Vrijdag 22/01/2021

'Ik ben te alleen voor mij alleen'

De Franse componist Erik Satie vermoedde dat hij niet thuishoorde op de aarde. Alleen ironie en buitenissigheid stelden hem in staat er te overleven. In Saties wonderlijke brieven is zelfspot een constante. 'Denk maar niet dat het muziek is wat ik maak.'

Erik Satie

Correspondance presque complète, réunie et présentée par Ornette Volta

Fayard, Parijs, 1.230 p., 1.998 frank.

Zomer 1918. Parijs ligt verlaten onder de bloedhete zon. De vrienden bevinden zich aan de Azurenkust of in Biarritz. De vijanden eveneens. Erik Satie zit in zijn kamertje, boven het groezelige café-restaurant De Vier Schoorstenen, in de voorstad Arcueil-Cachan. Hij schrijft brieven aan zijn vrienden. Deze bijvoorbeeld, gedateerd 18 augustus, aan de echtgenote van de acteur Pierre Bertin, die in Nice vertoeft: "Parijs is vrolijk. Ik vermaak me als een hele jonge man. Ik ga naar het bal met mijn vrouw & mijn kinderen. Ik dans alle fuga's van Bach. Kom terug."

Een wonderlijke brief. Satie ten voeten uit in twee regels. (Het was zijn gave, als componist, in tweeëndertig maten uit te drukken waar anderen een symfonie voor nodig hadden.) De toon is vrolijk maar misleidend. Satie is niet vrolijk gestemd, hij is ziek en eenzaam. Hij is ziek van eenzaamheid. Dat is hij elke zomer weer. En in de winter sterft hij van de kou. Dan is de zon naar het zuiden vertrokken, schrijft hij, en dat is complete onzin, want juist in de winter hebben we ze het hardste nodig. Maar nee, het hemellichaam daagt pas op wanneer het buiten toch al bloedheet is. Is dat geestig? Het is vooral schrijnend. In zijn onderkomen in Arcueil beschikt hij over stromend water noch verwarming.

De toon is ook ironisch. Hij heeft immers vrouw, kind noch kraai. Hij heeft, voorzover bekend, ooit één relatie gehad met een vrouw, de schilderes Suzanne Valadon, die een prachtig portret van hem geborsteld heeft. Hij was zesentwintig en betrok een kamer op de top van Montmartre, "hoog boven mijn schuldeisers". Het was geen idylle.

Satie hing schotschriften uit waarin hij de losse zeden van zijn geliefde hekelde. Na de scheiding liep hij bij de politie langs met het verzinsel dat hij haar uit het raam had gegooid. Hij zou later aan zijn schoonzuster schrijven: "Weet je waarom ik niet in het huwelijk treed? Ik ben verschrikkelijk bang een horendrager te worden. Ik ben een man die niks van de vrouwen begrijpt."

Is dat een oprechte ontboezeming? Ja. En neen. Hij neemt zichzelf op de hak, sterker, hij bouwt zichzelf af als man. Hij verbrijzelt het heilige huisje van de Franse viriliteit. Een Fransman die zich met het epitheton cocu tooit, het is ongehoord, zeker in de Belle Epoque. De hele Erik Satie is ongehoord: zijn muziek, zijn handel en wandel, en zijn liefde voor de paraplu, die hij onder zijn jas verbergt als het te hard gaat regenen. Hij is zo ongehoord omdat alleen ironie en buitenissigheid hem in staat stellen te overleven in een benauwende wereld. Zijn vriend Bertin heeft hem later beschreven als een wezen van een andere planeet, op aarde verdwaald. Zijn wezenstrek is nostalgie. Hij vermoedt dat hij hier niet thuishoort. Hij wil iets uitdrukken waar geen taal voor is. Vandaar de melancholische ondertoon in zijn eerste werken, Gymnopédies en Gnossiennes, en later, in de Nocturnes. Dit leven, op deze aarde, met deze mensen, kan hij niet aan. Hij is te teer, te kwetsbaar, te lichtgeraakt.

