek naar Berlijn, aan het eind van dit seizoen, er net op tijd. Verbittering is er, maar dat gevoel is niet doorgeslagen in cynisme. Begin over regisseren, acteren en de magie van theater en Percevals pantser gaat open, zijn ogen lichten op. 'Theater flirt zo erg met het noodlot dat je als regisseur elke catastrofe voorvoelt', zegt hij. 'Eigenlijk sterf je meer dan goed is voor een mens. Maar als het lukt, is het echt prachtig. Een acteur die plots 'vrij' wordt, die al zijn ballast achterlaat, dat is zoals een geboorte.' Voor de leiding van een theater hoeven ze Perceval niet meer te vragen. 'Ik ben geen intendant, en ik zal het ook nooit worden.'

Ruud Goossens / Foto Jimmy Kets

Woensdag gaat Dood van een handelsreiziger in première in de Bourlaschouwburg. Het is de laatste regie van Luk Perceval die geen coproductie is met een buitenlands theaterhuis. Het is dus een beetje een afscheid van Antwerpen. Aan het eind van dit seizoen vertrekt hij naar Berlijn, na een paar vervelende jaren bij de KNS, nog meer opwindende jaren bij de Blauwe Maandag Compagnie en een bijzonder moeilijke tijd in Het Toneelhuis. In Berlijn wordt Perceval vanaf september 2005 een van de huisregisseurs van de Schaubühne am Lehniner Platz. Dan neemt Josse De Pauw de fakkel over als intendant van Het Toneelhuis. Voor heel even maar, een jaartje, want de echte opvolger van Perceval wordt Guy Cassiers, momenteel nog aan de slag bij het ro theater.

Goed, dat is de toekomst, nu moet er gerepeteerd worden. Momenteel zit de ploeg van Dood van een handelsreiziger - met onder meer De Pauw, Gilda De Bal en Ruud Gielens - volop in de eindsprint. "Het is weer zwoegen", zucht Perceval, voor en na een repetitieblok van negen uur in de Bourla. "Waarom moet het toch altijd zo moeilijk? Waarom kost het toch altijd zoveel tijd?" Omdat het moeilijk móét gaan, wellicht. Zo'n gevecht hoort bij de aanloop naar een première. Perceval is een wringer, een wroeter. De afgelopen jaren waren misschien een tikje overdreven, maar daag hem helemaal níét uit en hij gaat er evengoed vandoor.

Waarom heeft hij dan net dit stuk gekozen? Het verhaal over de ondergang van Willy Loman, een handelsreiziger die na zesendertig jaar bedankt wordt voor bewezen diensten, is vakwerk, zeker en vast, maar ook erg easygoing. Té easygoing voor Perceval, of vergissen we ons? "Ik wilde iets met Josse doen, zodat hij het huis leert kennen en het huis hem", zegt Perceval. "Dood van een handelsreiziger leek me meteen geschikt, omdat Josse zo sterk de falende mens uitstraalt. Dat vind ik zo schoon. Josse is een acteur die niet meer 'speelt' op scène, hij 'is' gewoon. Met dat soort mensen wil ik werken."

'Dood van een handelsreiziger' is het toonbeeld van het helder opgebouwde, toegankelijke theaterstuk. Is het een soort afscheidscadeau aan het Antwerpse publiek?

"Ik ben al een paar jaar op zoek naar een grote herkenbaarheid. Alleen wil dat niet zeggen dat je simpele verhaaltjes ook simpel moet vertellen. Ik zoek in dat stuk een universaliteit die het in zijn oorspronkelijke versie ontbeert. Bij Arthur Miller is het een veel te eenduidige aanklacht tegen het Amerikaanse kapitalisme. Vijftig jaar na de première moeten we durven te zeggen dat niet het systeem maar wel de mens faalt. Daarom leg ik de verantwoordelijkheden bij de mensen, en daarom speelt het stuk zich hier en nu in Vlaanderen af. Dat kan ook, omdat we ondertussen een soort Amerikaanse vazalstaat geworden zijn. De haven van Antwerpen leeft van de Amerikaanse export, hoewel die sociaal-economische dimensie niet centraal staat in mijn regie."

