Donderdag 18/08/2022

‘Ik ben geweldig emotioneel’

e hebben afgesproken op het Eilandje in Antwerpen, bij Independent Films, het productiehuis van Marc Punt dat Frits en Freddy geproducet heeft. We krijgen een hele leefruimte ter beschikking. Een keurig opgeruimde plek waar er niet aan overdaad gedaan is: een paar kasten, een tafel, een kunstwerk of drie en een grote fluffy zetel in het midden. Tom Van Dyck is in zijn nopjes. Hij houdt van orde, zegt hij, en van lege ruimtes. Dat geeft rust in de kop. Prettig voor de heftige natuur met grote drive die hij is, denk ik erbij. Om die eerst aan bod te laten komen, vraag ik hem naar de film, waar hij op geheel gepaste wijze enthousiast over is.

Tom Van Dyck: “Scenarist Marc Punt en regisseur Guy Goossens zijn ambitieus geweest. Als we in Vlaanderen het woord comedy horen, denken we aan Hector van Urbanus of films van Gaston en Leo. Zij hebben echt iets anders geprobeerd. Dan is het van primordiaal belang dat alle acteurs dezelfde toon weten te pakken, en dat is perfect gelukt.

“Peter en ik hebben mee mogen denken over de casting, en we zijn zelf beginnen rondbellen om de juiste mensen te overtuigen. Damiaan De Schrijver, Wim Opbrouck, Frank Focketyn, Greta Van Langendonck, Jan Van Looveren, allemaal zijn ze gezwicht. Ze geven zich helemaal, en dat loont. Recensenten vergeleken Frits en Freddy spontaan met Lock, Stock and Two Smoking Barrels, een mens zou van minder vrolijk worden.”

Waarin schuilt voor jou het plezier van spelen in een film als deze?

Het is een dunne lijn tussen er wel en niet over gaan.

“In Van vlees en bloed begonnen we in een vrij realistisch universum en dat werd geleidelijk aan uitgerekt. In een serie als Het eiland zetten we meteen heel hoog in: als Wim Opbrouck ‘wiwiwiwiwiwi’ deed (hij imiteert dat ostentatief kuikentjesgehuil van Franky, GO), moeten kijkers daar in kunnen meegaan. In Frits en Freddy hanteren we ook meer zo’n soort insteek. En daarin schuilt de uitdaging. Er mag een pijl door mijn kop steken, ik moet geloofwaardig kunnen zeggen: ‘Ik voel me niet zo goed’, zonder die pijl te spelen. Super is dat.

“Die draaitijd was voor mij zeven weken vakantie. Zeven weken therapie. Ik heb dat nodig: spelen, ik kan niet zonder klankbord, zonder publiek, zonder mensen om te entertainen. Die spanning bouwt zich op in mijn lijf, en af en toe moet dat eruit. Na twee dagen zei Peter al: ‘Amai, jij gáát nogal.’ En dat klopte ook. Ik reed tegen honderdvijftig per uur de dag door, elke dag opnieuw. Lang leve ginseng. (lacht) Toen de film klaar was, kon ik weer rustig zijn, ik had het beest weer eens kunnen uitlaten. Als ik alleen maar zou regisseren en schrijven, zou ik zot worden.”

Je bent een groot pleitbezorger van genoeg draaitijd en middelen. Jullie hadden 35 dagen en geen subsidie van het VAF. Was het genoeg?

“De heren Goossens en Punt vinden dat een dag uit 24 uur bestaat, en dat zal je geweten hebben. Ik heb op Woestijnvis en thuis gemeld dat ik zeven weken van de aardbol zou verdwijnen, en zo was het ook min of meer. Zij draaien liefst van acht uur ’s ochtends tot middernacht: nog een shot, en nog eentje, kwestie van genoeg keuze te hebben tijdens de montage. Als speler niet altijd even fijn, maar als je dan het resultaat ziet, ben je alle kommer en kwel snel vergeten. We zijn trouwens zeer goed gesoigneerd: fijn hotel, goeie catering, dat helpt.