Deze notities over de raadselachtigste van alle componisten worden ingegeven door Erik Satie, Correspondance presque complète, een pil van meer dan twaalfhonderd bladzijden, bezorgd door Ornella Volta, die al een biografie van Satie op haar naam heeft. Meer dan vijfhonderd bladzijden toelichtingen, gerangschikt per correspondent, leveren samen met de 1.565 brieven een prismatisch beeld op van de componist.

Erik Satie is een optocht van bizarre figuren. Wanneer hij na onvoltooide studies aan het conservatorium in Montmartre aanspoelt, is hij de bohémien, met slappe hoed, woekerende baard, lang haar en een grote bek. Zijn eerste manifestatie als artist is een brief aan de Club du Chat Noir, waar hij zich meldt als gymnopédiste. In Athene waren gymnopaidai jongelingen die naakt het lichaam oefenden. De Oude Grieken zullen hem blijven inspireren: de vijftig voorbij componeert hij het oratorium Socrate, op door hem zelf bewerkte teksten van Plato. De Oudheid heeft immer de meer wereldvreemde kunstenaars gefascineerd die zich in eigen land en tijd niet thuis voelden, denk maar aan Hölderlin en zijn heimwee naar een overigens geheel gefingeerd Hellas.

Vervolgens verdwaalt Satie in de middeleeuwse mystiek. Hij wordt rozenkruiser. Hij is niet de enige rozenkruiser, en dat zint hem niet. Dus sticht hij zijn eigen kerk, de Metropolitaanse Kunstkerk van de Leider Jezus, hetgeen hem in staat stelt kunstbroeders, recensenten, le Tout-Paris en zelfs de nietsvermoedende schrijver Octave Mirbeau te excommuniceren. Op straat vraagt hij voorbijgangers hoeveel ketters ze die dag al gekastijd hebben.

Zijn brood verdient hij als tweede pianist in de Auberge du Clou, waar hij zangers en danseressen begeleidt. Hij leert er Debussy kennen. Hun vriendschap zal, met hoogten en laagten, dertig jaar standhouden. Debussy orchestreert twee Gymnopédies, die in Génève worden uitgevoerd.

Financieel wordt Satie daar niet wijzer van. Hij verkeert, en zal onveranderlijk blijven verkeren, in la dêche, de penarie. Wanneer zijn broer, of zijn welgestelde vriend Le Monnier hem vanuit uit zijn geboorteplaats Honfleur met een postmandaat verblijdt, richt hij banketten aan voor de bohème van Montmartre. Of hij koopt twaalf identieke pakken in muisgrijs ribfluweel. Het gevolg is dat hij de huur voor zijn kamer niet meer kan betalen. Hij verhuist naar een ruimte waar alleen plaats is voor een tafel en een bed, en die hij Le Placard, de wandkast noemt. "De penarie is gekomen als een droevig klein meisje met grote groene ogen." Zijn vertier in het café-chantant wordt een tijdlang gesponsord door ene Madame Pacocq-Mallard, een korsettenmaakster.

In 1898 laadt hij zijn schamele bezittingen op een handkar en verhuist naar de voorstad Arcueil-Cachan. De professionele clochard Bibi La Puréé, die zijn reputatie dankt aan het feit dat hij het evenbeeld is van paus Leo de Twaalfde, heeft hem op deze rustige plek opmerkzaam gemaakt. Bij een nieuwe plek hoort een nieuw personage. Satie heeft weer eens fondsen ontvangen uit Honfleur, en schaft zich twaalf donkere pakken aan, honderd paraplu's en evenveel losse boorden. Hij ziet er nu uit als een oplettend, ietwat gezet burgermannetje, met lorgnet en verzorgde baard.

Arcueil ligt op twee uur lopen van Montmartre. Zo wordt Satie gauw een opgemerkt wandelaar in het Parijse stadsbeeld. Nu eens heeft hij een brandende pijp in zijn vestzak gestopt, dan weer ligt hij op de Place de la Concorde aan de voet van de obelisk een ode aan Nefertiti te componeren.

De cabaretier Victor Hyspa werft hem aan als tapeur à gages, letterlijk iemand die tegen bezoldiging op de toetsen klopt. Hij schrijft chansons voor Hyspa en voor de bevallige Paulette Darty, later Baronne Bonnin de la Bonninière de Beaumont, die altijd een trouwe vriendin zal blijven en wier echtgenoot, de baron Etienne, Saties begrafenis zal betalen. Hyspa is zeker niet ontevreden over zijn toetsenklopper. Alleen, de man is aan de drank, en verschijnt soms waggelend en wauwelend in het caf'-conc'.