Het is een minder kritisch stuk geworden?

"Wij zijn kritisch, maar op een andere manier. Ik heb een broertje dood aan 'Maatschappijkritisch Theater'. Ik geloof niet in de revolutionaire zending van theater. Ik geloof niet dat je kritisch bent omdat je een Amerikaanse vlag verbrandt op het podium. Dan onderschat je je publiek. Ik ben kritisch omdat ik onze eigen verantwoordelijkheid tegenover de maatschappij centraal plaats. De Internationale Nieuwe Scène is er één keer in geslaagd om met Mistero Buffo op een socialistische manier het Nieuwe Testament uit te leggen. Ik was zeventien toen ik die voorstelling zag en ik stond in vuur en vlam. (lacht) Als leerling van de Broeders van Liefde vond ik dat fantastisch. Maar heeft het de wereld veranderd?"

Op de website van Het Toneelhuis staat over 'Dood van een handelsreiziger': 'Een gevecht tussen dromen en daden, tussen het verlangen geliefd en gerespecteerd te worden en het onvermogen liefde en respect te geven'. Het lijkt wel een resumé van uw laatste zes jaar.

"Zover zou ik niet gaan, al heeft dit stuk wel met mezelf te maken. Toen de automatisering oprukte in de haven van Antwerpen raakte mijn vader veel te vroeg zijn job kwijt. Zo heb ik veel autobiografische elementen in de tekst ontdekt. Het zinnetje dat je citeert, gaat eveneens over het dagelijkse gevecht dat we allemaal voeren. Wij zijn erg bang om ons kwetsbaar op te stellen. Doordat we voortdurend door de mangel worden gehaald, willen we ons beschermen tegen de ruwheid, tegen de bitterheid van dit leven. We vergeten ons te openen, we vergeten te geven.

"(denkt na) Misschien heeft dat ook met mijn situatie hier in Het Toneelhuis te maken, ja. God, ik heb me daar op de lange duur bij neergelegd. Dit is gewoon een moeilijke stad. Als je in Antwerpen naar het voetbal gaat kijken, zit ook iedereen te zagen. Malcontentement is hier een soort van levenshouding geworden. Daarom kwam Toon Hermans voor zijn try-outs altijd naar Antwerpen. 'Als zij te overtuigen zijn, lukt het overal', zei hij. Buitenlandse gasten zijn altijd verbaasd over het karige applaus in Antwerpen. Als wij Oom Vanja opvoeren in Berlijn, duurt het applaus acht minuten. Hier in Antwerpen haast men zich na twee rondjes al naar de tramhalte."

Generositeit is niet de meest geprononceerde karaktertrek van de Antwerpenaar.

"Antwerpen is een zeer achterdochtige stad. Die rel rond stadsdichter Ramsey Nasr (die door de VLD werd gecontesteerd na een opiniestuk over het Midden-Oosten, RG) is toch het beste voorbeeld? Die man komt gewoon op voor de rechten van zijn volk en toch springt iedereen er bovenop, hopend op een klein beetje media-aandacht. Er is in deze stad heel weinig respect voor kunstenaars. Een kunstenaar wordt in de eerste plaats beschouwd als iemand die op een bijzonder lichtzinnige wijze met het geld van de belastingbetaler omspringt. Zeker voor politici zijn wij gemakkelijke slachtoffers. Berlijn is kleiner dan Vlaanderen en telt vier miljoen inwoners. Toch staan er zeker acht theaterhuizen van deze omvang. In Vlaanderen is het credo: 'Wees klein en onopvallend, dat is al moeilijk genoeg'."

Hoe ziet de balans eruit van de afgelopen zes jaar?