“Independent Films, het bedrijf waarvan Marc Punt bedrijfsleider is, heeft zijn nek uitgestoken. Iedereen is keurig betaald, de pellicule is erdoor gevlogen, hij is gegaan voor het beste. Om break-even te draaien moeten er 350.000 mensen naar de film komen kijken. Dat is niet weinig, maar hij gelooft in zijn project.

“Ik heb destijds in het theater op kleinere schaal hetzelfde gedaan. Met mijn gezelschap De Kempvader heb ik nooit subsidies aangevraagd. Een aantal mensen uit de sector vond mij een stielbederver, omdat ik bewees dat het zonder steun van de overheid ook kon. Dat vond ik pervers. Ik heb dankzij subsidies de tijd gekregen om te groeien, en na verloop van tijd lukte het mij - mede door mijn bekendheid, daar moeten we niet flauw over doen - zonder die steun. Dat is toch alleen maar goed nieuws. Dan moet de taart - of tegenwoordig spreek je beter over een petitfourke - weer onder minder volk verdeeld worden.

“Veel mensen uit de culturele sector zijn conservatief, heb ik gemerkt. Bij de minste verandering zijn ze al uit het lood geslagen. Maar het is zinvol om de dingen te bevragen, vind ik. Moet je een maker die al tien jaar theater speelt voor vijf man en een paardenkop blijven subsidiëren? Ik weet dat niet.”

Het is gevaarlijk om publieksopkomst als criterium te hanteren, vind ik. Eén voorbeeld: Peter Gorissen heeft een fantastische cyclus gemaakt in Monty. Daar zat misschien een man of tachtig in de zaal, niet meer. Het is wel geselecteerd voor Het Theaterfestival. Zou zoiets van jou niet meer gemaakt mogen worden?

“Natuurlijk wel. Je mag het kind niet met het badwater weggooien. Voor alle duidelijkheid: ik ben geen populist die zomaar zeurt over het gebruik van zíjn belastinggeld. Maar laten we dat gesprek toch voeren. Laten we parameters bedenken die ervoor zorgen dat de projecten die vanuit de grootste noodzaak ontstaan steun krijgen. Laten we ons afvragen waarom er weinig volk naar deze of gene groep komt kijken. Misschien is daar een reden voor, misschien zijn ze gewoon niet goed genoeg. Ik vind subsidie nuttig, maar het mag geen verworven recht zijn van makers die zichzelf ondertussen lekker in slaap laten wiegen.”

Jouw projecten scoren bij een breed publiek. Hou jij dat publiek scherp voor ogen als je iets maakt of blijkt jouw smaak gewoon samen te vallen met die van veel anderen?

“Ik heb in theatervoorstellingen gespeeld waar meer mensen wegliepen dan bleven. Dat waren niet mijn gelukkigste momenten. Ik doe wat ik doe om gehoord te worden. Ik heb altijd gehouden van volle zalen. Als kind keek ik liever met een hele bende naar de poppenkast dan met twee vriendjes.

“Maar ik heb nooit gezocht naar het recept om het grote publiek te plezieren. Ik heb gewoon mezelf als norm genomen. Blijkbaar spreekt dat aan. Niet omdat ik alleen maar zou houden van people pleasers. Mijn smaak is heel breed: van Nick Cave over Bach tot Bert en Ernie die een liedje zingen. Ik ben de Canvaskijker én de Bourlabezoeker én ik ga met mijn kinderen weleens naar een show van Studio 100. Allemaal goed.

“Vroeger was ik anders, heel zwaar op de hand. Ik las alleen maar moeilijke boeken en vond dat er weinig te lachen viel in het leven. Maar dat is geëvolueerd. Als theaterregisseur viel ik al voor het tragikomische van bijvoorbeeld een Alex van Warmerdam (Nederlands auteur, theatermaker en cineast, GO) en ik voelde hoe langer hoe meer dat ik eigenlijk wou filmen. Uiteindelijk zei Woestijnvis: maak zelf eens iets, schrijf het, regisseer het, speel erin mee, hier is een bureau. Met Michiel Devlieger als compagnon moet dat lukken. En dat werd Van vlees en bloed. In dat project kwam voor mij alles samen. Dat was mijn verhaal, eentje dat ik moest vertellen.