Van diezelfde man voeren de Ballets Russes de pantomime Jack in the Box op. Het scenario is van de schilder Derain. Zijn composities met bizarre titels als Trois morceaux en forme de poire, of Véritables préludes flasques pour un chien, verrukken de artistieke avant-garde. De negen jaar jongere Maurice Ravel bewondert hem mateloos en zal hem uitroepen tot voorloper van de moderne muziek.

Wanneer Debussy in 1902 stormachtige bijval oogst met de opera Pelléas et Mélisande, wordt de 'voorloper' moedeloos. Waarom slagen zijn vrienden als hijzelf een armlastig fenomeen blijft, door enkele musici gewaardeerd en door de goegemeente afgeschreven als een flauwe grappenmaker? Om die vraag te beantwoorden zouden we moeten weten wat er in hem is omgegaan terwijl hij urenlang, met kalligrafische precisie, zijn ijle stukjes neerschreef, die bijna nooit langer duren dan twee, drie minuten, en waarin hij telkens weer die verrassende nuance, die verglijdende toonaard, die onverwachte klankkleur wist te verweven, die een simpele frase, of zelfs een populair deuntje omtoverden tot pareltjes van pure muziek.

Wat wilde hij bereiken? Hij heeft zich daar nooit over uitgelaten. Hij gaf zich nooit bloot als het om essentiële dingen ging. Ambitie in de gangbare zin van een succesvolle carrière had hij niet. Integendeel, hij deed er alles aan om zijn kansen op status en roem te verknoeien. Hij viel de recensenten aan, en vocht zelfs een duel uit - op de wandelstok - met een van de machtigste scribenten, Henri Gauthier-Villars, alias Willy, de ex-echtgenoot van de schrijfster Colette. Hij raakte in onmin met alle andere componisten, Darius Milhaud uitgezonderd. Met Debussy brak hij toen deze hem plagerig "onze befaamde contrapuntist" noemde nadat hij - twijfelend aan zichzelf? - op zijn veertigste lessen in contrapunt was gaan volgen aan de Schola Cantorum.

Het voorloperschap werkte hem danig op de heupen. Wat had het voor zin twintig jaar later nog altijd de charme van de Gymnopédies te prijzen? Zag men dan niet dat hij elk jaar weer nieuw, ander werk componeerde? Ook Ravel, die hem altijd gemeend "cher Maître" had genoemd, viel in ongenade. Dat onderstreepte Satie op de hem eigen, sardonische wijze: hij publiceerde zijn 3 Valses du précieux dégoûté, met begeleidende teksten die er geen twijfel over lieten bestaan dat hier een loopje werd genomen met de Valses nobles et sentimentales van Ravel.

Erik Satie was een charmante, onmogelijke man. Alleen in zulke tegenstellingen is hij enigszins te vatten. Hij was verlegen en stelde zich aan. Hij was eenzelvig, en hunkerde naar genegenheid. De aanvechting om ergens bij te horen werd door zijn eigenzinnigheid en achterdocht in de kiem gesmoord. Hij is op een blauwe maandag zelfs communist geweest. Hij eiste waardering voor zijn muziek, en stak er de draak mee. De uitgever Viardot, die hem om een zelfportret had gevraagd voor zijn Dictionnaire des musiciens, ontving volgende tekst: "De heer Satie is een pretentieuze dwaas. Zijn muziek heeft geen enkele zin en lokt slechts spotlach en schouderophalen uit."

De zelfspot is een constante. "Denk maar niet dat het muziek is wat ik maak", schrijft hij aan de pianist Vines. "Dat is niets voor mij: ik maak, zo goed al ik kan, fonometrie. (...) Ben ik iets anders dan een weinig onderlegde arbeider in de akoestiek?" Fonometrie: onderzoek met de stemvork naar de weerklank van sommige lichaamsholten (Van Dale). Gekheid? Natuurlijk. En een krampachtige poging om de ontgoocheling te verbijten. Wie zijn verwachtingen naar beneden bijstelt, wordt niet zo gauw ontgoocheld. Of is deze verbale autodestructie een dwarse uiting van superioriteit? Wie durft wat ik durf?