"Ik ben blij dat we de hele structuur van dit theater hebben opengegooid. Vroeger was dit huis in handen van het stadsbestuur en de vakbonden, de stad bepaalde zelfs wie er regisseerde. Nu zijn het, dankzij de steun van Eric Antonis, weer de theatermakers die bepalen hoe het er hier toegaat. Zeker in een tijd waarin alles in het teken van concurrentie en kijkcijfers staat, is dat een enorm pluspunt. Theater mag niet de weg opgaan van het kritiekloze amusement, en daarom moet je het subsidiëren. Wij moeten een vorm ontwikkelen die tegenover het rendementsdenken staat. Dat lukt ook: in het buitenland bekijkt men Vlaanderen als een soort episch centrum in Europa. Maar je ziet de druk toenemen."

Zijn er zaken die u onderschat hebt, toen u er in 1998 aan begon?

"Zeker. Ik kwam vanuit de marge, van bij de Blauwe Maandag Compagnie. Ik heb onderschat welke weerslag het verschil in grootte heeft. We wisten wat het was om de Vooruit of de Bourla vier keer na elkaar vol te spelen, maar in Het Toneelhuis moesten we plots zes grote zaalproducties per jaar afleveren. Dat was helemaal nieuw. Bovendien verloren we veel steun, bijvoorbeeld van de pers. Ten tijde van de Blauwe Maandag Compagnie vond iedereen ons geweldig, bij Het Toneelhuis niet meer. Je kunt het een beetje vergelijken met een politicus die vanuit de oppositie plots eerste minister wordt. (lacht) Ineens weet iedereen het beter. We waren niet langer de sympathieke underdog maar het establishment. Het Toneelhuis werd de kop van Jut. Die omslag in de sfeer heb ik totaal onderschat."

De jonge acteurs en regisseurs stonden niet in lange rijen aan te schuiven om in dat grote huis te werken.

"Ik wilde van Het Toneelhuis een groot repertoiretheater maken dat een trechter was voor alles wat er in Vlaanderen gebeurt. Alleen moest ik vaststellen dat niet zoveel mensen bereid waren om op dat podium - voor dat vuurpeloton - plaats te nemen. Dat was een serieuze ontgoocheling. Veel jonge talenten ontlopen hun verantwoordelijkheid en werken liever in een collectiefje, in een achterkamer. Ik begrijp niet dat je zo'n forum als de Bourla niet gebruikt om na te denken over hoe theater politiek kan zijn. De jonge theatermensen mogen die ruimte niet opgeven, want als je dat doet, ben je ze voor altijd kwijt.

"Ik weet het, ik heb zelf vaak op de Bourla gevloekt. De architectuur van dat gebouw is niet ideaal, maar er zijn nu eenmaal geen vijf alternatieven in deze stad. En dus moet je roeien met de riemen die je hebt. Gelukkig zijn er uitzonderingen, zoals de jongens van Olympique Dramatique, die hier wél komen spelen. Eindelijk zit er een generatie aan te komen. Daarom is het spijtig dat we niet over de middelen beschikken om te zeggen: 'Ik heb hier een troep van twintig of dertig acteurs die iets baanbrekends willen doen en ik geef ze allemaal een contract'."

Met een budget van bijna 8 miljoen euro moet Het Toneelhuis toch niet klagen.

"We moeten ook alle kosten aan het gebouw betalen. En onze subsidies worden niet geïndexeerd, hoewel de acteurs elk jaar iets duurder worden. Neen, als je daarmee elk jaar zes grote zaalproducties moet maken, blijft er niet veel geld over. Dan kun je niet elke dag iets speciaals doen in Studio Tokio (het tweede platform van Het Toneelhuis, RG). Onze repetitieruimtes en ons decoratelier zijn verspreid over de hele stad. Dat is ronduit amateuristisch, zeker in vergelijking met Duitsland. Een van de oorzaken is de versnippering in ons theaterlandschap. In Vlaanderen kun je vijfenzestig jaar worden in de marge, zelfs al sta je al twintig jaar stil."

Hebt u nooit heimwee naar de onbezorgde tijd bij de Blauwe Maandag Compagnie?

