Zaterdag 14/12/2019

'Ik ben een voyeur met hele grote oren'

Het 'nihil obstat' weerklonk en zo keurde de jury de tekst van Adriaan van Dis voor het Groot Dictee der Nederlandse Taal goed. Niet slecht voor een schrijver die zichzelf een 'beroerd speller' noemt. Was hij nu een kind, dan had hij zeker dyslexie. 'Al heb ik dat niet.' Misschien had hij wel ADHD. De onrust is gebleven, al hóéft reizen niet altijd meer. 'Ik heb ingezien dat verbeelding belangrijker is.'

De datum 8.6-1991 staat, met vulpen, op de laatste pagina van Het beloofde land geschreven. Het geschrift was mooier dan vandaag. Toen gelezen, al die jaren in de kast, maar nu ligt dat mooie boek van Adriaan van Dis op de tafel in het cafetaria van de Meervaart in Amsterdam. Hij schrijft er op zijn beurt vooraan iets in. Met rode inkt doet hij dat. En een nieuwe datum: 27.11-12.

Meer dan 21 jaar tussen eerste keer lezen en eerste keer praten dus. In dit theater Meervaart zal de bijna 66-jarige schrijver straks voor een publiek voorlezen uit eigen werk en uit werk van de Zuid-Afrikaanse dichteres Ronelda Kamfer. Maar nu is alles leeg. Heerlijk anoniem, hier in Amsterdam Nieuw-West, vroeger Osdorp. "Hier wonen de 'nieuwe Nederlanders'", zegt de schrijver. "Mensen waar ik graag over schrijf, maar die me niet kennen." Tussen gesprek en lezing zal hij bij de Chinees aan de overkant van de straat eten, maar stond er een McDonald's, dan ging hij net zo goed daar. "Dat is heerlijk", glimlacht Van Dis. "Daar zitten 120 mensen te eten en niemand kent me. Lekker. Ik eet wel McDonald's, maar de andere McDonald's-eters lezen me niet."

Maar misschien kijken ze woensdagavond dus wel naar dat Groot Dictee der Nederlandse Taal. Van Dis mocht als tekstschrijver Arnon Grunberg opvolgen. Zou dat een eer zijn of een opdracht, toch rekening houdend met de taalverschillen tussen Nederland en Vlaanderen. Geen eer, geen opdracht: "Als een soort zoete wraak", zo ziet de schrijver de vraag. "En leuk. Ik ben zelf een ontzettend slechte speller. Dus dacht ik: laat ik nu eens proberen anderen te doen struikelen over onze taal."

Maar meteen: "De sport zit er volgens mij niet in moeilijke woorden te verzinnen. Als je maar eindeloos door het woordenboek bladert, vind je van alles. Maar waar ik zelf vaak mee zit, is of iets al dan niet aan elkaar moet. De tekst schrijven was een gedoe, omdat ik al schrijvend juist alle moeilijke woorden en lastige constructies vermijd. Ik gebruik ze nooit. Dus heb ik nu maar eerst een verhaaltje geschreven om te weten wat ik eigenlijk wilde zeggen. En dan heb ik er 'de idioot' op losgelaten. Want je zult maar praten zoals het Nationaal Dictee ons gebiedt te praten... Dan zou ik zeggen: opsluiten."

Toch gek. Tussen zijn debuut Nathan Sid uit 1983 en Tikkop uit 2010 zitten meer dan 25 boeken. Gevierd schrijver ook: de Gouden Uil in 1995 voor Indische duinen, zelfs de Groenman Taalprijs in 2007 voor zijn "helder en creatief taalgebruik". Toch een "beroerd speller", het zijn Van Dis' eigen woorden. "Mijn vader leerde me schrijven toen ik vier was en ik mocht snel een klas overslaan. Maar toen bleek dat ik schuinschrift had geleerd, terwijl het rechtop moest zijn. Daar raakte ik totaal van in de war, omdat ik iets moest leren waarvan ik dacht dat ik het al kon. Als ik een opstel schreef, wat ik héél graag deed omdat ik dan lekker kon zwammen, gaf dat altijd een regenwoud van streepjes omdat ik in mijn opwinding niet aan spellen dacht. Je kunt dat wel leren, maar ik heb er een slecht geheugen voor."

