Vrijdag 30/10/2020
Ides Nicaise. ‘Ik ben heel bang dat onze beleidsmakers de problemen onderschatten.’

InterviewOnderwijs

‘Ik ben heel bang dat men de problemen onderschat’: Ides Nicaise (KU Leuven) houdt zijn hart vast voor het onderwijs

Ides Nicaise. ‘Ik ben heel bang dat onze beleidsmakers de problemen onderschatten.’Beeld Illias Teirlinck

In de aanloop naar het nieuwe schooljaar gaat veel aandacht naar het secundair onderwijs. Toch maakt onderwijseconoom Ides Nicaise (KU Leuven) zich vooral zorgen om het basisonderwijs. ‘Ik ben heel bang dat men de problemen onderschat.’

Leidt de coronacrisis en de bijbehorende sluiting van de scholen tot slechtere leerprestaties? Om een antwoord op die vraag te kunnen geven, bestudeerden zowel Katholiek Onderwijs Vlaanderen als het stedelijk en gemeentelijk onderwijs (OVSG) de grote toetsen die ze elk schooljaar aan de zesdejaars van het lager onderwijs geven extra nauwkeurig. Wat bleek? Enkele maanden thuisonderwijs krijgen zorgt niet meteen voor lagere resultaten op die proeven.

Dat is opmerkelijk, want al sinds het begin van de coronacrisis waarschuwen onderwijskundigen voor de impact van het thuisonderwijs op leerresultaten. “Ik heb toch enkele vragen bij die resultaten”, zegt Nicaise, een van de experts op gebied van gelijke onderwijskansen. “Wat heeft men precies gemeten? De vaardigheden op kernvakken natuurlijk. Allicht hebben scholen daar – terecht – prioriteit aan gegeven. Maar ik denk dat de impact van de afgelopen maanden dus wat onderschat wordt. Daarnaast vraag ik mij af wie er allemaal (niet) meegedaan heeft aan die testen. En als de gemiddelde prestaties bevredigend zijn, wat dan met de spreiding? Dat weten we allemaal nog niet.”

Dat is het algemene probleem: door gebrek aan onderzoek kúnnen we nog niet weten wat de impact van de afgelopen maanden is. Toch schrijft u in een tekst voor Beweging.net dat we “met vrij grote zekerheid” kunnen zeggen dat kinderen uit kansarme gezinnen disproportioneel getroffen zijn. Kunnen we dat al weten?

“Ja, op basis van heel wat aspecten. De coronacrisis is natuurlijk een gezondheidscrisis, maar ook een economische en een sociale crisis. Kansarme ouders werken vaak met precaire contracten in kwetsbare beroepen zoals horeca, kleinhandel, logistiek, onderhoudsdiensten, ... en worden als eersten getroffen door werkloosheid. Daarnaast is hun behuizing krapper, is er het gebrek aan ICT-materiaal én kennis erover. Net die thuissituatie was tijdens het thuisonderwijs bepalend: de invloed van ouders op het onderwijs was een pak groter dan die van leerkrachten.

“Al die omstandigheden samen zijn een ideale cocktail om kansarmoede te vergroten. Dat is ook gebleken in Italië: cijfers toonden dat er een sterke sociale ongelijkheid was in wie getroffen werd door covid, net zoals ook hier nu blijkt dat vooral de armste buurten getroffen werden tijdens de tweede golf.

“We vangen dan wel geluiden op over jongeren die zelfs beter gepresteerd hebben. Maar wellicht zijn dat kinderen uit een kansrijk milieu, met ouders die hun kinderen niet alleen goed kunnen begeleiden, maar hen zelfs op het vel zitten dat ze goed moeten presteren. Dat kunnen kansarme ouders niet doen.”

Zal die impact voor alle onderwijsniveaus hetzelfde zijn?

“Ik ben het meest bekommerd om het basisonderwijs en ook het kleuteronderwijs. Omdat daar de basis gelegd wordt voor de hele schoolloopbaan. De vroegste kindertijd is de belangrijkste. Al wat daar verloren gaat, is des te gevaarlijker voor de lange termijn.”

Kan een kind in de lagere school dat niet inhalen, zoals Michel Vandenbroeck (DM 18/8) zegt?

“Kinderen zijn wel veerkrachtig, maar we weten ook dat de cognitieve ontwikkeling van kinderen werkt als een sneeuwbal: hoe vroeger kinderen succeservaringen hebben, hoe sneller ze leren, hoe meer aandacht ze trekken van volwassenen, enzovoort. Dat is een zelfvoedend proces. Als je dat op de hele loopbaan bekijkt, leidt een schijnbaar beperkte schade op langere termijn tot veel grotere achterstand.

“In die zin denk ik ook dat we de gevolgen van de coronacrisis nu nog niet zien, misschien zelfs nog niet over twee jaar, maar pas over tien jaar. Die curves van cognitieve prestaties zullen voor een deel van de groep achteruitgaan.”