Nooit heeft hij een evenwicht gevonden. Hij was als een koorddanser, hachelijk balancerend tussen ingetogenheid en provocatie, tussen ontroering en brutale scherts. Zijn zelfvertrouwen was zo wankel dat hij paranoïde trekjes begon te vertonen. Opperde de jonge Francis Poulenc het idee om de meester met een galaconcert te eren? Satie geloofde niet dat het een oprecht initiatief was, en weigerde, tot op zijn sterfbed, zijn collega nog weer te zien. Wie, zoals Georges Auric, te vaak in het gezelschap van Ravel vertoefde, werd persona non grata verklaard. Confrontaties durfde hij niet aan. Zijn enige strategie was de verongelijkte aftocht.

Het verhaal van Parade is exemplarisch. Dit ballet réaliste werd in 1917 gecreëerd naar een idee van Jean Cocteau. Satie schreef de muziek, Picasso ontwierp decor en kostuums, Massine van de Ballets Russes danste en Diaghilev produceerde. Het project was van meet af aan een broeinest van intriges. Cocteau bemoeide zich met de muziek, en Picasso met de tekst. Misia, de vriendin van Diaghilev, spande zich in om de productie te kelderen, omdat niet zijzelf, maar de artiste Valentine Gross bemiddelde tussen de protagonisten. Cocteau eiste het auteurschap op. Satie was woedend. Maar hij blies de aftocht. Cocteau heeft de muziek gecomponeerd? Mij goed. Picasso schreef de tekst? Ze zoeken het maar uit. "Je m'efface." Ik verdwijn liever uit het beeld.

Parade werd het schandaal dat Cocteau had gepland. Het geratel van schrijfmachines overstemde de muziek, de kostuums waren van papier-maché, aan de handelingen van de protagonisten, een Chinese goochelaar, een Amerikaanse meisje en een acrobaat, was geen touw vast te knopen. Leuk, maar Satie was alweer met iets heel anders bezig, zijn Socrate. "Eindelijk vrij", juicht hij. "Plato is een uitstekende medewerker, en helemaal niet opdringerig." Anderhalf jaar lang vijlt hij aan de meest monotone, 'blanke' muziek die ooit geschreven werd. Na het kabaal in de metropool, de roerloosheid van de woestijn. Hij heeft de uiterste grens bereikt.

Wat is er nu nog mogelijk? Satie vindt de musique d'ameublement uit, muzikaal behang, "ideaal voor notariskantoren en banken". Vier maten klarinet, piano en trombone, eindeloos herhaald. En hij schrijft de eerste filmmuziek, voor het ballet Relâche, een pandemonium opgevoerd in een decor van metalen schijven, waarin brandweermannen zich naar links en rechts spoeden en de dansers onophoudelijk roken. De film, gedraaid door René Clair, toont Satie, Picabia, Duchamp en Man Ray, die onder meer een kanon afvuren. De voorloper van de filmmuziek, van het surrealisme - Apollinaire heeft het woord uitgevonden om Parade te typeren -, van dada en het absurde theater, door zijn toneelstuk Le Piège de Méduse, waarin een opgezette aap rondspringt. De voorloper van John Cage, die vijftig jaar later geïnspireerd werd door Saties Vexations, een stukje dat 840 keer herhaald moest worden. De voorloper van de technomuziek, zo men wil, want de intentie van zijn musique d'ameublement was vibraties te creëren.

Hij schrijft aan de schilder André Derain: "Ik ben te alleen voor mij alleen. (...) Er is een tijd geweest dat ik heel vrolijk was - maar dat heb ik aan niemand verteld, en aan geen enkele persoon, noch aan om het even wie." Hij is in zijn laatste dagen toch niet helemaal alleen geweest. Picasso kwam in het ziekenhuis geregeld zijn lakens verversen. En de beeldhouwer Brancusi bracht hem zelfgekookte kippenbouillon.

Jos de Man

De hele Erik Satie is ongehoord: zijn muziek, zijn handel en wandel, en zijn liefde voor de paraplu, die hij onder zijn jas verbergt als het te hard gaat regenen

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234