Vrijdag 25/06/2021

‘Ik ben geen BV en daar heb ik ook geen last van’

ohan Leysen (60) is in alles een Parisien. Dat merk je aan de krant (Libération) en het pakje sigaretten (Gauloise) die hij op het tafeltje legt aan de Quai de la Seine, een stuk prachtig heraangelegde dokken waar het krioelt van leuke, jonge mensen. Het terrasje hoort bij een nieuw bioscoopcomplex dat gevestigd is in de loodsen langs beide kanten van het water. Koop je een ticket voor een film in een zaal aan de overkant van het water, dan brengt een bootje je daarheen.

Sinds deze week draaien ze in die bioscoop The American, de nieuwste film van Nederlands topfotograaf Anton Corbijn. Op de oranje affiche die levensgroot boven ons hoofd hangt, rent George Clooney de kijkers tegemoet, in zwart-wit, maar ook in stijlvol maatpak, als een 21e-eeuwse versie van stijlicoon Steve McQueen. Clooney is de ster en de publiekstrekker van de film, maar in The American speelt de superstar uit Kentucky aan de zijde van Leysen, een acteur die in ons land tal van rollen heeft vertolkt, zoals in Daens en Soeur Sourire van Stijn Coninx, Een ander zijn geluk van Fien Troch en de tv-reeks De smaak van De Keyser. Toch is hij in België relatief onbekend, omdat hij na zijn studies aan Studio Herman Teirlinck in Nederland ging wonen en daar uitgroeide tot een alom gerespecteerd theateracteur.

Eind jaren negentig verhuisde Leysen naar Parijs, de stad die altijd een enorme aantrekkingskracht op hem heeft uitgeoefend. Als we hem vragen wat het eerste is waaraan hij denkt als we ‘Parijs’ zeggen, antwoordt Leysen: “De Conservatoire Rachmaninoff, een privéconservatorium van verbannen Russen, dat ik ooit eens ontdekt heb op het einde van de jaren zeventig. Ik kwam in een kantine onder de grond terecht. Daar hing een fantastische sfeer, van al die oude emigrés, muzikanten ook, die daar borsjtsj kwamen eten. Ik kom daar binnen en een vrouw zegt (imiteert Frans met een Russisch accent): ‘Votre carte de membre, s’il vous plaît.’ Ik zeg dat ik die niet heb. Ze kijkt me aan en zegt: ‘Alors, il y a trois possibilités. Vous prenez une carte de membre pour la soirée.’ Dat kostte twee keer de prijs van een maaltijd. ‘Vous prenez une carte pour une année.’ Dan had ik voor twee personen het recht om daar regelmatig te eten. ‘La troisième possibilité: j’ai oublié de vous demander la carte.’ (lacht) Ik zeg: ‘We gaan voor nummer drie.’ En ze antwoordt: ‘Oui, mais c’est moi qui décide ce que vous mangez.’ Ik heb daar toen een fantastische avond beleefd. Ik kwam toen al zo vaak mogelijk naar Parijs. En door een raar toeval ben ik hier in een tv-film verzeild geraakt, waarin ik weliswaar een Vlaming speelde en niet veel tekst had. We filmden op een zomeravond aan de kade langs de Seine. Ik zat in het hartje van Parijs. Ik vond dat fantastisch.”

Waarom bent u hier uiteindelijk komen wonen?

“Door het werk, de liefde, het leven. Eind jaren negentig kreeg ik hier steeds meer werk. Ik had in Parijs al een aantal films gedraaid en toneelstukken gespeeld. Ik dacht: ik kom hier aan de bak, ik kan hier net zo goed gaan wonen. Parijs heeft me altijd gefascineerd. Het is een erg theatrale stad. De mensen tonen zich. Ze gedragen zich tegenovergesteld aan die van in het noorden. Soms is dat ergerlijk, maar vaker nog is dat prachtig om te zien. Het is natuurlijk een en al romantiek als je bedenkt wat hier in de jaren dertig van de vorige eeuw allemaal is gebeurd en wie hier heeft rondgelopen, in wijken als Saint-Germain of Montparnasse. Dat moet een fantastische tijd geweest zijn, toen ook al die buitenlanders neerstreken, wellicht omdat het hier erg goedkoop was. Hemingway en Picasso, bijvoorbeeld. De stad heeft lang zo’n aantrekkingskracht op boeiende figuren gehad.