“Sommige mensen noemen die serie lichtvoetig, anderen noemen de personages die ik speel snullig, ik vind dat niet juist. Door ouder te worden is er veel meer diepgang en sérieux in mijn denken geslopen, en in dezelfde beweging: ook veel humor. Dat versterkt mekaar.

“En wie weet wil ik op een bepaald moment ook wel weer eens weg van het tragikomische. Een van mijn absolute lievelingsfilms is After the Wedding van Susanne Bier, geen kattenpis. Iets met die donkerte zou ik misschien ooit ook graag maken.”

Ben je in het leven gevoeliger aan de zwaarte of aan de lichtheid der dingen?

“Er is een verschil in hoe ik mij voordoe en in hoe ik ben, denk ik.”

Ik wil natuurlijk weten hoe je echt bent.

“Laten we zeggen: de neiging tot zwaarmoedigheid is hanteerbaarder geworden door een vrouw tegen te komen die absoluut niet houdt van zwaarte. En ook door op te houden met van mezelf te verlangen dat ik Wittgenstein zou begrijpen, en bij voorkeur ook nog met zijn teksten de scène op zou kruipen. In de gloria is in die zin een ongelooflijke bevrijding geweest. In Alles kan beter, het programma van Mark Uytterhoeven, speelde ik eens een quizkandidaat die in Zondag Josdag een antwoord niet wist. Jos ging zogenaamd sympathiek tekeer: ‘Maar man, hoe is het mogelijk dat je dat niet kende?’ Zijn hele familie eromheen, die jongen volledig beduusd. Op weg naar huis zei regisseur Jakke Eelen: over hem zouden we een film moeten maken, over hoe hij morgen met zijn brooddoos naar zijn werk gaat, waar iedereen dat programma heeft gezien. In dat kleine, menselijke zitten alle koningsdrama’s. Ik heb toen beseft: dát moet ik spelen. Wat tijdens In de gloria ook gebeurd is.”

De zwaarte van dit bestaan kwam voor jou voort uit een gevoel van minderwaardigheid?

“Precies. Als jongen van twaalf gingen mijn drie beste vrienden naar de Latijnse, ik niet. Ik was te dromerig, te speels, te weinig gefocust. Mijn vader zocht bovendien een opvolger voor de zaak, dus ik belandde in de handel. Waarop die jongens mij van de ene dag op de andere lieten vallen, wreed als twaalfjarigen kunnen zijn. Dat was mijn eerste grote, gruwelijke verdriet.

“Maar toen ontdekte ik dat ik kon spelen. Ik kon mensen doen lachen als ik Gaston en Leo imiteerde, ik bracht iets teweeg als Salieri in de voorstelling Amadeus op het college. Daar lag mijn kracht, al spelend zou ik het verschil maken. Ik ging als een maniak lessen volgen en boeken lezen. Ik dacht: zo zal men naar mij luisteren, zo zal men mij goed vinden, ik zal ook iemand zijn.”

En hoe zit het nu met dat beeld van jezelf?

“Als er regelmatig kijkers komen zeggen dat ze genoten hebben, dat ze ontroerd waren, dat ze moesten lachen, dat maakt een mens zelfverzekerd. Al bij al ben ik eigenlijk nogal gelukkig met mezelf, of mag je zoiets niet luidop zeggen? (lacht)

“Maar ik blijf de lat hoog leggen voor mezelf, kwestie van niet te beginnen zweven. Daar helpt mijn vrouw me trouwens ook graag bij. Zij zegt altijd: ‘Elders steken ze al veren genoeg in je reet, dat ga ik thuis niet ook nog eens doen.’ Soms vind ik dat wel jammer, net thuis is het zo fijn als dat wél gebeurt.”

Bij veel mensen die ooit last

hebben gehad in de regionen van zelfverzekerdheid, blijft dat toch op een of andere manier de achilleshiel...

“Kennis, dat is bij mij een gevoelig punt. Ik denk altijd dat anderen meer weten. Ik haat quizzen, om die reden. En die angst blokkeert mij op voorhand al.”

