Woensdag 29/01/2020

Ik bén liever dan dat ik heb

Schilder Sam Dillemans over totale overgave en de nood aan metier

Pose is niet aan Sam Dillemans (43) besteed. Leukigheid nog minder. De bevlogen schilder leeft en werkt voor de kunst. Het is de enige manier die hij kent: hartstochtelijk en compromisloos. 'Je moet in het leven al te veel compromissen sluiten. De kunst is geen compromis, daarvoor moet je tot het uiterste gaan. Ik kan niet elke week drie keer afspreken met de buitenwereld om tussendoor ook nog snel even met de eeuwigheid bezig te zijn.' Door Nathalie Carpentier / Foto's Jimmy Kets

Gebogen over het stoffige boek van Tintoretto verandert Dillemans in de beste kijkmeester die je je kunt wensen. In een klein detail van 2 bij 2 centimeter schetst hij een hele wereld. "Zie je dat kleine lampje hier?", wijst hij op een amper zichtbaar lichtpuntje in de duistere achtergrond op een schilderij van de Italiaanse grootmeester. "Als je dat uitvergroot, zou je nogal opkijken hoe hij dat heeft opgelost. Ik verzeker je, de meeste schilders zouden daar vandaag serieus mee in de knoop zitten."

Lyrisch bladert hij verder, plooit zijn handen tot een kijkgaatje rond alweer een minuscuul geniaal fragment. "Hier, die man die wanhopig naar achteren kijkt. Vergroot dat enorm uit op een affiche en iedereen denkt dat hij werk van Francis Bacon ziet. Maar we hebben het hier over de zestiende eeuw, hé. Isoleer dit als apart geheel," maakt hij schermbewegingen in de lucht, "woesh, woesh, woesh, dat is pure samoerai en het is nog perfect juist ook."

Dit is Sam Dillemans op zijn best. Hij ontvangt ons in zijn natuurlijke biotoop, zijn atelier in Borgerhout. Het centrum van zijn werk en zijn bestaan, leert een blik in het rond. Rechts een beslapen matras, links talloze borstels en half uitgeknepen tubes verf. Kriskras verspreid over de grond cassetjes en cd's, afgestemd op zijn gemoedstoestand van die dag. Vandaag is dat ABBA.

Op elke muur tientallen schilderijen. Links reeksen zelfportretten, schilderijen van zijn favoriete model Lizy en van veel, heel veel boksers, rechts achter het gordijn stapels netjes gerangschikte interpretaties van zijn grote voorbeelden: Rubens. Goya. Van Gogh! Ja, Vincent van Gogh, dat was liefde op het eerste gezicht voor de toen veertienjarige Dillemans.

"Die juiste penseelstreek, die lucide frisheid in zijn werk, dat tijdloze", trekt hij gretig aan een sigaret, de eerste van een hele reeks. "Van Gogh had geen nood aan een verhaal, het verhaal zat in zijn manier van schilderen. In die landschappen, korenvelden, zonnebloemen zat het hele leven vervat. Dat hebben alle grote meesters gemeen: ze hoeven niet te vertellen. Ze zijn niet het slachtoffer van de tijd, van de drang om de maatschappij aan te klagen, te protesteren, een tijdsgebonden verhaal te vertellen. Als je te veel opgaat in je boodschap, verlies je waar het echt om draait: de hemelse en genadeloze penseelstreek. Een kunstenaar moet boven en buiten de tijd proberen te staan met zijn werk.""De kunstgeschiedenis bewijst dat ook. Er zijn duizenden madonna's geschilderd, maar er zijn er maar twintig overeind gebleven zoals de madonna van Bellini of Rafaël. Waarom? Omdat ze beter geschilderd zijn. De bloemen van Claude Monet, de lucht van Canaletto, een boot van William Turner, een boom van Anselm Kiefer. Wat híj doet met een boom, daar zit het mysterie. Met één boom kan hij je totaal in ontroering brengen. Wat een kwaliteit! Meer heeft hij niet nodig. Hij heeft geen verhaal nodig."

