Zaterdag 06/03/2021

'Ik ben nog altijd een gedreven winnaar'

Jef Braeckevelt is een levend gedenkteken voor de wielersport. Een man met gezond boerenverstand die het al veertig jaar volhoudt in de volgwagen achter het peloton. Naar aanleiding van het boek Zeg maar Jef sprak Braeckevelt en schreef De Morgen op. In gekuist West-Vlaams weliswaar.

Door Sven Spoormakers

Met de fiets naar de koers

"Ik zat op internaat in Moeskroen, toen ik een jaar of twaalf, dertien was. Dat moest van mijn ouders, want ze vonden dat ik als kleine Vlaming Frans moest kunnen om ergens te geraken in het leven. Mijn ouders waren alle twee zelfstandig - mijn vader was vlashandelaar en mijn moeder had een textielwinkel - en dan schoot er niet veel tijd over om met de kinderen bezig te zijn. Er was op dat internaat één pastoor die Het Nieuwsblad kocht. Hij was surveillant op de speelplaats 's morgens. En elke dag ging ik bij hem om in de krant te kunnen lezen, om de uitslagen van de koers te zien.

"Zelf heb ik nooit gekoerst. Dat mocht niet van thuis. En ik zat dan nog op internaat en ik ging maar één keer in de veertien dagen naar huis. Dan ging dat niet, hé. Maar als ik op zaterdagnoen thuiskwam, zat ik 's namiddags al op de koers. Of bij een coureur thuis. Mijn eerste kameraad was Walter Bouquet. Hij koerste en ik was zijn grootste supporter. Later werd hij nog beroepsrenner en heeft hij de Landenprijs gewonnen. We waren altijd samen en ik ging overal mee met hem als hij ging koersen. Met de fiets, hé! Dat was nog in de tijd dat er meer mensen per velo naar de koers kwamen dan met de auto. Dat waren stoeten die arriveerden. De ene mocht de zak dragen en als hij gewonnen had, mocht er een andere de bloemen dragen bij het naar huis rijden. En als we een cafeetje tegenkwamen onderweg, dan bleven we daar plakken."

"In 1964 ben ik de eerste keer in de volgwagen van een echte ploeg gestapt. Het was bij Leroux, een ploeg uit het noorden van Frankrijk, bij de onafhankelijken. In die tijd had je in het noorden van Frankrijk nog alle dagen koers. De ene keer in Duinkerke, de andere keer in Valenciennes. En soms was het eens wat verder, in Picardië of in de Somme. Maar we konden elke dag een ploeg opstellen.

"Het is sinds toen dat ik Jean-Marie Leblanc ken. Hij heeft nooit bij mij gereden. Daar was hij te goed voor. Wij hadden de mindere Fransmannen. Leblanc, dat was in de jaren zestig de beste coureur van het noorden. Ik ben nog een tijdje Leblanc zijn manager geweest - allez, manager tussen aanhalingstekens. Als het dan kermiskoers was, of een criterium, belden ze naar mij of ik het niet kon regelen dat er ook wat Fransmannen meereden.

"Ze kregen dan twee- of driehonderd frank om hun nafte te betalen. Ik zei dat die mannen in Parijs woonden om de prijs wat op te drijven, terwijl ze maar van Roubaix moesten komen. Dan hielden ze daar een schone cent aan over. Zelfs van in Holland belden ze naar mij of ik niet voor een Fransman of vijf, zes kon zorgen. Leblanc kwam tot bij mij en dan reden we samen naar ginderachter. Met de boot in Breskens en zo naar Vlissingen. En na de koers moesten we ons dikwijls haasten om de laatste overzet terug te hebben. Dat was niet zo simpel, hé. Er waren geen autostrades."

