Zaterdag 18/01/2020

'Ik ben nooit zo eerlijk als in mijn strips'

'Frank Lloyd Wright fascineert me niet alleen als architect maar ook als persoon. Hij was een genie, maar ook een moeilijke, onsympathieke kerel'

Geert De Weyer

'Prachtig, hé?" Andreas vangt enthousiast mijn blik op terwijl ik naar een ingekaderde affiche in zijn woonkamer in het centrum van Rennes staar. Een modern getekend huis van architect Frank Lloyd Wright doemt er in alle pracht op. 'Museum of Modern Art, NY, 1994', staat onder aan de prent. "Voor mij is hij een genie", zegt mijn wat kleinere, introverte rechterbuur zacht. Zijn boekenplank laat eenzelfde geluid horen. Naast talloze Amerikaanse comics en graphic novels, kunstboeken over Japanse anime en naslagwerken over schilders als Picasso, Monet of Mucha, prijkt de naam van Frank Lloyd Wright op tientallen boeken. In Andreas' atelier bevindt zich De rode driehoek, zijn opvallende hommage aan de geometrische architectuur van LLoyd Wright. Hij grijnst fijntjes wanneer hij het oblonge album uit het rek neemt. "Mijn uitgever zei het nog: 'Andreas, wees erop bedacht dat dit album voor geen meter zal verkopen.' Hij kreeg gelijk, maar ik ben erg in mijn nopjes met dit boek." De in Duitsland geboren cultauteur Andreas (55) zegt het schouderophalend, alsof een goede verkoop het minste van zijn zorgen is. Voor commercie haalt hij zijn neus op. Een groot publiek heeft hij met zijn vaak moeilijk te verteren strips nooit gehad. Een hondstrouw publiek wel. In de jaren tachtig liet de stripartiest Europa kennismaken met complexe strips als de cultreeks Rork, Cyrrus of het op Frank Millers stijl geïnspireerde Coutoo. Midden jaren negentig leek hij met reeksen als Arq en Capricornus een groter publiek te willen bespelen. Enkel de fervente Andreaslezer begreep dat de auteur zich voor die laatste reeks baseerde op vijf denkbeeldige verhalen die in de proloog van het vijfde Rork-deel werden aangekaart. Het is maar een van de zo veel verwijzingen. Een legpuzzel, dat was namelijk wat Andreas creëerde bij elk nieuw album, want net als het Brusselse duo Schuiten & Peeters, trachtte deze kunstenaar de grenzen van het medium op ongeziene wijze te verkennen met zijn fragmentarisch opgebouwde constructies. Talloze fanzines en magazines trachtten in de loop der jaren zijn geheimzinnige verhalen te ontmaskeren en te analyseren. De oplettende lezer zal bijvoorbeeld opmerken dat zowat alle personages uit De rode driehoek incarnaties zijn van Frank Lloyd Wright of dat de initialen FLW of acroniemen steeds opnieuw terugkeren (Flight Lieutenant Worth, Federal Law Warden, de projectontwikkelaars Frederick, Leonard en William,...). Cyrrus verkent dan weer de droom en menig verhaal waarin droomstructuren gecombineerd worden met veelzeggende pictogrammen, leveren een tweede en derde, diepere lezing op. Het mag duidelijk zijn dat Andreas een spel maakt van het mechanisme van coderen en decoderen. Of zoals zijn Nederlandse uitgever het stelt: "Het gebrek aan helderheid of leesbaarheid is soms op het autistische af." De Umberto Eco van de Europese strip, wordt hij daarom genoemd. Andreas zelf stamelt, komt amper uit zijn woorden bij die vergelijking. "Euhm... tja... dat is... Dank u, denk ik?" Later in het gesprek zal hij opmerken dat de complexiteit van zijn werk niet bedoeld is om de lezer af te schrikken, maar net om diens leesplezier te vergroten.

Voor een interviewboek uit 1998 schreef u eigenhandig een cv. Daarin tekent u, naast de feiten als geboorte, opleidingen en ontmoetingen, drie gebeurtenissen op die niets met uw persoontje te maken hebben: 1961: bouw van de Berlijnse muur; 1979: Eraserhead van David Lynch; 1989: val van de Berlijnse muur. Belangrijke feiten voor u, wellicht.