Toegegeven, er zijn tegenvoorbeelden, ja, maar ze zijn zeldzaam. "Surrealisten hebben enkele grootse schilderijen met een verhaal gemaakt. Maar dan nog. Dalí heeft ooit Sigmund Freud bezocht in Londen en vroeg hem wat hij vond van de surrealisten. Het antwoord was duidelijk, streng en bikkelhard. 'In de klassieke werken vind ik het onderbewuste, in de surrealistische werken het bewuste.' Een ontnuchterende belediging die hard aankwam bij Dalí. Om maar te zeggen dat het mysterie veeleer in die vierkante centimeter schilderkunst van Rubens of Veronese zit. Een stoel in de lucht schilderen kan wel tof zijn, maar het pákt mij niet."

Nee, dan Picasso. Dat is een andere categorie, gaat Dillemans verrukt verder. "Toen Picasso bij de surrealisten werd ingelijfd, was hij niet voor niets meteen koning. Net door de afwezigheid van een thema in zijn werk. Hij schilderde gewoon enkele vrouwen op het strand. Er gebeurde niets, maar de sfeer en het klimaat waren zo surreëel. Dat is nog iets anders dan smeltende uurwerken. Dat is zo tijdsgebonden, dan stijgt het risico dat een werk niet overeind blijft."

Grote meesters die de tijd overstijgen door hun genie en metier. Het is en blijft Dillemans' stokpaardje. Al houdt hij zich in, hij wil niet fanatiek klinken. "Alles begint met zelfsituering. Als je jezelf plaatst in de geschiedenis van Van Eyck tot nu, heb je al meteen een zeer bescheiden positie. Je hebt goden nodig naar wie je opkijkt, maar je moet ook voorbij dat punt om je eigen weg te gaan. Maar eerst moet je je rugzak vullen met die meesters."

Zelf heeft hij als jonge kerel Max Beckmann gekopieerd en geïnterpreteerd, Egon Schiele, Vincent van Gogh natuurlijk, El Greco, Rubens, de renaissance, schilders uit de late middeleeuwen tot Malcolm Morley. "Als je je bagage vult met hun plastische rijkdom, besef je beter hoe weinig je zelf kunt, maar verrijk je jezelf ook. Als je daarna zelf iets creëert, is dat gedragen. Daarna moet je hen ook loslaten, maar dat kun je pas als je hen hebt omarmd. Zoals je ook pas iemand kunt achterlaten als je die eerst innig hebt vastgepakt en geliefkoosd."

"De fout van velen is te denken dat je jezelf door studie van die grote meesters beknot. (vurig) Het is net omgekeerd: het bevrijdt je. Als je die ontdekkingsreis niet maakt, is de kans veel groter dat je vrij vroeg op een muur botst, dat je in herhaling valt omdat je niet genoeg bagage hebt. Zo'n doorgedreven studie wordt al snel als conservatief afgedaan, maar het getuigt net van heel progressief denken. Als je na uren en weken oefenen weet hoe een knieschijf echt ineen zit, dan kun je die daarna elimineren, totaal deconstrueren of er desnoods een poëtische totem van maken, maar je ként het wel."

"Waarom doen anderen dat niet? Om zichzelf te kunnen zijn, is vaak het excuus. Maar eigenlijk omdat het te veel moeite kost. Of omdat ze geïsoleerd dreigen te raken als ze niet aansluiten bij de populaire stroming van die dag. Daarom springen ze maar snel op de voorbijrijdende trein." Hij schudt zijn hoofd. "Je moet juist uren trainen. Tekenen, tekenen, tekenen, tekenen, dat is de basis. Elk schilderij is in wezen een tekening. Destijds zat ik soms vijf uur te tekenen aan een neusgat." Hij kijkt lachend op. "Dat is lang, hé, maar na die vijf uur begon ik er wel een hele wereld in te zien! En de liefde in haar meest bevreemdende gedaante."