Oei, en dat terwijl je op Woestijnvis werkt, de plek waar iedereen dol is

op quizzen.

“Ik koers wel graag, dat compenseert. (lacht) En misschien is dat onzekere stuk verleden er ook wel mee verantwoordelijk voor dat ik nog altijd heel bewust veilige nesten creëer om in te werken, met mensen die ik graag zie.”

Is Woestijnvis, een competitieve omgeving, de werkplek waar iedereen voortdurend constructief kritiek loopt te leveren, dan wel een lekkere plek om te werken?

“Begrijp me niet verkeerd. Ik omring mij graag met topmensen die hun gedacht zeggen. Zo word ik zelf ook beter. Bij Woestijnvis houden ze mij wakker en scherp. En vergis je niet: ik ben ook een haantje. Meer dan genoeg om niet de kip te zijn die bij Woestijnvis op de laagste stok belandt, waar de rest op haar kan kakken.

“Ik heb wel graag het gevoel dat ik de dingen onder controle heb. Dat betekent veilig voor mij. Ik zou dit beter niet zeggen in de krant, want nu gaan mensen mij doorzien, maar ik kom heel extravert over, niet omdat ik dat per se ben, maar omdat die houding helpt om de boel naar je hand te zetten. Controle geeft een gevoel van zekerheid. En dat heb ik nodig. Als me dat niet lukt, word ik vanzelf heel stil.”

Als je zo’n controlefreak bent, kan je dan genoeg vrijheid geven aan je acteurs?

“De kunst bestaat erin spelers snel bij het project te betrekken. Bij Van vlees en bloed hebben we echt voor bepaalde acteurs geschreven. Nu ben ik aan een nieuw fictieproject met Tom Lenaerts aan het werken, en we doen dat opnieuw.”

Dit antwoord doet me vermoeden dat het je níét makkelijk valt om ruimte te geven aan spelers, nee?

“Hmm, goeie vraag... Laten we zeggen dat tv en film voor mij betere media zijn omdat ik acteurs in theater maar beperkt kan sturen, terwijl ik nu in de montage toch het laatste woord krijg. (lacht)”

Noem je jezelf eigenlijk artiest of vind je dat getuigen van al te grote romantiek?

“Ik ben dat wel, denk ik, al voel ik niet meteen de behoefte om het zo te benoemen. Ik ben cultureel ondernemer, zoals mijn vriend Tom Lanoye bijvoorbeeld ook is. Ik heb al jaren een bvba, zo kan ik zelf mijn werkomstandigheden creëren, precies zoals ik dat wil, en dat is een hoog goed.

“Voor mij lopen leven en werk totaal door mekaar. Ik heb nooit het gevoel dat ik moet werken, maar ik kan om diezelfde reden ook moeilijk vakantie nemen. Ik probeer het verschil tussen weekends en weekdagen te leren, omdat een beetje structuur nodig is voor het gezin. Dat is en blijft een spanningsveld natuurlijk, zeker als je samenleeft met een vrouw die ook creatief wil zijn. Maar we krijgen dat wel geregeld.

“Ik heb echt heel bewust voor kinderen gekozen. Een gezin is een fascinerend gegeven. Je wordt er in eentje grootgebracht, daar kom je langzaam van los, dan begin je er zelf een, en ga je reageren zoals je ouders. Bovendien zie je stukjes van jezelf terugkomen in je kinderen. Raar toch allemaal.”

Wat hebben je kinderen van jou?

“Alle slechte dingen, natuurlijk. (lacht) Hun koppigheid, bijvoorbeeld. Men zegt mij dat ik ook koppig ben. Ik ervaar dat zelf niet zo. Ik heb gewoon een duidelijke mening die ik durf te verdedigen, vind ik. En nog: hun drang om te entertainen. Dat is wel schoon. Hun enorme gevoeligheid ook. Mijn vrouw en ik zijn ook allebei geweldig emotioneel, heftig om te zien hoeveel littekens mijn kinderen daar nog door zullen oplopen. Ik wil hen nu al weerbaar maken, zorgen dat ze zo zelfstandig in het leven staan als ik. Dat is pure noodzaak als alles zo binnenkomt.”

