Woensdag 08/12/2021

Ik ben nooit genoeg

De negentiende-eeuwse poëzieklassieker Leaves of Grass is opnieuw vertaald en wel door tweeëntwintig dichters, die zich allemaal uitleven in de schaduw van de Amerikaanse lyriek. En u, bent u Walt Whitman?

'De hoeksteen van de moderne poëzie", "de radicaalste en origineelste dichtbundel" of zelfs "de allergrootste Amerikaanse verzen ooit geschreven": bij de publicatie, precies 150 jaar geleden, waren sommigen al erg enthousiast, maar zeker vandaag begraaft men Walt Whitmans Leaves of Grass onder de superlatieven. Ter gelegenheid van het jubileum vroegen Jacob Groot en Kees 't Hart twintig andere Nederlandstalige dichters of ze een fragment van de eerste editie van Whitmans meesterwerk wilden vertalen, en namen ze zelf ook een deel voor hun rekening. In hun inleiding plaatsen de wedersamenstellers het 'eerste ultralange gedicht' op één lijn met Melvilles Moby Dick en de songs van Bob Dylan. Het gevaar bestaat dat de uitgavegeschiedenis van deze verrukte rapsodieën vele, door uitgeverijen teleurgestelde would-be dichters moed geeft: dit "subliem model van de poëtische collage of montage" werd namelijk oorspronkelijk in eigen beheer uitgebracht. Whitman publiceerde bovendien eigenhandig (maar anoniem) een positieve recensie van zijn eigen bundel. Ook in de beoordeling van zijn eigen werk was hij een trendsetter.

Deze handzame, robuuste en tweetalige uitgave van Querido is om vele redenen interessant: uiteraard vanwege het Engelstalige gedicht zelf, maar ook vanwege de publicatie van de door de bank genomen zorgvuldige nieuwe Nederlandse vertaling. Extra boeiend - maar misschien net iets te tijdrovend of vermoeiend voor de niet-professionele lezer - wordt het wanneer je de verschillende vertalingen onder de loep neemt, van de hand van onder meer Huub Beurskens, Anneke Brassinga, Geert Buelens, Arjen Duinker, Rutger Kopland, Astrid Lampe en Peter Verhelst. Ten slotte heeft deze uitgave ook geleid tot een dossier in het recentste dubbelnummer van De Revisor, waarin een kleine honderd bladzijden lang Whitmans grootsheid, (on)vertaalbaarheid en relatieve belachelijkheid worden geïllustreerd - lang niet iedereen vindt Leaves of Grass namelijk "het vermetelste, veelomvattendste experiment [uit] de literatuurgeschiedenis" (Jorge Luis Borges).

Om bij het begin te beginnen: wat doet een hedendaagse lectuur van deze bundeling van twaalf lange gedichten met de lezer? Is de waarde ervan meer dan historisch? De echte start van wat we zonder al te veel problemen de 'eerste zang' kunnen noemen is zonder meer beroemd en pakkend: dit zeer lange gedicht draagt de in die tijd vrijwel choquerend-egocentrische titel 'Song of Myself' ('Lied over mezelf') en vat alles een eerste keer in drie stellige verzen samen: "I celebrate myself / And what I assume you shall assume, / For every atom belonging to me as good belongs to you". Brassinga bijt de spits af en vertaalt betrekkelijk getrouw: "Ik bejubel mijzelf, / En waar ik me mee tooi, wees jij ermee getooid, / Want elk atoom dat mij behoort is evengoed van jou".