Andrei Tchmil,

de aangenomen zoon

"Een van mijn schoonste momenten was de E3-Prijs van Harelbeke in 1994. Het man-tegen-mangevecht van Tchmil tegen Ekimov. Een beetje voor Deerlijk reed Ekimov weg en toen hij zo'n 150 meter voorop lag, ging Tchmil erachter. Toen reden ze nog anders in Harelbeke. Ze kwamen aan de andere kant aan de meet voorbij en reden nog een klein tourke. Dáár, aan de meet, kwam Tchmil bij Ekimov, nadat hij kilometers meter voor meter korterbij was gekomen en er direct meter voor meter weer van wegreed. Veertien dagen later won Andrei Parijs-Roubaix, ook al zo'n man-tegen-mangevecht tegen Museeuw. Maar Harelbeke, dat was schoner."

"Ik heb met Andrei ook veel ruzie gemaakt, hoor. Ik was niet benauwd van hem. Ik zal u eens iets vertellen: Tchmil stond aan de leiding in de Tour du Limousin. En ik weet niet of ge de Limousin kent, maar het is daar serieus bergop. Je moet straffe papieren hebben om daar als ploeg op kop te rijden. Maar we hadden die trui en we gingen hem verdedigen. Tchmil wou dat de hele ploeg de hele dag op kop reed, maar we waren nog niet goed halfweg of er waren er al twee, drie gelost. 'Stoppen met rijden!', zeg ik tegen Fausto (Peter Farazijn, SSL), toen toch een van de grootste moteurs om op kop te rijden.

"Andrei schoot in een colère. Ik leg hem uit dat de Franse ploegen het zich niet konden permitteren om niet te rijden achter de vier ontsnapten. Ik ken de koers in Frankrijk en het systeem is al veertig jaar hetzelfde. Een man mee in de ontsnapping: 'Je ne bouge pas', maar hebben ze niemand mee, dan moeten ze er van de directeur sportif achter rijden. En ze reden en Andrei had zijn trui nog. Hadden we gereden, dan was hij én zijn trui kwijt geweest én stond hij de dag nadien alleen aan het vertrek. Uiteindelijk won Tchmil die Tour du Limousin, vóór Jan Ullrich. Dat wil toch iets zeggen.

"Andrei is altijd zo'n stijfkop geweest. Ik weet nog goed dat hij absoluut de kasseien wou gaan verkennen voor de Ronde van Vlaanderen die hij won. Goed, wij 's zaterdags naar Wannegem-Lede en dan gingen we tot aan de Muur van Geraardsbergen rijden. Maar we waren vergeten dat het 's zaterdags de Ronde voor wielertoeristen was. De hele straat vol! In Nederbrakel was ik het zo moe dat ik hem zei dat we naar huis gingen rijden. Tchmil wou niet. Hij moest de Muur nog doen. Ik zei tegen Andrei dat de Muur nog altijd hetzelfde was als het jaar voordien en dat hij dan maar met de velo naar Waregem moest rijden. Hij kon niet anders dan in de auto stappen, hé. Hij heeft geen woord meer gezegd, zó kwaad was hij. Maar 's anderendaags won hij wel de Ronde."

'Il faut avoir le nez'

"Ik ga niet zeggen, zoals wijlen Lomme Driessens, dat ík Parijs-Roubaix of Milaan-Sanremo of de Ronde van Vlaanderen gewonnen heb. Het zijn de coureurs die het moeten doen. Maar ik ben een gedreven winnaar. Nog altijd. Dan mag dat de kleinste koers zijn, als we niet winnen, ben ik niet gelukkig. Geert Omloop zei een maand of twee geleden nog tegen mij dat hij maar niet kon verstaan waarom ik mij kwaad maakte voor een kleine koers die we niet wonnen. Misschien is het daarom dat ik de coureurs kan motiveren?