En wat herken jij van je ouders in jezelf?

“Hoe ik kwaad word, bijvoorbeeld: in volume en beweging helemaal mijn vader. En het werkt ook omgekeerd. Ik ga heel extravert om met verdriet en andere grote emoties, als tegenreactie op al het introverte dat ik thuis gezien heb, en op die typische Vlaamse geslotenheid.

“Dat introverte heeft nog gevolgen gehad. Omdat mensen niet gewoon uitten wat ze voelden, ben ik hen van jongs af beginnen te observeren, denk ik. Om zo te kunnen begrijpen waarom ze deden wat ze deden. Dat is bepalend geweest voor mij als speler. Er zijn acteurs die de inhoud van een stuk of een rol toetsen aan hun persoonlijkheid. Je ziet door alle rollen bovenal henzelf heen schemeren. Ik kies voor de erotische benadering: door te verhullen wil ik onthullen. Ik zal mij letterlijk vermommen, ik word de meest uiteenlopende figuren. Ik kan zelfs niet repeteren in mijn eigen kleren. Alleen op die manier kan ik alle poorten van mezelf openzetten.”

En bedoel je dat je daardoor meer van jezelf toont dan acteurs die hun eigen persoonlijkheid overal in meenemen?

“Ik zou het zo niet durven te formuleren, maar als jij het zegt. (lacht)”

Ben je in het echte leven een empathisch man? Iemand die over de schouder meekijkt en reageert op wat hij ziet vanuit dat helikopterperspectief?

“(denkt lang na) Mijn vrouw is zeker meer empathisch dan ik. Ik kan ook afstandelijk en zakelijk zijn. Dora van der Groen heeft mij tijdens mijn opleiding gezegd: jij scant alles en iedereen, jij weet welke emoties spelen, maar de hamvraag is: kan je je daar ook in verliezen? Dan wordt het pas poëzie. Gelukkig is ze me in het derde jaar in de armen gevallen met de mededeling dat ze mijn poëzie gezien had. (lacht)

“Ik denk eigenlijk dat ik de twee kanten heb. Mijn sterrenbeeld is niet voor niks tweelingen. Ik ben gevoelig en van daaruit kan ik mij inleven. Maar ik hou niet altijd spontaan rekening met de gevoelens van anderen. Soms kan ik bijvoorbeeld vanuit het niets heel heftig uitschieten. Ik heb dan al snel het idee dat het allemaal zo erg niet was, terwijl omstanders achteraf vaak zeggen: ‘Tom, dat viel níét mee.’”

Dat cholerieke neveneffectje van je emotionele natuur, zou je daar van af willen?

“Als je het zo zegt, klinkt dat bijna schattig. Dat ga ik vanaf nu gebruiken, bij wijze van verdediging, dankuwel...

“Ik zou graag minder emotioneel zijn, wat zakelijker over heel de lijn. Dat lijkt me toch makkelijker. Ik heb vaak spijt van die heftige reacties. Ik sla daar soms mensen ongewild lam mee. Niet goed.”

Maar die emotionele natuur levert je ongetwijfeld ook iets op, nee?

“Ja, natuurlijk. Als toneelspeler moet je in jezelf roeren, en in de emotionele huishouding van anderen. Je kruipt niet in de huid van iemand anders, je spant je eigen vel over een rol. Om dat te kunnen moet je vel rekbaar genoeg zijn, moet je emotioneel sportief genoeg uit de hoek komen.

“Ik herinner me dat Dora van der Groen mij tijdens mijn opleiding ooit zei: ‘Je clowneske streken staan de zoektocht naar je centrum in de weg.’ Probeer daar met je ouders in het weekend maar eens een zinvol gesprek over te voeren. (lacht) Maar ze had wel gelijk: als acteur moet je naar binnen durven te kijken, met jezelf bezig zijn.