“Alle steden worden tegenwoordig tot een soort Disneyland of lunapark herleid: als het maar prettig is voor de mensen. Dat levert soms mooie dingen op, en soms lelijke. Parijs ontsnapt daar niet aan, maar als je goed zoekt, dan vind je nog wel buurten met veel ziel.”

U had er geen moeite mee om alles achter te laten en in een andere stad een nieuw leven te beginnen?

“Absoluut niet. Je laat ook niets achter, behalve een paar materiële dingen. Je neemt mee wie en hoe je bent. Ik ben niet honkvast. Het is ook een soort luxe om een vreemdeling te zijn. Je kunt altijd schelden hoe slecht het hier is, en hoeveel beter het bij ons is (lacht).”

Hoe kwam het dat u op uw achttiende naar Studio Herman Teirlinck trok?

“Ik had tijdens de middelbare school in een toneelstuk gespeeld. Mensen vonden dat mooi. Ik beleefde er een zekere genoegdoening aan, wat normaal is op die leeftijd. Je hebt behoefte aan bevestiging en die kreeg ik toen ineens in overvloed. Van thuis uit wilden ze natuurlijk liever dat ik een ‘ernstig’ diploma zou halen voor ik me met dit soort gedoe zou bezighouden. Dat is even moeilijk geweest, maar ik ben uiteindelijk toch toneelschool gaan volgen en daarna heeft dat geen enkel probleem meer opgeleverd.

“Mijn jaren aan de toneelscholen waren een van de mooiste periodes van mijn leven. Daarvoor was ik een beetje een te dikke, zweterige scholier, die niet goed met zijn lijf overweg kon en een moeilijke, lastige puber was. Ik deed geen sport. Ik bewoog niet. En ineens moest ik leren dansen, bewegen, mijn lijf leren voelen... Plots zat ik goed in mijn vel. Ik had plezier in wat ik deed. Ik kan het niet anders uitdrukken als een openbaring.”

Waarom bent u daarna naar Nederland verhuisd?

“Daar was toen van alles te doen. Ik heb eerst de kleinere alternatievere gezelschappen afgeschuimd, voor ik bij Baal kon werken. Dat was een meesterlijke toneelgroep, met Leonard Frank, Lodewijk de Boer, Judith Herzberg... Dat gezelschap trok mij aan. Ze hadden voor mij een goede verhouding tussen politiek engagement en vormgeving. Het was niet enkel politiek theater. Tijdens onze opleiding aan de toneelschool trokken wij al regelmatig naar Amsterdam. Niet alleen om jointjes te roken, maar ook om interessante voorstellingen te zien. Daar waren er toen veel. We reden ook naar Bochum. We ritselden een auto, reden met vier of vijf daar naartoe en keerden ’s nachts nog terug. Dat was magisch. De afstanden waren toen groter dan nu, maar onze nieuwsgierigheid was nog net iets groter.

“Toen ik naar Nederland ging, was dat ook omdat het hele theaterbestel daar net was omgegooid door Actie Tomaat. Dat was een protestactie van jongere toneelmensen die vonden dat al het gesubsidieerde geld naar vastgeroeste instellingen ging. Ze hebben toen voorstellen onderbroken en met tomaten gegooid. Het had veel impact en heeft veel schade aangericht bij oudere mensen. Er zaten zeer goede acteurs bij, maar sommigen werden van tafel geveegd of niet meer gerespecteerd. Het kan mij vandaag of morgen ook overkomen. Toneel is iets bewegends. En het wordt slecht oud.”

Dat was eind jaren zestig, de jaren ook van flower power en seksuele bevrijding. Was Amsterdam toen een soort magneet?

“In zekere zin wel. Het was een geweldige periode, net na de pil en voor aids. Vanzelfsprekend werd daar wild heen en weer gevogeld en gaf dat een soort illusie van vrijheid.”

Waarom een illusie?