"Neen. Ik heb nooit heimwee naar het verleden. Kijk, je wordt ouder en je leven verandert. Je komt een vrouw tegen, je krijgt kinderen en dat heeft allemaal zijn schone maar ook zijn gruwelijke kanten. Mijn leven is opgebouwd in curves van zeven jaar. Een gezelschap houdt zeven jaar stand, en dan is het op. Zo is het maar net."

Waarom hebt u zich al na twee, drie jaar Toneelhuis teruggetrokken uit het publieke debat in Antwerpen? Een intendant hoort zich daarin te mengen.

"Ik was het beu om gebruikt te worden. Constant werd ik in een positie geduwd waarbij ik me moest verdedigen, tegen Ward Beysen of tegen Patrick Janssens. Daar had ik geen zin meer in. Bij onze start zei Philip Dewinter over ons op de voorpagina van een krant: '300 miljoen voor porno'. Dat sloeg natuurlijk nergens op - hij had de voorstelling Liefhebber ook niet gezien - maar ik heb me wel een jaar tegen die slogan moeten verdedigen. Op een bepaald moment heb ik beslist om alleen nog te proberen goede voorstellingen te maken. Ik heb niet de plicht om een publiek debat te voeren. Ik moet wel goed theater maken, dat op zijn beurt kan 'bijdragen' tot het publieke debat."

Wat vindt u van het nieuwe Antwerpse stadsbestuur? Boezemt het u meer vertrouwen in?

"Eerlijk gezegd, ik volg het nauwelijks nog. Er bestaat een overkill aan nieuws. Je kunt elk uur op de radio naar nieuws luisteren, je kunt 's avonds naar het tv-journaal kijken, en dan zijn er nog de kranten en het internet. Weet je, ik lees ook graag een boek. Ik heb er geen idee van of dit nu een beter stadsbestuur is dan het vorige."

Bizar.

"Waarom? Politiek is veel te veel een mediaspelletje geworden. Ik zette mijn tv afgelopen weekend nog eens aan en ik hoorde de mensen daar opgeven over het pr-beleid van Patrick Janssens. Het is tegenwoordig minder belangrijk wat je zegt dan hoe je het zegt. Die evolutie heeft voor mij het sérieux van de politiek ondergraven."

En dan stapt uw buddy, zakelijk leider Stefaan De Ruyck, nog...

"(lacht) ... in de politiek (als kabinetschef van Bert Anciaux, RG)! Tja. Hij was altijd al gefascineerd door de politiek. Hij is een verlies voor Het Toneelhuis. Spijtig. Maar goed, ik ga zelf naar Berlijn. Ik kan van hem niet verwachten dat hij tot zijn zestigste zakelijk leider van Het Toneelhuis blijft."

Wat is uw raad voor opvolger Josse De Pauw?

"Ik heb de afgelopen jaren ondervonden dat ons vaste publiek erg houdt van klassieke teksten maar tegelijkertijd eist dat we daar iets eigenzinnigs mee doen. We moeten op zoek gaan naar iets unieks. Hoe moeilijk het Antwerpse publiek ook is, het staat wel open voor radicaliteit. In Frankrijk waren ze waanzinnig gechoqueerd door Andromak, onze bewerking van de tekst van Racine, terwijl men dat in Antwerpen helemaal niet was. Ik steek dan wel een litanie over Vlaanderen af, maar dat dat hier kan, is een enorme rijkdom. Het is een uniciteit die elders gekopieerd wordt. Ik ben er ons publiek dankbaar voor. De mensen zijn blijven komen, ook wanneer het eens wat minder was."

Wanneer zaten jullie er wel pal op?

"Als er een wezenlijk contact ontstaat tussen de mens die op dat podium staat en de toeschouwer in de zaal. Als je als toeschouwer je existentiële eenzaamheid vergeet en je eigen sterfelijkheid overstijgt. Dat is iets ongrijpbaars. Het heeft te maken met emoties, met de stand van de sterren, met het uur van de dag. Er moeten tal van complexe gegevens samenvallen en dan gebeurt er iets existentieels waardoor je op een punt komt waarbij je ofwel woedend de zaal verlaat en met de deuren smijt, ofwel een grens in je kijken opheft en iets te weten komt over jezelf.