Wie dit leest, weet genoeg: dit worden een kleine honderd bladzijden zelfverheerlijking, waarbij de celebratie van het eigen zelf langs het pantheïstische, animistische en vitalistische ook moet uitmonden in een feestje van, voor en door het zelf van de lezer. Want, zo blijft Whitman herhalen, wij zijn allemaal één, of het nu gaat over elanden, timmerlieden, scherpschutters, het goede en het kwade of de stemmen van seksen en lusten: "Ik zie iets van God in elk van de vierentwintig uren en in elk moment ervan, / In de gezichten van mannen en van vrouwen zie ik God, en in mijn eigen gezicht in de spiegel [...]". Make no mistake: Whitman is geen religieus dichter in de klassieke zin van het woord - als hij God zegt, bedoelt hij een soortement wereldziel. En ook die steeds terugkerende drie puntjes in het citaat zijn belangrijk: bij Whitman is het nooit genoeg. Hij wil het allemaal zeggen en denkt er ook in te slagen.

Dat zelfvertrouwen maakt de dichter sympathiek en zijn tekst zeer leesbaar, maar het stoort na verloop van tijd ook grondig. Niet dat je de indruk hebt dat hij zichzelf nog moet overtuigen, zoals wel vaker gebeurt bij zelfbewieroking. Het is eerder de drammerigheid van de vurige tongen die na een paar tientallen pagina's op de zenuwen gaat werken. Deze tijd mag dan lijden onder een overontwikkeld zelfbewustzijn en een ideologische wispelturigheid, de nadruk waarmee Whitman zijn bijna boeddhistisch aandoend optimisme aan de man brengt, kan de lezer ook te veel worden. Aanvankelijk vermogen deze verzen u wellicht te overdonderen, dan kunnen ze overtuigen, nog wat later amuseren en vervolgens lichtjes tot sterk irriteren - op het einde dreigt zelfs de onverschilligheid. De historische betekenis van het gedicht staat buiten kijf, maar naarmate het gedicht vordert, wordt het parels vissen in grote plassen van redundantie en herhaling.

Al zijn die parels dan, toegegeven, nog wel volop te vinden. Dan gaat het bijvoorbeeld over die andere evergreen uit het gedicht: het puberale, felle, kosmische "Do I contradict myself? / Very well then ... I contradict myself; I am large ... I contain multitudes". (Gaaf vertaald door Huub Beurskens als: "Spreek ik mezelf tegen? / Goed dan ... ik spreek mezelf tegen; / Ik ben weids ... ik bevat menigten"). Maar ook een hoogromantisch, sterk vers als dit maakt indruk (vooral door die vernuftige, verrassende herhaling van het immer lyrische ik na de komma, als betrof het twee verschillende individuen, of, met andere woorden, een individu dat menigten bevat): "I am an acme of things accomplished, and I an encloser of things to be" (Nogal letterlijk door Arjen Duinker vertaald als: "Ik ben een toppunt van bereikte dingen, en ik ben een omvatter van dingen die gaan komen").

Soms lijkt er ook in 1855 een kritisch meta-moment aan te komen. Naar het einde van 'Song of Myself' roept de dichter uit: "O Christ! My fit is mastering me!" (Toon Tellegen: "O Jezus! Mijn visioenen overmeesteren mij!"). En elders: "I know perfectly well my own egotism" (Maria van Daalen: "Ik ken mijn eigenwaan heus uitstekend"). De erotische passages, ten slotte, die in zijn tijd schandalig bleken, werken vandaag ook nog wel - een beetje: "I turn the bridegroom out of bed and stay with the bride myself, / And tighten her all night to my thighs and lips" (Simon Vinkenoog: "Ik zet de bruidegom het bed uit en blijf zelf bij de bruid, / En klem haar de hele nacht aan mijn dijen en lippen").