“Wij dachten toen dat je met toneel spelen of film maken, met wat je uitdrukt of vertelt, de mensen en dus de maatschappij kon veranderen. Dat je mensen ergens bewust van kon maken. Hoe langer ik werk, hoe meer ik denk dat het een illusie is. Soms zul je wel eens mensen raken, en dat zal wel iets teweegbrengen bij deze of gene, maar ik maak me daar nog weinig illusies over. Toen was de tijd gewoon zo. Men dacht dat de jongerenbewegingen de oorlog in Vietnam hadden beëindigd en dat we met mei 68 het hele maatschappelijke leven in Frankrijk en een groot deel van Europa overhoop gegooid hadden. Het feminisme is misschien het enige wat echt overblijft van die tijd. De vrouwenbeweging heeft veel laten veranderen.

“Maar als ik nu veertigers zie en merk welk huiselijk leven ze leiden, dan denk ik: ‘Ik was veel vooruitstrevender, ik deelde veel meer verantwoordelijkheid met de vrouw met wie ik toen leefde.’ Ik heb mijn leven ingericht in functie van wat ik wil. Maar ik zie leeftijdsgenoten of jongeren die hetzelfde beroep als ik uitoefenen, maar zich daar redelijk ambtenaarachtig en slachtofferachtig in opstellen. Ik vermijd dat te doen. Ik denk: als je voor dit vak kiest, dan doe je dat toch net om niet daarin te vallen.”

Bent u dan iemand die geen compromissen hebt willen sluiten?

“Natuurlijk heb ik ook compromissen gesloten. Op de filmsite imdb.com staat een lijst met waarin ik allemaal heb meegespeeld. Dat is om van achterover te vallen. Maar het is ook onzin. Als je bedenkt wat écht iets heeft voorgesteld, dan kun je dat herleiden tot een paar films en een paar voorstellingen. De rest was hopen dat het iets werd, maar het werd niets. Of ik dacht: nu moet er brood op de plank, dus dat doen we. Ik noem mezelf dus in geen enkel geval een soort bevrijde, onafhankelijke kunstenaar. Ik merk alleen dat er relatief weinig is terechtgekomen van de illusies en de dromen die wij indertijd hadden.”

Als u die lange lijst herleidt tot een paar films en voorstellingen waarop u trots bent, zegt u dat dan met enige ontgoocheling?

“Neen. Die andere dingen moet je doen om die paar dingen te doen. Je kunt niet aan de kant blijven zitten en wachten tot die paar dingen voorbijkomen. Zo werkt het niet. Je weet ook niet of iets een uniek project wordt of niet. Je kunt alleen maar hopen: dit wordt het. Er is ook die rare ambiguïteit die bij mijn vak hoort. Enerzijds ben je erg autonoom, anderzijds ben je ook zeer afhankelijk van je omgeving, van de mensen die het product maken. Er moeten heel veel voorwaarden vervuld worden vooraleer je een product krijgt dat in zijn geheel in alle opzichten geslaagd is en dat mij bevrediging schenkt. Maar als het lukt, dan ben ik de koning te rijk. Dat is het allermooiste: een goede regisseur, een goede ploeg, goede cameramensen, een goed verhaal, iedereen geconcentreerd... En dan kan het nog dat je een fantastische film maakt, maar geen hond hem ziet. Dat vind ik niet zo erg. Eerst telt voor mij de kwaliteit van het werk.”

Zullen de meeste acteurs niet zeggen: ‘Het mooiste is op een podium staan, in een zaal, wanneer de gordijnen open en de lichten aan gaan?’

“Toneel is in de beste gevallen goed repeteren, maar in de meeste gevallen geneuzel. Zo van: ik voel het niet, en ik weet niet waar ik vandaan kom. Wat jij beschrijft, dat is romantiek, jonge vriend. Soms voel je een soort spanning. En als een voorstelling goed loopt, geeft dat natuurlijk plezier. Enkele voorstellingen waren fantastisch om te doen. Ik repeteer graag, en zo’n vijftien voorstellingen lang heb ik het naar mijn zin, maar dan wil ik liefst wat anders. De werkelijkheid is gewoonlijk dat je dan nog veertig voorstellingen moet doen (lacht).”

U hebt net een project achter de rug dat moeilijk kan misgaan, als ik afga op de recensies.