"(ongemakkelijk) Ik weet niet of ze belangrijk waren, maar emotioneel waren ze zeker. Ik ben geboren in Oost-Berlijn. Dat was een erg deprimerende, koude en grauwe stad. Ik dacht dat ik er nooit weg zou komen, maar we hebben geluk gehad. In 1960, een jaar voor de bouw van de muur, trokken we met de familie naar West-Berlijn. Dat kwam omdat mijn vader toen een belangrijke positie bekleedde als ziekenhuisdirecteur. Ze vroegen hem meermaals zich bij de communistische partij aan te sluiten, maar hij weigerde stellig. Woest waren ze om die weigering. Hij stond onder zware politieke druk, we kregen talloze anonieme telefoontjes en ze dreigden ons te arresteren. Maar hij heeft geen duimbreed toegegeven. Het enige wat ons restte, was vertrekken. Ik was toen negen, een erg moeilijke periode voor me. Maar ik ben blij dat we er weg zijn gegaan. Helaas stierf mijn vader voor de hereniging van de twee Duitslanden. Hij zou er erg blij mee zijn geweest. Nu, ik heb lange tijd geweigerd er ooit terug te keren, maar nu begint het te kriebelen. Nu wil ik misschien weleens terug naar Oost-Berlijn."

En Eraserhead?

"Die film was niet onbelangrijk. Ik zag hem voor het eerst in Brussel. Ik zat toen in een soort van depressie en had het gevoel dat ik David Lynch volledig begreep. Het was de eerste film die ik van hem zag. Ik hield van zijn benadering. Het werd mij duidelijk dat hij zijn emoties gestalte gaf via een film. Dat fascineerde me. Ik geloof dat zijn vriendin of vrouw een kind had gekregen en dat hij dacht dat zijn leven voorbij was omdat hij niet meer kon doen wat hij wilde. Ik begreep wat hij voelde. Dat maakte indruk. In mijn album Fantalia heb ik dat soort van gevoelens ook verwerkt."

In 1987 verscheen uw cultreeks Rork voor het eerst in het weekblad Kuifje/Tintin. Gezien het bizarre verhaal heb ik nooit begrepen waarom de redactie Rork überhaupt publiceerde.

"Ik ook niet, eerlijk gezegd. Via Eddy Paape (geestelijke vader van onder meer Luc Orient die Andreas midden jaren zeventig als assistent inhuurde, GDW) kwam ik terecht bij André-Paul Duchâteau, toenmalig hoofdredacteur van Kuifje. Hij ging meteen in op mijn vraag om een eigen reeks te starten. Nu, Duchâteau was geen man met veel beslissingskracht. Hij hield niet eens van het hoofdredacteurschap. Op die manier verscheen Rork als een zeven pagina tellend kortverhaal. Later verschenen er nog twee kortverhalen, maar erg consequent werden ze niet gepubliceerd. Er verliepen maanden tussen de publicaties. Niemand die nog kon volgen. Ik kwam zelfs niet voor in de top vijftig van de befaamde poppolls. Na drie verhalen vroegen ze me toch een vierde te maken. Contractueel moesten ze immers een bepaald aantal pagina's hebben mochten ze er ooit een album van willen maken. Maar ook dat werd allemaal niet gerespecteerd en het verhaal verscheen in losse brokken, opnieuw met weken ertussen."

Hoe werd het een cultklassieker?

"Drie maanden voor het contract afliep, besloten ze het verhaal toch in een album te gieten. Het ging om slechts enkele duizenden exemplaren, maar in twee weken was het uitverkocht. Ze moesten meteen herdrukken (fijne grijns) en uiteraard vroegen ze me Rork vooral voort te zetten. Maar er had zich duidelijk een geheel ander publiek aangediend, tussen vijftien en dertig jaar oud. Kinderen zag ik nooit."

Intussen deed u geen enkele moeite commerciëler werk af te leveren. Ook Rork bleef haast onbegrijpelijk moeilijk.

"Niemand vertelde me in die tijd wat ik moest doen. Ik was volledig vrij. Mijn ideeën werden steeds grootser en abstracter. Ik heb via Rork mijn beroep geleerd. De eigenaardige plaatindeling heb ik toen ontdekt. Het ging allemaal erg instinctief. Uitgevers lieten me ook met rust, ook al verkocht Rork na het tweede deel weer minder."

Stripmagazines en -fanzines hebben indertijd tientallen pagina's en zelfs hele nummers aan de analyse van Rork besteed. Sommigen dweepten ermee, anderen omschreven het als knap gecamoufleerde onzin.

"Misschien is het dat wel, maar ik hoop alvast van niet. Ik ben nooit zo eerlijk als in mijn strips. Ik verberg en camoufleer niets. Het gaat direct van mijn hoofd op het papier. Er is geen filter aanwezig. Men denkt vaak dat ik doelbewust boodschappen aanbracht, maar dat is overdreven. Ik hou zelfs niet van boodschappen. Nogmaals: Rork was een intuïtief gebeuren. Maar later, toen ik bepaalde boeken herschreef, ontdekte ik tot mijn grote verbazing wel elementen die me niet eerder waren opgevallen. Zo had ik in Rork ooit een ondergrondse tempel getekend terwijl bovengronds alles dor was. Die scène komt ook voor in het Cyrrus-verhaal. En ook daar dook een monsterlijke bewaker op. Ook werd me pas later duidelijk dat ik vaak sferische objecten tekende. Ze doemden overal op, terwijl ik me niet wilde herhalen. Maar ik geraakte er niet meer van los."