Is daar voldoende aandacht voor?

“Ik ben heel bang dat onze beleidsmakers de problemen onderschatten. Vanaf het begin is bijna alle aandacht gegaan naar veiligheid en protocollen. Dat is vooral de verpakking. Het is goed dat scholen weten welke kleurcodes er zijn voor komend schooljaar, maar dat zegt nog niets over de inhoud van het onderwijs.

“Bijvoorbeeld: volgens mij is het belangrijk dat scholen nu leren om jaarklas-doorbrekend te werken. De achterstand die jongeren opgelopen hebben, moet men flexibel kunnen inhalen. Men moet in het derde leerjaar leerstof uit het tweede leerjaar kunnen geven. Maar daar hoor ik niets over. Ik heb het gevoel dat de vakantie een grote rustperiode is, dat koepels en scholen nog nauwelijks bezig zijn met de noodzakelijke inhoudelijke en pedagogische aanpassingen, alsof het komend schooljaar business as usual wordt. Ik heb nog geen enkel bericht gezien over de methodes die men wil gebruiken om de opgelopen achterstand in te halen. Terwijl dat wel dringend nodig is.”

Men heeft niet helemaal stilgezeten. De VRT organiseert bijvoorbeeld school-tv en er waren deze zomer ook zomerscholen.

“Dat is een goede zaak. Ze zullen een aantal leerlingen weer enthousiasmeren voor school. Al vraag ik mij af wat hun bereik is. In het beste geval een paar duizend leerlingen die tien dagen halftijds les krijgen. Dat is niet in verhouding tot het gat dat geslagen is. Ik juich het toe hoor, maar het is gewoon te weinig.

“Af en toe vang ik wel verhalen op dat men echt zijn best heeft gedaan om alle kinderen te bereiken, bijvoorbeeld door samen te werken met buurtwerking. Maar dat zou structureel moeten gebeuren. Er heerst een vertrouwenscrisis tussen kansarme gezinnen en het schoolniveau.”

Ides Nicaise: 'De sluiting van de scholen heeft twee volle maanden geduurd en is in een crisissfeer verlopen.'Beeld Illias Teirlinck

Hoe kan die vertrouwenscrisis verholpen worden?

“Om die te overbruggen heb je samenwerking met de welzijns- en culturele sector nodig. Dat is het idee van ‘de brede school’. Dat gaat ervan uit dat alle dimensies van de ontwikkeling van kinderen op elkaar inwerken. Een kind leert maar goed als het het fit en gezond is, zich gewaardeerd voelt, vrienden heeft en geboeid wordt door prikkels uit zijn omgeving. Het leert niet alleen in de klas, maar steekt ook heel wat op van thuis en van vriendjes in de buurt en op de speelplaats.

“Als je weet dat kansarmoede een multidimensioneel probleem is, moet je dat ook langs alle kanten aanpakken. Een school kan dat niet alleen, maar bouwt best samen met andere organisaties een netwerk uit rond kinderen. Ze kan bijvoorbeeld samenwerken met een organisatie die theater speelt met kinderen die het Nederlands nog niet goed machtig zijn. Door daarop te oefenen via theater, zullen kinderen veel meer durven te spelen met taal.

“Maar het allerbelangrijkste is dat de school daardoor ook wat aantrekkelijker wordt, dat een kind graag naar school gaat. Waarom? Je ziet daar misschien niet meteen cognitieve effecten van, maar kinderen worden op zijn minst minder snel schoolmoe. Dat is erg belangrijk om vroegtijdig schoolverlaten tegen te gaan.”

U stelde zelf een zogenaamd ‘veerkrachtplan’ op met voorstellen om de achterstand weg te werken. Dat wordt volgens u een werk van lange adem: om de afgelopen paar maanden thuisonderwijs in te halen, mikt u op twee schooljaren. Waarom is dat nodig?

“Dat is natuurlijk een ruwe schatting. Mijn collega Kristof De Witte denkt dat er 5 procent van het schooljaar verloren is gegaan, ik schat dat het eerder 30 tot 35 procent achterstand is. De sluiting van de scholen heeft twee volle maanden geduurd en is in een crisissfeer verlopen. Ook in mei en juni heeft men wel wat onderhoudslessen gegeven, maar dat is geen onderwijs op een normaal tempo.”

Hoe kan dat ingehaald worden voor leerlingen in het lager?