“The American was zonder twijfel een mooi project. Anton Corbijn weet precies wat hij wil maken. Omdat George Clooney de hoofdrol speelt en producent is, waren er ook veel middelen. Ik vind het straf van Corbijn dat hij in zo’n constellatie van een Amerikaanse film toch gemaakt heeft wat hij wilde maken. Je merkt het aan alles eromheen. De trailer vertelt een ander verhaal dan de film, omdat ze hem zo proberen te slijten. Zelfs de affiche nodigt je uit voor een soort actiefilm. Er wordt actie gesuggereerd, terwijl er in de film bijna niets gebeurt.”

In de film zit een scène waarin u tegenover George Clooney in een bar zat. Er gebeurt niets, maar het hangt wel vol spanning.

“Daar zit de film vol van en er is ook hard op gewerkt. Het gaat om blikken, om kijken, om wat je niét zegt. In die zin zijn er veel verwijzingen naar oude films, naar westerns, waarin mensen zwijgend tegenover elkaar zitten, maar je op hun gezichten hele verhalen leest. Het is knap van Corbijn dat hij daarin slaagt. Ik heb ooit een paar dagen meegespeeld in La Reine Margot van Patrice Chéreau. Dat was een enorme productie, met Claude Berri, met heel veel geld en enorm veel draaidagen. Chéreau is ook zo iemand die met alles wat hem ter beschikking staat toch precies maakt wat hij wil en zich niet laat ondersneeuwen door al die middelen.”

George Clooney heeft veel commerciële films gemaakt, maar met de middelen die hij daardoor krijgt, draaide hij ook moeilijkere films als Syriana, Good Night and Good Luck of Michael Clayton.

“Ja, daar hebben we het ook over gehad. Hij zei me: ‘In de VS wordt soms smalend gedaan over de reclamefilmpjes voor koffiecapsules die ik draai, maar tegelijkertijd ben ik vrijer dan hen, want ik maak, regisseer en produceer wat ik wil.’ Ik vind dat hij dat slim aanpakt.”

Hoe was het om met hem te werken?

“Vooraf was ik ongerust. George Clooney is een publiek figuur, maar we hebben elkaar een paar keer ontmoet, samen ontbeten en geluncht. Anton en hij zochten een personage dat een beetje vaderlijk was, een beetje onbetrouwbaar ook, met macht. Iemand die soortgelijk of zelfs superieur is aan de figuur die Clooney speelt, maar met een gedeeld verleden. Oude kennissen, maar niet echt vrienden. In een paar scènes is er niet veel tastbaars om dat te laten zien. Daarin is hij geweldig. Bijvoorbeeld: normaal gezien komt er bij een telefoonscène een assistent die tegentekst geeft, terwijl jij in die telefoon staat te praten. Maar Clooney stond zelf naast de camera en gaf zelf repliek. Dat zie ik niet veel anderen doen.

“Ik denk dat hij ook zeer goed met Anton overweg kon. Als coproducent was hij erg betrokken, maar niet zo betrokken dat hij enkel de rol speelde zoals híj vond dat die gespeeld moest worden. Anton bleef de regisseur. Dat vond ik ook magistraal van Anton. En dat terwijl hij een van de zachtaardigste mensen was die ik ooit ontmoet heb. Die combinatie heeft mijn grootste bewondering. Tot zoiets zal ik nooit in staat zijn.”

Hebt u auditie moeten doen voor de film?

“Ja, ze hebben me de tekst gestuurd en ik moest zelf een screentest in elkaar draaien. Ik speelde toen in Lausanne, waar ik een technicus gestrikt heb. Gelukkig hadden ze daar een camera en ander materiaal. Met mijn eigen voorstelletje in het achterhoofd hebben we die scènes opgenomen. Die jongen heeft dat heel keurig gemonteerd. Dat heb ik opgestuurd naar Los Angeles, om daarna te wachten op antwoord.”

Belt u sindsdien nog met Clooney?

“Neen. Ik heb zijn nummer niet. (lacht) Je weet hoe dat gaat. Tijdens het draaien was het bijzonder hartelijk en prettig om samen te werken, maar ten eerste is dat meestal zo in de Amerikaanse cultuur en ten tweede zal zo’n man wel honderdduizend types om zich heen hebben, in elke film die hij draait. Hij gaat zeer goed met mensen om en dat heeft hij met mij ook gedaan.”