“Eigenlijk is spelen en maken een behoorlijk kwetsbare aangelegenheid. Ook daarom creëer ik altijd veilige omgevingen om in te werken. Hoe beter je de mensen kent, hoe makkelijker je zelf in je hemd durft te staan. En hoe dichter je bij jezelf gaat zitten, hoe beter je project wordt. Daar ben ik van overtuigd.

“Sommige mensen functioneren even goed in conflictsituaties, ik niet. Ik ga geen enkel conflict uit de weg, ik probeer ze ook op te lossen als ze zich aandienen tussen mensen van de groep waar ik mee werk, want dat is mijn verantwoordelijkheid. Maar gezellig gaat altijd beter.”

Zijn er nog eigenschappen die je zou veranderen als je kon?

“Ik ben soms te aanwezig, te veel het haantje. Als er vrienden komen eten, dan zegt mijn vrouw achteraf gegarandeerd: ‘Jeetje, de haantjes zaten weer bij mekaar, wat hebben jullie weer een ruimte ingenomen, zeg.’ Ik ben me daar op het moment niet van bewust, maar dat klopt zonder enige twijfel.”

Gaat jouw vrijheidsdrang soms ten koste van anderen? Je vrouw was een succesvolle actrice in Nederland, maar in Vlaanderen is het als Nederlandse niet makkelijk om werk te vinden.

“Ja, dat is heel erg. Daar is ze geweldig ongelukkig over. Ik heb weleens de neiging om aan geschiedvervalsing te doen, weet ik, maar in dit geval denk ik echt dat het de omstandigheden waren waardoor zij naar hier is gekomen. Toen ik Alice leerde kennen had ik eigenlijk geen behoefte aan een relatie. Ik ben heel graag alleen. Ik kookte uitgebreide menu’s voor mezelf, ik kon prettig alleen dronken worden. En aan slaapkamergymnastiek deed ik ook genoeg. Dat heb ik trouwens nog altijd: ik zorg gewoon graag goed voor mezelf. Ik heb bijvoorbeeld een couturier die kostuums en hemden op maat maakt voor mij. Daar kan ik zo van genieten. Ik ben een echt genotsvarken.

“Maar toen kwam Alice dus voorbij, in mijn fijne alleen zijn, en daar was toch geen ontkomen aan. We hebben lang gependeld tussen Amsterdam en Antwerpen, maar op een bepaald moment moet je keuzes maken. We wilden kinderen, dat kon niet op twee plekken. En aangezien zij degene was die zwanger moest worden, en aangezien het met mijn carrière opeens hard ging, heeft zij beslist om naar hier te verhuizen. Zo is het gelopen. En ja, ze had zich die keuze voor ons land wel anders voorgesteld, zoals de meeste asielaanvragers, denk ik. Maar ze blijft haar weg zoeken.”

Met welke eigenschappen van jezelf ben je het blijst?

“Met mijn ondernemersgen. Omdat het mij in staat stelt om in totale vrijheid mijn leven te leiden. En omdat het ook bepaalt wat voor mens ik ben: iemand die de dingen in handen neemt, die vooruitdenkt, die aanpakt wat komt. Ik kijk niet achterom, want dat levert zo weinig op. Af en toe kan je er weleens iets uit leren, maar al te vaak loop je toch gewoon met je kop weer tegen dezelfde muur aan.

“Ik vind het ook positief dat ik geen talent voor rancune heb. Ik heb met een paar mensen in de clinch gelegen in de loop van mijn parcours, daar zijn zelfs advocaten bij te pas gekomen, maar zelfs met die mensen kan ik nu gaan eten en dan is het gezellig. Toch een goed punt.

“Ik ben eigenlijk een heel contente mens. Ik kan professioneel doen wat ik wil, in bijzonder fijne omstandigheden. Ik heb een goeie relatie, en ik ben nog steeds de held van mijn twee kinderen, al was het maar omdat ik persoonlijk mee mag varen met de boot van de sint. En ik heb een bende goeie vrienden, en met de meeste werk ik ook nog eens samen. En zo is de cirkel rond. Een berg clichés, ik weet het, maar zo is het gewoon, en dat valt alleen maar te koesteren.”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234