"Het jaar dat Tchmil de Ronde won, hadden we eigenlijk een flauwe ploeg. Maar Lotto zou ermee stoppen en ze waren allemaal zenuwachtig voor hun toekomst. De zaterdagavond heb ik een half uur op al die gasten - Paul Van Hyfte, Fabien De Waele, enfin, kleine coureurs allemaal - ingepraat om zodanig goed te zijn 's anderendaags dat ze allemaal over hun toeren gegaan zijn. 's Woensdags bij Gent-Wevelgem heeft er geen een de arrivee gehaald. Maar we hadden de Ronde gewonnen en de sponsor deed voort."

"Koers is een kwestie van gezond boerenverstand. En ik kan redelijk goed voorspellen wat er zal gebeuren. Dat zal mijn jarenlange ondervinding zijn, zeker. Ik zal het nooit vergeten: Mario Aerts reed in een rit van Parijs-Nice vanachter in het peloton. Ik zag dat en reed met mijn auto tot naast hem. 'Rij maar naar voren', zei ik, 'over een kilometer of vijftien draait de weg en zullen ze het in waaiers trekken.' Mario, ook zo'n brave gast die altijd luisterde, deed dat en zat mee in de eerste waaier. Hij werd toen achtste in Parijs-Nice. Maar eigenlijk moeten coureurs dat zélf weten, wanneer het goeie moment er is. 'Il faut avoir le nez', zeggen ze in het Frans. Als je het niet riekt wanneer ze gaan wegrijden, ben je een domme kloot. Je hebt van die gasten die komen klagen: 'Ik ben tien keer mee gesprongen en de elfde keer waren ze weg.' Dat is een domme kloot in mijn ogen."

Crisis

"Als je niet meer in de ProTour zit, is het afgelopen. Ik vind dat niet erg, dat ik er op dat niveau niet meer bijhoor. Mijn leven is de koers. Ik zit er nog altijd tussen omdat ik het graag doe. Ik moet er geen schatten meer aan verdienen. Voor mij is de koers pure liefhebberij. Wielrennen is de mooiste sport die er is. Ik peins dat ik op een dag zal sterven in mijn auto, achter de koers. Daarom dat ik er niet te lang meer mee ga voortdoen. In januari word ik 65 jaar. Maar ik kan niet thuis zitten, dat is mijn probleem. Ik ben te graag onder de mensen. In de winter ben ik ook alle dagen weg, naar de Rassing en naar de paardenkoers. Maar de koers, dat is zo'n apart milieu. Ik ken iedereen en iedereen kent mij. Dat kan ik niet meer missen.

"In het wielrennen van nu pas ik precies niet meer. De laatste generatie waar ik me goed bij voelde, zijn de mannen die nu ouder dan vijfendertig zijn: Sammy Moreels, Peter De Clercq, Baguetje, Van Petegem. Dat waren nog brave jongens die naar mij luisterden. Ik zou niet meer meekunnen bij zo'n grote ploeg, denk ik. Ik heb die tijd gehad dat ik twee maanden aan een stuk van huis was. Dat zou ik nu niet meer kunnen opbrengen.

"Maar ik zou nu met weinig geld een schone ploeg kunnen maken. Want het is crisis, hé. Ik heb deze week nog telefoon gekregen van Geert Verheyen. Ik heb hem gezegd dat hij mag komen, maar dan moet hij van zijn prijs afdoen. Ik heb telefoon gekregen van Steffen Wesemann. Hij is 37 jaar en als ik hoor wat hij nog wil verdienen, amai, dan moet het echt wel crisis zijn. Ze hebben mij zelfs gebeld om Allan Davis aan te bieden. Ik denk dat ik gemakkelijk een ploeg kan maken met goeie coureurs die niet veel meer verdienen dan het minimumcontractje."

Zeg maar Jef

van auteurs Luc en Simon Lamon en Hugo Coorevits telt 160 pagina's en wordt uitgegeven door De Eecloonaar. Het boek kost 32 euro en is vanaf zaterdag te koop.

Jef Braeckevelt:

Als je het niet riekt wanneer ze gaan wegrijden, ben je een domme kloot in het wielrennen

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234