"Een paar keer zijn we daarin geslaagd. Bij Asem en Oom Vanja heb ik het gevoeld, en zeker bij Ten Oorlog. Toen werd er geapplaudisseerd door toeschouwers én acteurs. Dat was een wederzijdse erkenning van de weg die een hele dag lang was afgelegd, met alle vermoeidheid van dien. Dat vergeet je nooit."

Was 'Ten Oorlog' geen hoogtepunt dat zo hoog lag dat het een vloek werd? Die voorstelling heeft toch bijzonder veel energie opgeslorpt?

"Ja... Pfff... Misschien. Maar dat is uiteraard geen reden om ze niet te maken."

Misschien is het wel moeilijk om achteraf gewoon voort te doen.

"Na Ten Oorlog heb ik geworsteld met het feit dat iedereen meer van dat verlangde. Bij Aars! was dat verwachtingspatroon een enorm probleem. Die voorstelling werd alleen maar geaccepteerd in regio's waar men Ten Oorlog niet had gezien. (lacht) In Denemarken vond men het geweldig. Ondertussen is die fase voorbij. Ten Oorlog leeft voort als mythe en men heeft geaccepteerd dat ik mij verder ontwikkeld heb. Ik zal geen tweede Ten Oorlog meer maken."

Sindsdien zijn uw stukken donkerder, pessimistischer geworden.

"Ik ben steeds meer geëvolueerd naar een soort directheid. Ik ben minder bezig met het vertellen van een verhaal. Ik wil de acteur op een zeer rechtstreekse manier 'tonen' aan het publiek, zoals met een camera. En donkerder? Ik heb altijd de neiging om dat tegen te spreken, omdat ik die donkerte waar jij het over hebt eigenlijk heel humoristisch vind. Ik moet altijd enorm lachen om Buster Keaton, de treurigste komiek die er bestaat. Dood van een handelsreiziger speelt zich af voor een televisie, de mensen kijken zich gewoon suf. Wel, dat is zo treurig dat ik erom moet lachen. Misschien is het een soort verdedigingsmechanisme."

Het is geen cynisme?

"Neen. Indien ik cynisch was, zou ik die mensen uitlachen. (stilte) Het heeft in veel gevallen te maken met ontroering. Daar is het mij om te doen. Ontroering wil niet zeggen dat je tranen met tuiten moet huilen. Het heeft te maken met een krop in de keel. Of met een lach, maar dan een vanuit een grote sympathie. Het enige wezenlijke aan theater is begrip voor andermans fouten. Vergeving. Daarom is Shakespeare zo fantastisch. Hij zet Richard III als een monster neer en toch kun je je vooroordelen opzijschuiven en zelfs zo'n figuur vergeven."

'Ik leer wat het is om zonder illusies te zijn', citeerde u ooit een Griekse filosoof. Dat klinkt zo defaitistisch.

"En toch is het dat niet. Toen Diogenes van Sinope voor een standbeeld stond te bedelen, vroeg men hem: 'Waarom doe je dat nu? Van dat standbeeld zul je toch nooit iets krijgen?' Waarop hij antwoordde: 'Ik oefen mij in het leven zonder verwachtingen'. We slagen er niet in om dit leven in zijn momentane rijkdom te ervaren, om gelukkig te zijn, omdat we te veel verwachten. Indien we iets verwonderder en naïever in het leven zouden staan, met minder verdedigingsreflexen, zouden we veel intenser, directer, opener met elkaar kunnen omgaan. Na al die jaren is mijn lijfspreuk: 'Never complain, never explain'. Gepikt van Jacky Kennedy.