Euhm, al eens aan psychoanalyse gedacht?

"(haalt schouders op, fijne grijns) Ik tracht net níét te analyseren, want dan zou ik mijn spontaniteit verliezen. Dat zou ik jammer vinden. Ik wil me blijven concentreren op het verhaal en de personages. Dat is de kern. Ik plan niets. (even stil) Ik leg wel links. Maar boodschappen in mijn werk stoppen, nee, dat doe ik niet. Ik stop eerder mezelf in mijn strips. De Andreas die ik ben op het moment van tekenen, bepaalt grotendeels het verhaal. Ik voeg er tegenwoordig ook wat autobiografische elementen aan toe. Ik heb me daar altijd afzijdig van gehouden, want de stripwereld overdrijft wel met dat soort autobio's. Maar ik probeer die elementen te camoufleren, zodat het niet melig wordt of echt herkenbaar. In de laatste Capricornus zie je talloze autobiografische elementen..."

Zoals...

"(snel)... maar ik ga je niet vertellen welke."

Vanaf uw eerste tot uw laatste album: ze zijn bijna allemaal geïnspireerd op het werk van H.P. Lovecraft.

"Ik hou enorm van het fantastische element van Lovecraft. Ik dweepte ook met Edgar Allan Poe en Jean Ray, maar Lovecraft blijft toch een klasse apart. Toen ik zijn eerste werk las, wist ik dat dát hetgene was waar ik al die tijd naar gezocht had. Ik ervoer hetzelfde bij Philip K. Dick, de schrijver van onder meer Minority Report. Die auteurs slagen erin je uit de realiteit te halen. Hun werk blies me omver. Ook zij verwerkten vaak autobiografische elementen in hun oeuvre. Ze namen elementen uit hun leven en transponeerden die naar soms monstrueuze verhalen. Erg interessant. Mijn eerste werk was enorm beïnvloed door beiden. (lacht) Ze waren wel een beetje... (draait zijn vinger rond zijn slaap)... cuckoo."

Wat opvalt in uw werk is dat u beïnvloed wordt door verschillende cultuurvormen, zoals architectuur, moderne kunst, oude schilders, Amerikaanse strips,...

"Voor ik strips tekende, wilde ik architect worden. Dat heeft mijn grafische stijl zeker beïnvloed. Frank Lloyd Wright interesseerde me toen al. Ik zou zo in een van zijn huizen kunnen wonen. Er is namelijk niet te veel licht in zijn huizen. Daarom hou ik zoveel van Bretagne: het is er vaak bewolkt en wat somber. Maar ook Lloyd Wright als persoon fascineerde me. Hij was een genie, maar ook een moeilijke, onsympathieke kerel. Hij kwetste vaak mensen. Zijn leven is niet erg leuk geëindigd. Hij is, dacht ik, afgeslacht door een bediende met een machete."

Làp, samen met Lloyd Wright maakt dat drie cuckoo's als favoriete kunstenaars. Niet meteen boos worden, maar wat zegt dat over u?

"(lacht) Goede vraag. Wil je weten of ik ook zo'n rare vogel ben? Ik ben redelijk normaal, denk ik. Maar ik ben geïnteresseerd in hen omdat ze zo verschillend zijn van anderen. Ze maken dingen die je niet meteen begrijpt. Lynch, bijvoorbeeld, gaat niet recht op zijn doel af. Het duurt lang voor je zijn karakters en verhaal beet hebt. Ik hou het meest van boeken die ik verschillende keren moet lezen om ze te begrijpen. Watchmen van Alan Moore is zo'n strip. Die lees je vijf keer en je blijft nieuwe dingen ontdekken."

Een constante in je werk zijn de parallelle werelden. U slaagt er voortdurend in een groep mensen met totaal verschillende persoonlijkheden samen te brengen.

"Iemand zei me ooit dat dat te maken had met mijn verhuizing van Oost- naar West-Duitsland. Ook dat waren twee aparte werelden. Dat is een interessante denkpiste, maar ik ben er nooit echt op ingegaan. Ik ben me er altijd erg van bewust dat strips geen realiteit zijn. Ik denk dat ik de lezer daaraan wil herinneren. In Arq gaat het hele verhaal over de al dan niet aanwezige realiteit. Wat is realiteit? Wat niet? Dat zint me wel. Maar goed, die parallelle werelden: ze zijn er. Maar waarom? Geen idee."