"Die doorgedreven opleiding is nu totaal zoek. Nu moet je individuen hebben die plots uit het niets goed zijn, toevallig, zonder vorming, maar met de nodige woordenkraam." Dillemans liet zelf als student de toen voorbijrazende trein van de conceptuele kunst passeren. "Ik heb veel academies doorlopen, maar vaak was ik al na twee maanden weer weg. Als een school enkel dient om meteen je ongeoefende ego te etaleren, dan blijf je beter thuis. Etaleren kan ik daar ook. Of we moesten er allerlei 'objecten' ineensteken. Dat is misschien goed om op mijn sterfbed te doen, maar daarmee beginnen als opleiding? Wat moet je dan vijf jaar later doen? Aan de baard van je vader trekken en zeggen: dit is mijn werk?"

"Een school dient ter informatie, ter lering. Uren anatomie, uren oude meesters bestuderen en af en toe eens stoom aflaten, zot doen. Dat is niet gemakkelijk, dat vraagt pijn, geduld en een streng en koppig karakter. Je moet roeien tegen de stroom in en de kans op isolement is groter. Het heeft mij ook een tijd geïsoleerd, maar het was een rijk isolement. Ik was omringd door die grootmeesters, ik sprong van de ene liefde op de andere. Mijn belangrijkste criticus is mijn volgende schilderij, niet de heersende stroming. Je moet trouw blijven aan je binnenste en je plastische oog."

Een geoefend oog, daar ontbreekt het velen vandaag aan, vindt Dillemans. Zowel kunstenaars als kunstcritici. Zijn kritische oog is nog het strengst is voor zijn eigen werk. Wat is zijn eigen maatstaf? "Wat ik nu maak, moet binnen vijftig jaar ook nog overeind blijven. Nu kan ik soms al van een ouder werk afblijven, omdat ik weet dat ik er met een gerust hart binnen twintig jaar nog naar kan kijken. Vroeger kon ik dat niet."

Toen zag hij altijd fouten. Op bezoek bij mensen thuis zag hij ooit een oud schilderij van hem hangen. Of ze geen olieverf in huis hadden en het werk van de muur konden halen. Ze probeerden nog voorzichtig tegen te werpen dat ze het schilderij zo ook mooi vonden, maar hij vond het niet goed genoeg. Het moest verbeterd worden. Ze bleven achter met een ander schilderij.

Dillemans is realistisch begonnen als schilder, maar gaandeweg vierde hij meer en meer de teugels. "De verrassing in dit portret zit in het uitgespaarde wit." Hij wandelt naar een schilderij van twee boksers en wijst naar het opgelichte jukbeen. "Dat wit is moeilijk, daar kun je niet mee foefelen. Dit portret is in evenwicht en balans, maar toch ook zo zot als een deur." Vanwaar die fascinatie voor boksers? "Het gaat om de lichamen die met elkaar in confrontatie gaan. De stap van Rubens naar Mike Tyson is niet zo groot als je denkt. Die overinformatie aan musculatuur bij beiden, je hebt ze maar uit te kiezen. Prachtig toch!"

Hij wijst naar een ander schilderij van innig verstrengelde lichamen. "Dat", wijst hij, "moet oorspronkelijk een stevige uppercut geweest zijn. Van die bokshandschoen heb ik een hoofd gemaakt, dat begon te kussen met die andere handschoen, die ook een hoofd werd." Het begint nooit zo bewust. "Het moet spontaan komen, ik volg mijn borstel. Op een bepaalde leeftijd kun je dat, als je je vak vrij goed beheerst. Van enkele stevige meppen naar een vrijpartij, dat is toch een mooie evolutie?"

Op de houten tafel midden in zijn atelier tikt een ouderwetse wekker. Stil maar nooit afwezig. Dillemans houdt er een klokvaste discipline op na. "Mijn dag bestaat steevast uit sporten, schilderen, contact met enkele zielsverwanten en lezen. De wereldliteratuur is een van mijn grote liefdes. Dat zijn echte ontmoetingen, gesprekken met briljante mensen die het tien keer beter kunnen uitleggen dan ik. En in het weekend ga ik naar mijn vriendin. Zij maakt voor de rest van de week eten voor mij."