"Wij kunnen niet omgaan met het zinloze in het leven. We beschouwen het als iets negatiefs, iets onproductiefs. In het Oosten beschouwt men de leegte en de zinloosheid net als de essentie van het leven. Daar gelooft men in de zin van het zinloze. Dat is vaak de wezenlijke ervaring van het ritueel 'theater'. Het leert je leven met het vergankelijke - wat is er vergankelijker dan theater? -, het brengt je tot verbazing, tot ontwapening. Met defaitisme heeft dat niets te maken."

U wilt de wereld verbeteren, maar dan wel op een bescheiden manier?

"Ja, dat is ook de enige manier waarop theater de wereld kan verbeteren. Na 2.500 jaar toneelgeschiedenis kun je niet zeggen dat de wereld er wezenlijk beter op is geworden. Je kunt wel zeggen dat theater míj veranderd heeft. Ik ben er op een heel andere manier naar de wereld door gaan kijken. In de chaotische wereld waarin we leven is kunst een klein eiland zonder dogma's.

"Vroeger geloofde ik dat je een aantal zaken maatschappelijk kon doen bewegen. Ik heb ondervonden dat dat naïef is. Ik ben al blij wanneer een mens uit mijn voorstelling komt en ontroerd, woedend of geïrriteerd is. Zolang het maar geen onverschilligheid is. Ik hoop dat die emotie die mens dan iets oplevert. Zo probeer ik iets bij te dragen aan onze wereld. Theater is als schrijven in het zand. Als het vloed wordt, is alles verdwenen. En je kunt alleen maar hopen dat één iemand het gezien heeft.

"Er is een prachtige metafoor van een zenmeester die over een strand loopt waarop talloze visjes zijn aangespoeld. Het strand ligt er helemaal vol van. De zenmeester begint de vissen een voor een opnieuw in het water te werpen, maar er zijn veel te veel visjes. Zijn leerling zegt: 'Dit heeft toch geen zin?' Waarop de meester antwoordt: 'Voor die ene vis heeft het wél zin'. Daarvoor moet je het dus doen. Voor die ene vis."

Zit er nog verontwaardiging in Luk Perceval?

"Absoluut. (denkt lang na) Ik ben ontevreden met het leven. Ik word continu geconfronteerd met onrecht, zowel in de grote wereld als in het kleine privé-bestaan. En ik begrijp de zin niet van al dat lijden. Daarover ben ik verontwaardigd, over Het Leven. Dat is de condition humaine van elke kunstenaar, en zelfs van elke mens. Eigenlijk leven wij in een vorm van collectieve depressie. Een kunstenaar heeft het geluk dat hij met die ontevredenheid iets kan aanvangen, dat kan dan tijdelijk troost bieden."

U had het net over de zoektocht naar een 'wezenlijk contact' tussen acteur en toeschouwer. Daar staat een regisseur toch altijd buiten?

"Ja. Een regisseur is zoals een voetbaltrainer. Hij heeft de slechtste plaats in de tribune. En hij kent de complexiteit van wat er aan de gang is. Bij Ten Oorlog wist ik niet alleen wat er op het toneel moest gebeuren, maar ook wat er onder het toneel technisch allemaal fout kon gaan. Het kan elke seconde de mist ingaan, en toch is net dat het fantastische aan theater. Ik herinner me de eerste try-out van de marathonvoorstelling van Ten Oorlog, waarbij Els Dottermans een gebarsten ruggenwervel opliep. Na vijftien maanden leek het plots alsof we helemaal niet in première zouden kunnen gaan. Theater flirt zo erg met het noodlot dat je als regisseur elke catastrofe voorvoelt. (lacht) Eigenlijk sterf je meer dan goed is voor een mens.

"Midden in een slopend repetitieproces kwam ik op straat eens een collega tegen die me vroeg: 'En? Is het plezant?'. Ik heb hem geantwoord dat het nog nooit plezant is geweest. Misschien is het een soort verslaving. En als het wel lukt, is het prachtig. Het allermooiste aan theater is dat het zo dicht in de buurt komt van de ultieme zinloosheid."

Nu u het zegt, wat blijft er over na twintig jaar regisseren?