Vandaag noemt men zoiets dyslexie. Van Dis knikt. "Iedereen heeft het, zoals iedereen autistisch is. Al blijkt dat laatste nu weer te liggen aan het fijn stof. Maar dyslexie was het bij mij zeker niet. Ik verbind wonderlijk en herken niet altijd een woord. Zo heb ik de neiging om 'smichien' te schrijven in plaats van 'misschien'. Gelukkig past mijn spellingsverbeteraar dat automatisch aan. Een arts heeft me ooit uitgelegd dat ik als kind een ernstig vitaminegebrek gehad moet hebben, waardoor de taalfunctie in mijn hersenen beschadigd werd. Dat vond ik wel grappig. Ik ben geboren uit een moeder met een hongeroedeem, ze wist niet eens dat ze zwanger was. Maar zou het dat zijn? Zou het niet gewoon iets medisch zijn? Ik weet het niet. Ik kan immers wel goed rijmen, wat toch ook een taalverbinding is. Dat kan ik zelfs in alle talen, schrijven en praten in rijm. Maar wat moet je ermee? Ja, ik ben een ouwe rapper.

"Juist omdat ik slecht spel, ben ik zeer kritisch en lees ik wat ik schrijf twintig keer opnieuw. Zelfs hardop. Mijn redacteur bij de uitgeverij heeft dus geen extra werk met me. Ik vind het trouwens goed dat er afspraken zijn en dat er een soort standaard is. In Parijs zat ik zes jaar lang in een groepje dat elke eerste maandag van de maand samenkwam om Shakespeare te lezen. We lazen al zittend in een kring, iedereen kreeg een rol, na een tijd mocht ik Henry IV spelen en zo sterven. Ik ben erg goed in sterven. Maar het is toch fantastisch dat we Shakespeare in een oude editie kunnen lezen en dat ik het nagenoeg allemaal begrijp? Vondel kunnen we niet meer lezen, Hooft kunnen we niet meer lezen. Wat veel erger is. Zelfs een schrijver uit 1930 kunnen we niet meer lezen. Terwijl de Fransen wel nog Ronsard begrijpen. Iedereen heeft het over 'wortels' en 'identiteit' en al dat gezwets, wel: hier heb je iets dat met wortels en identiteit te maken heeft. En we moeten niet hurken. Het is de taak van de leraar dat de leerling stijgt. (fijn:) Dat is Bordewijk, een schrijver uit 1930."

Hij woont niet meer in Parijs. Acht jaar deed hij dat wel, onder meer in het zesde arrondissement, chique buurt waar geliefden naartoe trekken om verjaardagen te vieren. Wat een verschil met het houten huisje in de Achterhoek, bij Zutphen, waar Adriaan van Dis vandaag woont. "Parijs wilde dingen van me die ik niet meer wilde", glimlacht hij. "Het was fantastisch en heerlijk en ik mis het enorm. Maar het was natuurlijk wel druk. En ik miste het groen. Telkens als in de Jardin du Luxembourg het gras werd gemaaid, kreeg ik de tranen in mijn ogen. Niet van de hooikoorts, maar van het verlangen naar een tuin.

"Op een gegeven moment blijven er dingen aan je trekken. Dan las ik Le Monde dat een paar duizend Afghaanse jongens tussen 11 en 16 door de stad liepen, verdwenen in de grijze economie, en dan wilde ik erachteraan. Maar dat had ik genoeg gedaan en voor het boek waar ik nu mee bezig ben, moest ik veel archiefwerk in Nederland doen. En eerlijk: ik verdien in Nederland wat ik in Parijs opmaakte en gek genoeg gaat opmaken sneller dan verdienen.