Met Arq en Capricornus bleek u toegankelijker te worden voor een groter publiek.

"Die titels zijn toegankelijker, ja. Met Capricornus probeerde ik bewust te doen wat ik met Rork deed. Het startte als een avontuur, maar werd steeds gecompliceerder. Idem voor Arq. Maar ik tracht ze leesbaar te houden. Ik wil niet opnieuw een Cyrrus maken. Dat boek was erg ingewikkeld. Weinigen begrepen het. Het was een te instinctief boek. Zelfs ik begreep niet alles. Capricornus en Arq zijn daarom echter niet meteen commerciëler. Ze verkopen niet beter dan andere titels."

Quintos is uw eerste politieke verhaal. Geen sf of fantasy, maar de Spaanse revolutie. Waarom?

"De Spaanse revolutie leek me een erg compact gegeven. Ik wilde ook graag de woestijn en die kleine dorpjes tekenen. En ik vond het interessant om mensen met verschillende nationaliteiten en achtergronden samen te brengen. Ze zouden een team moeten vormen, maar dat doen ze niet. Net zoals in Arq, ja, maar die groep evolueert."

U laat ook voor het eerst de Tweede Wereldoorlog in uw werk opduiken. Bent u er eindelijk klaar voor?

"(beetje ongemakkelijk) Ik heb nooit eerder interesse gehad voor dat onderwerp. Nu ik ouder word, doemen die thema's gewoon sneller op."

Ik las in uw interviewboek dat u eigenlijk mensen haat.

"(lacht) Het is niet zo dat ik mensen haat, ik haat alleen menigten. Ik verdraag het niet om lange tijd mensen te zien. Laat me drie dagen met iemand optrekken en ik hunker er vreselijk naar alleen te zijn."

Zoals zo veel stripauteurs.

"Ja. Ik denk dat ik dit beroep heb gekozen omdat ik het alleen kan doen. Van het publieke gebeuren, zoals signeersessies en stripfestivals, gruwel ik. Nu, met de jaren ben ik wel meliger geworden. Ik ben minder misantroop. Op een of andere manier ben ik opener nu, maar ik blijf graag alleen. Ik denk niet dat ik ooit nog met iemand samen zou kunnen leven. Ik werk ook veel. Zeven dagen op zeven. Daar móét ik wel alleen voor zijn. Ik hou van die stilte in mezelf, de rust rondom me, van nadenken over het leven. Het is niet meteen meditatie, maar het gaat wel in die richting. Ik ben niet meteen een new-ager, maar ik heb er behoefte aan om dingen over mezelf te weten te komen."

Ik hou verder mijn mond over die psychoanalyse, hoor.

"(minzame grijns)"

> In 1997 verscheen bij Sherpa een degelijk interviewboek, genaamd De fantastische werelden van Andreas. Daarin ook enkele voorzichtige analyses van zijn werk.

> Geboren als Andreas Martens, studeerde aan de Kunstacademie van Düsseldorf.

> Verhuist naar België. Krijgt les in Sint-Lukas Brussel van de befaamde Claude Renard. Na zijn opleiding wordt hij door Eddy Paape (Luc Orient) ingehuurd als assistent. Beiden werken aan Udolfo, op tekst van André-Paul Duchâteau (van o.a. Rik Ringers).

> Verhuist naar Parijs. Tussen 1978 en 1980 tekent hij de eerste 46 platen van Rork, de stripreeks die hem bekendheid zal opleveren.

> In het gelauwerde Postume vertellingen werkt hij samen met scenarist François Rivière aan een hoogst eigenzinnige zwartwit documentaire over het leven van H.P. Lovecraft, Jules Verne, Agatha Christie... Opvallend is de minutieuze scrapeboardtechniek.

> Ander werk: o.a. Cyrrus (1987), Coutoo (1989), De rode driehoek (1995), Capricornus (1997).

> Dweept met het werk van Franquin en tekende vroeger ook humoristisch werk. 'Tot men me zei dat mijn tekeningen grappig waren, maar mijn verhalen somber. Toen besloot ik mijn stijl aan te passen aan mijn verhalen.'

Andreas

Quintos

Sherpa, 56 p., 16,95 euro.

Andreas

Arq 9: Kruisvuur

Sherpa, 46 p., 14,95 euro.

'Ik zat in een soort van depressie en had het gevoel dat ik David Lynch volledig begreep. Ik hield van zijn benadering. Het werd mij duidelijk dat hij zijn emoties gestalte gaf via een film. Dat intrigeerde me'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234