"(lacht) Een pak foto's en enkele videobanden. Dat komt natuurlijk nooit in de buurt van wat er in zo'n zaal leeft. Toch is net die vergankelijkheid heilzaam voor een maker. Het zorgt ervoor dat elke vorm van ijdelheid je na verloop van tijd door de vingers glipt."

Is dat het verschil tussen een regisseur en een acteur: ijdelheid?

"Neen, want ik haat ijdele acteurs. Ik heb er een hekel aan, omdat zij precies dat wat ik zoek ontberen. Je moet naakt zijn op scène. Dat heeft niets te maken met in uwen blote staan, maar wel met spelen vanuit interesse, vanuit een echte aandacht. Je moet daar als mens in al je puurheid staan. IJdele mensen laten enkel hun buitenkant zien. IJdelheid is afstotelijk op toneel. Ik ben gefascineerd door mensen die een geheim hebben en bij wie je zelf een verhaal kunt verzinnen. Dat is zo mooi aan Josse De Pauw."

Is iemand die op een podium gaat staan voor zevenhonderd toeschouwers niet sowieso ijdel?

"Ik heb me ooit afgevraagd waar de oerbeslissing om te gaan acteren vandaan komt. Heel wat acteurs vertelden mij dat ze zich als kind altijd schaamden om hun nieuwjaarsbrief voor te lezen. Ik had daar ook een bloedhekel aan. Ook nu vind ik het nog altijd vreselijk om te speechen. Veel acteurs zeggen mij dat ze op het toneel zijn gaan staan omdat dat een manier was om die schaamte te overwinnen. Op de scène vergaten ze zichzelf en de toeschouwers. Dat is een vorm van uiterste concentratie die ik zelf als acteur nooit bereikt heb. Daarom ben ik ermee gestopt.

"Het is wel een van mijn drijfveren geworden als regisseur. Ik heb gezocht naar allerlei methoden waardoor acteurs zich echt vrij gaan voelen. Als een acteur zijn hele prestatiedrang, zijn ballast, zijn zelfbewustzijn verliest en zich plots als een vis in het water voelt, dan is dat vergelijkbaar met een geboorte. Ik probeer alle parameters - het decor, de tekst - juist te zetten, en als het dan lukt, is dat geweldig."

Het valt mij op dat de verbittering waarmee u over Antwerpen praat helemaal verdwijnt wanneer u over regisseren begint. Dan laait de passie op.

"In Duitsland zegt men: 'Word nooit intendant in de stad waar je geboren bent'. Dat is zoals te lang bij je ouders blijven wonen. Ik ben niet in Antwerpen geboren, maar ik ben hier wel opgegroeid. Ik heb een haat-liefdeverhouding met deze stad. Ik hou van de mensen met wie ik dit huis heb opgebouwd, ik hou van de acteurs. Maar ik haat deze stad omdat ik het een provincialistisch nest vind. Ik walg van de xenofobie die hier heerst. Ik vind het denken zo burgerlijk en kleinstedelijk. De intensiteit van die woede heeft te maken met het feit dat ik hier ben opgegroeid. Een stad als München is in tal van opzichten even erg, en toch haat ik ze niet zo passioneel."

'Je voelt je het best waar je geliefd bent', verklaarde u een paar maanden geleden in een Duitse krant uw vertrek uit België. Dat vond ik dan weer een vrij burgerlijke uitspraak.

"Na zeven jaar Antwerpen heb ik daar wellicht nood aan. Je hebt nood aan een evenwicht. Aan gejubel én gejouw. De afgelopen jaren heb ik in deze stad iets te vaak het gevoel gehad dat men van mij af wou."

Wie het grootste theater van Antwerpen gaat leiden, begint niet aan een gezondheidswandeling. Dat wist u toch? Daartegen had u toch bestand moeten zijn?

"Wellicht, maar jij denkt veel politieker dan ik. Ik ben zo niet en daarom was ik ook niet geschikt als intendant. Ik ken een aantal intendanten die zich geen fluit aantrekken van het feit of ze nu al dan niet geliefd zijn. Zij hebben een soort eeltlaag opgebouwd. Vaak zijn het ook geen kunstenaars. In mijn geval was de paradox te groot. Ik kon mijn regisseurschap niet combineren met mijn intendantschap. Dat was gewoon onmogelijk.