"In Parijs stapte ik van mijn eigen sociaal erf. Ik ging met hele rijke mensen om, maar via mijn werkster kwam ik ook in het milieu van de illegalen terecht. Ik stapte uit mijn kooi. En Parijs was een sociaal laboratorium. Het leerde me over het verkleurend Europa in een verkleurende wereld. De economie is geel en Parijs is de meest Afrikaanse stad buiten Afrika. Heel interessant is dan dat migranten hun cultuur zo sterk vasthouden. Dat zag ik al in de Nederlands-Indische gemeenschap waar ik zelf uit voortkom, Indië ligt nu gewoon in Den Haag. En Dakar 1960, dat vind je in Château d'Eau in Parijs. Daar zitten nog de waarzegsters, je kunt er levende kippen en gedroogde visjes kopen. Ben je in Dakar zelf, dan kopen ze liever uit de diepvries."

Hij weet dat we makkelijk praten hebben. "U en ik lezen wel eens een boek", zegt hij. "En wij moeten de trap niet delen met een Somalische vluchteling." En: "In Parijs liep ik in die buurten rond met mijn creditcard in de kontzak, dan sloop ik wel eens de hel in, maar nadien kon ik weer terugkeren." Dan is het makkelijk praten. Makkelijk relativeren dat 'de mensen maar moeten verdragen dat die Afrikanen hun muziek een beetje harder staat'. "Dat is inderdaad kletspraat", aldus Van Dis. "Ik heb altijd gezegd: voor elke euro die je aan een nieuwkomer geeft, zou je ook een euro moeten geven aan de achterblijver voor wie het te snel gaat. Want eigenlijk is elke stem die aan die ideale schoonzoon van jullie, die Filip Dewinter, wordt gegeven een schande voor de progressieve partijen."

Dat legt hij uit: "We zijn te lang open geweest en we hebben nooit echt een goede rechtse partij gehad. Elk land heeft zijn prullenbak voor sentimenten nodig. Dat hebben we ontkend. Er lopen immers ook ongelooflijk vervelende rotjongens rond. Maar tegelijk denk ik dat we in Nederland te veel dingen goedgepraat hebben na de dood op Pim Fortuyn. Links kreeg plots de schuld van alles en je zag dat zelfs in de kranten doorslaan. Die wending in de journalistiek vond ik een van de opmerkelijkste vaststellingen."

Het gaat over zo veel. De hele discussie over hoofddoekenverbod, bijvoorbeeld. "Wat je verbiedt, wordt veel belangrijker. Ik vind dat gezichten zichtbaar moeten zijn, maar verder vind ik het prima. We hebben ook mensen met keppeltjes en sikhs met een tulband. Toen ik als kind in de trein naar Breda zat om mijn grootouders te bezoeken, zaten er nonnen die veel meer toegelapt waren dan menig moslim. Dat gaat voorbij. Maar als je het verbiedt, wordt het een dracht van protest en het geloof een manifestatie van identiteit. Door het verbod op de hoofddoeken in openbare scholen in Frankrijk is het aantal katholieke scholen toegenomen. Want daar mag het wel. Vanuit de gedachte scheiding kerk-staat beslist een centrumrechtse regering tot zo'n verbod en dan gebeurt dit. Toch ongelooflijk."

Het gaat over 'halalhuizen' in Nederland. "Een huurhuis waar in de vestibule een kastje staat voor je schoenen. Die mensen hebben de properheid om niet met hun strontschoenen binnen te gaan, zoals je dat ook niet in Japan of Indonesië doet. Ze wassen zich voor het gebed. Dat geloof heeft dus iets propers en schoons, maar wat hoor je op radioprogramma's als standpunt.nl? (met overdreven Hollands accent:) 'Het moet niet gekker worden.' Toen wij nog in een Indisch repatriantenhuis woonden, kwam er al iemand van het maatschappelijk werk langs met de opmerking dat we te veel in bad gingen. Mijn moeder zei: 'Hollanders, van buiten blink, van onder stink.' Wel, het herhaalt zich. Wat vreemd en anders is, al is het persoonlijke hygiëne, roept kennelijk angsten op.

"Ach, op den duur passen we ons allemaal aan en zal het normaliseren. En als het ons economisch beter gaat, dan gaat het ook voorbij. Daar ben ik zeker van. Maar nu moet iemand de schuld krijgen. En dan is het zo goed om The Herald Tribune te lezen: 'The Dutch are islamizing every problem.' Dat doen we inderdaad."