Over het algemeen pakken de tweeëntwintig dichters het zeer verschillend aan: het hele vertaalcontinuüm, van bijna-letterlijk tot onherkenbaar, is vertegenwoordigd, zeg maar van Maria van Daalen tot Ilja Leonard Peijffer. Die laatste schrijft over zijn vertaalervaring in De Revisor, zoals wel vaker met hoge amusementswaarde maar zonder al te veel argumenten. Hij zou graag van Whitman houden, zo schrijft hij: "Louter zijn reputatie geeft je al het gevoel van vurige verwantschap" en ook noemt hij de dichter een "soort Gezelle, maar dan in een stoerder land". Maar al snel slaat de stemming om en uiteindelijk wil hij uitleggen waarom Whitman een slechte dichter is. Zoals gezegd kan ondergetekende wel akkoord gaan wanneer Pfeijffer het heeft over het "hameren op het aambeeld van het gelijk" en ook een zekere "educatieve drang" kan de dichter inderdaad niet ontzegd worden, maar en passant geeft Pfeijffer ook zijn eigen wegwerppoëtica ten beste: "Omdat ik alles slecht vond wat eigen was aan Whitman is in mijn eigen poging tot opleuking nauwelijks nog iets van Whitman terug te vinden". Literatuur als opleuking - lekker barok baggeren - het is niet verbazend dat Pfeijffer geen oog heeft voor de politieke dimensie van Leaves of Grass, een aspect dat, overigens, helemaal niet zo eenduidig boodschapperig is als Pfeijffer suggereert.

De amusante parodieën op Whitman die ook in het Revisor-nummer zijn opgenomen gaan evenwel dezelfde richting uit, bijvoorbeeld wanneer Ezra Pound het oceaangevoel van Whitman te kakken zet: "Lo, behold, I eat water melons. When I eat water melons the world eats water melons / through me". ("Zie, aanschouw, ik eet watermeloenen. Wanneer ik watermeloenen eet, eet de wereld watermeloenen door mij"). Whitman, dat is niet te ontkennen, heeft het allemaal een beetje zelf gezocht. Ook in zijn lange inleiding op zijn gedicht (en zeker vandaag heeft men bij zijn handleiding de neiging om te denken: 'was het nog niet duidelijk genoeg?') staat het stijf van het heilige moeten, en wordt het persoonlijk zelfvertrouwen op nationaal vlak geheven: "De Verenigde Staten zijn in wezen zelf het geweldigste gedicht. [...] Hier is geen sprake van zomaar een volk, maar een bruisend volk van volkeren. Hier is daadkracht, bevrijd van zijn touwen, magnifiek voortstuwend in immense massa's, noodzakelijkerwijze blind voor individuele bijzonderheden en details."

Je hoeft dus niet zó ver mee te gaan als Jacob Groot, die zowel in zijn vertaling als in zijn tijdschriftessay in vuur en vlam staat: hij noemt dit meesterwerk weliswaar een "broddelwerk" van een "groot (sic) neo-ego", maar zingt ook ex negativo (hij is tenslotte van deze tijd) en onstuitbaar de lof: "O onbeholpen brutaliteit van de stijl, obsolete straatsyntaxis, details van verouderde topografie, sepia Amerika, politieke humbug, religieuze quatsch" en zo gaat het nog even door. En nog is het niet gedaan na de opsomming - de hoofdvogel is: "Ik ben Walt Whitman" en dat is nog niet eens zo onwaar. Maar het staat evenzeer vast dat er een menigte aan redenen is om dit boek in huis te halen: enthousiasten, vertalers, roeszoekers, academici, dichters, nationalisten, naturisten, internationalisten, feestbeesten en dierenvrienden trekken hier lering, vermaak en een best verdedigbaar aantal beats per minute uit.

Bert Bultinck

Walt Whitman

Grasbladen

Oorspronkelijke titel: Leaves of Grass

Onder redactie van Jacob Groot en Kees 't Hart. Vertaald door 22 dichters

Querido, Amsterdam, 192 p., 24,95 euro.

De Revisor. Letterkundig tijdschrift voor Nederland en Vlaanderen

Juni 2005. Nummer 3/4.

Aanvankelijk vermogen deze verzen u wellicht te overdonderen, dan kunnen ze overtuigen, nog wat later amuseren en vervolgens lichtjes tot sterk irriteren - op het einde dreigt zelfs de onverschilligheid

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234