"Aan de ene kant word je gedwongen om elke dag op de repetitievloer met je hart te werken, en zodra de repetitie ten einde is, moet je een berekend mediaspel gaan spelen. Wel, dat gaat niet. Dat gaat écht niet. Dat kun je alleen als je schizofreen bent. Je bent of kunstenaar, of politicus. Daarom heb ik er een punt achter gezet. Als theatermaker moet ik op zoek gaan naar de radicaliteit, naar de uniciteit. De middenweg bestaat niet, de middenweg is saai. Kunst ontstaat op de grens van het onmogelijke, van de verveling. Het is wanneer je denkt: 'Oei, dit duurt te lang' dat je door moet zetten. Dan kan er iets moois ontstaan."

Hebt u hier de afgelopen jaren eigenlijk graag gewerkt?

"Ik heb dit graag gedaan voor en met alle mensen met wie ik het gedaan heb. Ik ben ook blij dat ik ontdekt heb dat ik geen intendant ben. Zes jaar geleden dacht ik: 'Dat doe ik er nog wel even bij'. Maar ik bén geen intendant, en ik zal het nooit worden. Vanuit Wenen kwam er onlangs nog een voorstel, maar ik heb heel beslist gezegd: 'Wrong number'. (brede glimlach) Die zes jaar waren een zeer wijze les. Maar regisseren vind ik nog altijd fantastisch. Dat raak ik nooit beu."

Als ik uw parcours van de afgelopen twintig jaar bekijk, valt het op dat het een eenzame tocht is geweest.

"Ik heb daar nooit een probleem mee gehad. Zodra ik kon lopen, ging ik er thuis vandoor. Ik reis ook ontzettend graag. Als je reist, staat de tijd stil. Dan ben je afhankelijk van de vertrektijd van je vliegtuig of je trein, en dan kun je alleen maar wachten. Dat gevoel van overgeleverd te zijn vind ik erg luxueus. Ik vind het boeiend om steeds in nieuwe werelden terecht te komen. De paar vriendschappen die ik heb, zijn de vriendschappen die mij ruimte geven. Ik heb veel vriendschappen moeten opgeven omdat ze te verstikkend waren. Maar je gebruikt het woord 'eenzaam', dat klinkt zo... treurig."

Ik bedoel dat u soms onverbiddelijk lijkt. Als een vriendschap of een professionele samenwerking 'op' is, gaat u alleen door.

"Alles is beter dan cynisme. Ik had altijd acteur kunnen blijven bij de KNS, maar dan was ik op mijn zevenenveertigste ongelukkig geweest. Daarom heb ik dat opgegeven. Ik kan niet op plekken vertoeven waar ik mij slecht voel. Misschien is dat rücksichtslos, ja. (lacht) Daarom heb ik de onhebbelijke neiging om nooit een contract te ondertekenen. Ik blijf mezelf het recht toe-eigenen om elke dag te vertrekken. Dat is geen pretentie. Als ik mijn job niet meer graag doe, ben ik weg."

Waar gaat u wonen in Berlijn?

"Ik wil op een boot gaan wonen. Op dit moment volg ik een cursus om te leren hoe ik op zee moet varen. En dan moet ik nog een boot kopen. Eigenlijk is dat heel bizar. Tot ik negen jaar oud was, waren mijn ouders schippers. Vreselijk vond ik dat. Maar de laatste tijd mis ik de rust en de langzaamheid van het water. Ik ben het kotsbeu om in de file te staan. Ik ben het beu om mij te haasten. Ik wil over de weidse zee kunnen kijken tegen twintig per uur. Ik wil er een volle week over doen om in Berlijn te raken. Ik hou echt van die stad. Aanbiedingen uit andere Duitse steden heb ik afgewimpeld. In Berlijn heb ik mijn hart verloren."

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234