Zou dit niet uw ticket naar Hollywood kunnen zijn? Of had het dat kunnen zijn als u vandaag 25 was geweest?

“Dat weet ik niet. Ik ben heel lang een rabiate anti-Amerikaan geweest. Zelfs de politieke Amerikaanse films vond ik niets. Ze waren wel mooi, maar er lag toch altijd een bepaalde saus over, en het liep altijd goed af. Het is nooit in me opgekomen om er werk van te maken om daarin mee te spelen. Als je daaraan begint, denk ik, is het einde zoek. Er zijn hele volksstammen die dat proberen. Moet ik, in godsnaam, daarbij in de rij gaan staan? Ik bevind me in de positie dat ik een aantal mooie projecten in de steigers heb staan. Ik heb werk. Wat zal ik me dan druk gaan maken? Als uit The American echt iets voortkomt, des te beter. Ik ga niet neen zeggen als men belt voor een mooi project, maar ik ga mijn ziel niet verkopen. Ik zou niet weten hoe. En ik wil het ook niet weten. Het verwende baasje ga ik niet uithangen, maar het is een energie die ik niet heb en nooit heb gehad. Ik ben geen sportman. Ik heb niets met competitie. Of met winnen. Dat is ook mijn probleem. Als ik dat iets meer zou hebben, dan zou mijn leven er wellicht anders uitzien. Ik wil mij amuseren, maar ik heb geen zin om door allerlei narigheid te moeten gaan en idiote gesprekken te moeten voeren met agenten om mij god-weet-waar-ooit-eens-misschien te kunnen amuseren. Vaak is het gewoon onzin. Een aantal keren heb ik gezegd: ‘Laat maar zitten, daar begin ik niet aan.’”

U hebt veel rollen in Vlaanderen gespeeld, maar toch bent u bij ons vrij onbekend.

“In het milieutje kennen ze me wel, maar ik ben geen bekende Vlaming. En daar heb ik ook geen last van. Plots krijg ik nu wel veel aandacht, omdat ik in die film van Corbijn meespeel.”

Vindt u dat bizar?

“Het staat alleszins buiten verhouding met de investering die ik ervoor gedaan heb. Ik heb me te pletter gewerkt voor dingen die geen hond gezien heeft, maar waarvan ik zelf wel weet dat het veel waard is. Daar kraait dan geen haan naar. The American is een interessant project, maar het is een beperkte bijdrage van mij, het was maar een paar draaidagen. Wij hebben dit gesprek omdat u me zelf gebeld hebt, maar de meeste interviews die ik hierover heb gegeven verliepen via de distributeur. Dat is een verkapte reclamecampagne die ik voer. Ik ga in De laatste show zitten om zoveel mogelijk mensen de zaal in te krijgen. Dat is een spel en dat moet je spelen. Maar je moet je wel de vraag stellen in hoeverre je dat wilt doen. Voor dit project wil ik dat, omdat de kwaliteit van het werk mij bevalt.”

George Clooney of Johnny Depp moeten dat telkens opnieuw doen.

“Ja, bedankt. Ik moet er niet aan denken.”

Als jonge gast was u gefascineerd door Jean-Luc Godard. U hebt één keer met hem gewerkt. Hoe was dat? Een soort jongensdroom?

“Een soort jongensdroom, maar met nachtmerrie-achtige kanten. Ik had nooit eerder in het Frans gespeeld en ik moest werken met een soort contactgestoorde meneer die je teksten in het Frans geeft vlak voor je gaat spelen. Je denkt: die moet ik eerst lezen. Maar neen, de bedoeling was dat ik ze in tien minuten uit mijn hoofd leerde en ze daarna meteen bracht. Maar tegelijk is het ook een fantastische man. Hij benadert acteurs niet zoals anderen, die karakter en inleving verwachten. Neen, je draagt een tekst over. Een gegeven. In de grootst mogelijke eenvoud. Nu is dat wat gewoner, maar dat iemand je dat toen vroeg, dat was revolutionair. En ook bijzonder bedreigend, want je hebt niets. Je hebt alleen maar wie je bent.”

Wie heeft in al die jaren als acteur de grootste indruk op u gemaakt?