"Ik vind het al spectaculair genoeg dat ik kan schilderen. Ik ben zo dankbaar, ik ben totaal vrij, ik moet geen verregaande verantwoordelijkheid nemen, dat is een geschenk. Als ik een slecht schilderij maak, kraait daar geen haan naar. Ik leef niet voor galerijen, je moet leven voor de verf. Ik heb nooit de media opgezocht. Als je te veel lobbyt om ergens te geraken, belemmer je vooral jezelf. Zoals Rembrandt zei: je wordt alleen een schilder achter je ezel. Ik bén liever dan dat ik heb."

"Ik ben wel gulzig van nature. Als ik schilder, kan het niet genoeg zijn. Ik werk eraan, ik beitel, sleutel eraan. Dat perfectionisme dat onzichtbaar moet blijven, achtervolgt mij. Die gezonde ontevredenheid maakt dat je blijft werken. Natuurlijk heb ik rotdagen dat het niet lukt, maar ik ben daar niet het slachtoffer van. Op zo'n dag maak ik slechte schilderijen. Die moet ik ook maken. Het idee dat je werkt als je inspiratie hebt, klopt niet. Inspiratie komt al werkend, je moet erdoorheen en dan komt het."

"C. Buddingh' zei: in de kunst is meer discipline nodig dan in het leger. Discipline is het geheim van de droom. Ik droom ontzettend graag, daarom kom ik ook zelden buiten. Sommigen stappen op het vliegtuig, ik stap achter mijn ezel. En misschien reis ik wel verder dan iemand die naar Vuurland trekt. Het is de droom die telt. Ik kan uren naar een korenveld kijken of naar een mooie elleboog."

"Ik hoef het niet ver te zoeken om een geluksgevoel te krijgen. Ik kan vrij snel op mijn knieën vallen voor iets prachtigs. Weinig mensen kunnen dat nog. Kunst is voor mij één ode aan de liefde, welke smoelen ze soms ook trekt. Schilderen is voortdurend naar de sterren kijken, maar er nooit geraken. Wie voortdurend naar de grond kijkt, raapt wel van alles bijeen, maar heeft ook een hele portie niet gedroomd. Dat onderweg zijn is voor mij de nobelste verblijfplaats. Als ik er zou geraken, zou het ook gedaan zijn. Nu moet ik altijd opnieuw beginnen, ik ben verplicht mezelf te verwonderen, te herbronnen."

"Ik neem niet deel aan van alles en nog wat, omdat ik dan als persoon meer zou sterven. Misschien zonder ik mij wel af, maar sommigen komen misschien ook te veel buiten. Met mijn filosofie zul je hondsdagen meemaken, maar je zult tenminste niemands hond worden. Dat is toch al mooi meegenomen. Je moet altijd je eigen kind baren en je neus ophalen voor al het gewiekste en leuke. Daardoor gaat het leven misschien deels aan mij voorbij, maar dat dagelijkse sterven is mij dan toch niet aangesmeerd."

"Ik wil waarachtig ontmoeten, maar complete naaktheid krijg je zelden te zien of je moet echt al doorwroeten. De kans om echt aan te komen bij iemand zoals in de liefde of in een vriendschap, is zeer klein. Als ik naar de sterren kijk, kom ik misschien ook niet aan, maar onderweg kom ik veel plastische rijkdom tegen. Als ik schilder, is de kans veel groter dat ik wel aankom. Deze biotoop vrijwaart mij voor die ontgoocheling van een mislukte aankomst. Het behoedt mij voor dat dagelijkse sterven."

Perfectionisme dat onzichtbaar blijft, achtervolgt mij. Die gezonde ontevredenheid maakt dat je blijft werkenIk leef niet voor galerijen, je moet leven voor de verf. Ik heb nooit de media opgezocht. Als je te veel lobbyt om ergens te geraken, belemmer je vooral jezelf. Zoals Rembrandt zei: je wordt alleen een schilder achter je ezel

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234