“Dat kan bijvoorbeeld via versneld onderwijs. Daar bestaan methodes voor, onder andere in het Amerikaans onderwijs. Zo is er de methode die de onderwijseconoom Henry Levin (Stanford University) opstelde en die in de Verenigde Staten in 2005 door zo’n duizend lagere scholen in kansarme buurten gebruikt wordt. Levin volgde een eenvoudige redenering: kinderen komen op 5-jarige leeftijd in een lagere school terecht met leerachterstand en die moet tegen het einde van de lagere school weggewerkt zijn. Dat doe je niet door leerlingen buiten de uren extra oefeningen te geven, maar wel door intensiever met hen te werken binnen de schooluren. Je moet de leerlingen niet onderschatten, maar wel meer investeren in personeel – inclusief vrijwilligers. Het resultaat was dat die leerlingen met achterstand na drie jaar al een groot deel van hun achterstand hadden ingehaald.

“Een andere inspirator is ‘Succes for All’ van de Amerikaanse onderwijskundige Robert Slavin (Johns Hopkins University) die zijn carrière wijdde aan het zoeken naar de meest effectieve onderwijsmethodes. Het idee is dat elk kind recht heeft op hetzelfde onderwijssucces. Net daarom hebben sociaal achtergestelde groepen recht op extra ondersteuning. Het is gebaseerd op intensief taalonderricht, verregaande differentiatie (kinderen met leerachterstand intensiever begeleiden, PG/CG), regelmatige evaluatie, hoge verwachtingen, multidisciplinaire ondersteuningsteams die ook het gezin begeleiden.”

Ides Nicaise: ‘Zonder investeringen is de kans op schooluitval hoger en dus het risico op latere werkloosheid groter. Hoe langer we die uitgaven uitstellen, hoe zwaarder de schade zal zijn.’Beeld Illias Teirlinck

Is dat realistisch? Dat soort aanpak vereist forse investeringen.

“Ja, maar zulke investeringen zorgen wel voor minder zittenblijvers of doorverwijzingen naar het buitengewoon onderwijs. Ik denk dat we er baat bij hebben om die extra investeringen te doen, ook al moeten we binnenkort besparen op alle fronten. Het gaat over de toekomst. Zonder investeringen is de kans op schooluitval hoger en dus het risico op latere werkloosheid groter. Hoe langer we die uitgaven uitstellen, hoe zwaarder de schade zal zijn. Hoe meer de samenleving dus zal moeten opdraaien voor bijkomende sociale uitkeringen.

“Onderwijs ís een heel rendabele investering, dat weten we: de jaarlijkse opbrengstvoet bedraagt in Europa gemiddeld 8,5 à 10 procent. Er zijn heel weinig beursbeleggingen die dergelijke prestaties halen. We moeten dus ook niet bang zijn om daar geld voor te lenen. Dat heeft de Europese Unie bijvoorbeeld ook al geleerd. Persoonlijk zou ik ervoor pleiten dat de vele miljarden die de EU in de economie pompt, in de eerste plaats geïnvesteerd worden in mensen.”

Gesteld dat er zulke ambitieuze plannen komen, dan nog hangt dat toch af van in welke mate scholen die doorvoeren? Die staan eigenlijk vrij in hun aanpak van de crisis.

“We hebben in Vlaanderen een grote vrijheid van onderwijs in het algemeen. Onbedoeld gevolg daarvan is echter dat scholen elkaar beconcurreren, zelfs binnen dezelfde zuil. Voor een stuk is dat positief, omdat je een prikkel hebt om goed te presteren. Maar je krijgt ook scholen die, bijvoorbeeld omdat ze in een kansrijke buurt gelegen zijn, sociaal sterke leerlingen aantrekken. Die laten dan weer betere resultaten optekenen. Zo belanden die scholen in opwaartse spiraal en trekken ze de beste leerkrachten aan. Dat verklaart grote niveauverschillen tussen scholen. En aan het andere eind heb je scholen die moeten ploeteren met een kansarm publiek en minder gekwalificeerde leerkrachten.

“Je merkt dat die scholen hun autonomie niet goed kunnen gebruiken, vooral in het basisonderwijs. Daar zijn de directies onvoldoende gekwalificeerd om scholen te sturen in bepaalde richting.

“Wat we de voorbije maanden hebben meegemaakt, is bovendien echt uitzonderlijk. Je kan niet verwachten dat men op lokaal niveau pasklare antwoorden heeft op zo’n crisis. Maar – met alle respect – ook Vlaams minister van Onderwijs Ben Weyts (N-VA) is geen onderwijskundige. Het is daarom belangrijk dat hij de problemen juist inschat en beroep doet op alle beschikbare deskundigen, zoals men doet bij Volksgezondheid.”

Wie is Ides Nicaise?

Geboren in 1955

Begon in 1998 als wetenschappelijk medewerker aan het HIVA-Onderzoeksinstituut voor Arbeid en Samenleving (KU Leuven), waar hij nog steeds aan verbonden is

Werd in 2002 hoogleraar Onderwijs en Samenleving aan diezelfde universiteit

Gespecialiseerd in sociaal beleid, en vooral de wisselwerking tussen onderwijs, arbeidsmarkt en gelijke kansen

Gaat in oktober met emeritaat

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234