“Jean-Louis Trintignan, die meespeelt in Conformista van Bertolucci. Hij speelt zo juist, zo precies, scherp, eenvoudig... Zelfs in flutfilms is hij goed. Daar gewoon staan en alles laten vloeien, en je staat toe dat een camera of een publiek dat bij je komt zoeken, daar is durf voor nodig. Dat je niet allerlei pseudozaken opbouwt om interessanter te zijn dan je eigenlijk bent. Want we zijn niet zo interessant. Het gaat niet om ons, maar om wat we te melden hebben. Dat heeft niets met valse bescheidenheid te maken, maar met beschikbaarheid. Juist omdat je het daartoe herleidt, word je de moeite waard om naar te kijken. Alle echte grote acteurs hebben dat vermogen. Die durven dat.”

Uw vader was Bert Leysen, die de Vlaamse Televisie heeft opgericht, de voorloper van de VRT. Hij overleed toen u negen was. Jonge mensen vandaag weten niet meer wie hij is. Steekt dat niet?

“Neen, dat is hoe het leven gaat. Dat is aan periodes gebonden, het geheugen is kort. Ik heb mijn vader ook niet gemist omdat hij iemand bijzonder was voor de buitenwereld. Dat kan je als kind niets schelen. Dat is achteraf zelfs alleen maar vervelend. Mensen hebben het tegen jou als kind over de publieke figuur, maar wat heb je daaraan? Ik miste mijn vader.”

Was het een traumatische ervaring toen hij overleed?

“Drie keer raden? Ja, natuurlijk, maar dat geldt voor iedereen die op jonge leeftijd zijn ouders verliest. Op dat vlak ben ik niet anders dan andere mensen. Verder is daar weinig over te melden. Mijn leven heeft zijn ups and downs gehad. Als je op je negende je vader verliest, dan is dat een stevige down. En de jaren daarna ook. Maar daar is niemand exclusief in. Erg veel mensen moeten in een gelijkaardige of veel ergere situatie opgroeien. Ik ben een zondagskind. Ik heb een meesterlijke jeugd gehad en ik heb nog altijd een meesterlijk leven. Ik ga dan ook niet zeuren over hoe zielig ik ben.”

U hebt dit jaar de voorstelling Wittgenstein Incorporated hernomen, een voorstelling waar u twintig jaar geleden al veel succes mee had. Voelt dat niet vreemd?

“Dat is eigenaardig, maar niet gek, want je kijkt anders naar dingen. Sommige zaken die twintig jaar geleden een enorm probleem opleverden, blijken nu makkelijk te gaan en vice versa. Veel klinkt anders dan toen. Het gaat heel erg over of een gelovige een niet-gelovige kan begrijpen. Je hebt nu die hele hetze over islam, katholicisme, geloof en maatschappij. Dat is veel acuter geworden dan destijds.”

Is het stuk dan beter geworden dan twintig jaar geleden?

“Neen. De maatschappij is een beetje dommer geworden. Het hele discours over identiteit en volksaard, waar ook religie aan vasthangt, is van een ondraaglijke stupiditeit. Bedenk gewoon al eens hoe je nationale identiteit bepaald is: verkrachtingen, massamoorden, pogroms, gedwongen huwelijken, oorlogen... Ze hebben ooit die naties in elkaar gedraaid, maar wat heeft dat dan voor waarde? Ineens doet iedereen heilig over volksaard en over naties, terwijl dat schabouwelijk in elkaar geforceerde identiteiten zijn, die niets voorstellen. Maar ik weet dat het nu overal daarover gaat. Het is zelfs angstaanjagend dat mensen daar nog steeds in tuinen. Je zou denken dat ze wel hun lesje geleerd hebben.”

U voelt zich geen Vlaming of Belg?

“Natuurlijk ben ik én Vlaming én Belg, maar verder verbind ik daar geen hogere waarde aan. Dat is gewoon omdat ik daar hopelijk met veel plezier verwekt ben. Dat heeft mijn perceptie en mijn leven gekleurd. Al is het maar mijn taal, bijvoorbeeld. Maar daar houdt het toch zowat mee op. De taal, denk ik, is een soort land waarin je kunt wonen. Als ik in Parijs weer iets in het Frans moet uitleggen, dan ben ik soms te moe. Dan denk ik: ‘Mens toch, Parijs Vlaams!’ (lacht)”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234