In De wandelaar, zijn boek uit 2007, schrijft Adriaan van Dis een gebed. Daarin deze gedachte: "Ik geloof in de mens die per ongeluk is en daar het beste probeert van te maken."

Nu hij weer in Nederland woont, ziet hij die mens in de Achterhoek. In de bus. In de McDonald's. In de bibliotheek. Het is de eeuwige fascinatie. "Ik ben meer geïnteresseerd in mensen en hun fantastische inconsequenties dan in theorieën. De geschiedenis loopt op straat. Gisteravond zat ik in Den Helder te eten naast vier vrouwen die over hun mannen bezig waren. (fluisterend) In-sléchte vrouwen waren het, maar wat ik hoorde waren geweldige verhalen. Een van hen was gescheiden van een man die een strafblad had. Nu had hij ergens een baan en ze was van plan dat van zijn strafblad te gaan melden bij die nieuwe werkgever. Uit wraak. En die andere vrouwen waren het daar van harte mee eens. (lacht) Op zo'n moment ben ik een voyeur met hele grote oren. Nu ben ik met een totaal ander boek bezig, maar zo gebeurt het toch dat zo'n verhaal zomaar je boek inwandelt. Daarvoor heb ik dus altijd Muji-notitieboekjes bij. Ik maak een aantekening die ik ooit eens kan gebruiken. Misschien speelt die vrouw ooit wel eens een rol in mijn boeken."

Dat gebed indachtig: misschien zijn we maar per ongeluk, maar kunnen wij toch maar van geluk spreken dat we hier geboren zijn. Bangladesh had net zo goed gekund.

"Dat klopt, en dan was je kind misschien gisteren verbrand in een naaiatelier", zegt Van Dis. "Maar het geluk ergens geboren te worden kan ook een tijdelijk geluk zijn. Negen procent van de hele wereldbevolking is blank, al doen we net alsof de hele wereld wit is. Misschien komt er wel een ander continent naar voor dat met een zekere minachting op ons neerkijkt, gevolgd door een lange geschiedenis van uitbuiting en discriminatie. Ik weet het niet. Als ik nu geboren zou worden, koos ik misschien China. Al kon ik dan niet kiezen wat ik wilde worden. Of Afrika, een continent dat mogelijk eindelijk kans krijgt."

Hebt u dat gevoel echt? Door de internationale focus op de islam, de voorbije tien jaar, leek Afrika helemaal vergeten.

"Misschien was het wel goed dat er zo weinig over gepraat werd. Toen wij in Nedeland de loep legden boven de islam, ging het met 'onze Surinamers' plots stukken beter. Ik hoop het zo vreselijk dat Afrika die kansen krijgt, al is het aan het continent zelf ook om zich van al die corrupte leiders te ontdoen. En je moet hopen dat Afrika opnieuw zijn grenzen vindt, want veel van de problemen komen voort uit de opgelegde structuur. Uiteindelijk hebben ze alle grondstoffen die wij zo hard nodig hebben. Wanneer zullen ze inzien dat ze die zelf moeten beheren in plaats van zich te laten leegroven?"

Afrika, snel bij Zuid-Afrika: op de achterflap van Het beloofde land (het boek op tafel) staat zijn liefde voor land en taal. So verskeur en vertrap soos hy is, so onbegryplik is sy bekoring. Het is even geleden dat hij er was, in 2013 trekt Van Dis er nog eens heen om de vertaling van Tikkop kracht bij te zetten. De liefde is groot gebleven. Dat hij vanavond voorleest uit Ronelda Kamfers werk toont dat. En op een recente literaire rondreis van tien dagen door Turkije ("langs particuliere scholen waar de helft rijke kinderen zaten die dan betaalden voor de andere helft uit armere milieus, dat klonk heel rechtvaardig") trok hij met de Zuid-Afrikaanse dichteres Antjie Krog rond. Natuurlijk was haar land een van de vaste gespreksonderwerpen.

In haar land zat de kiem van zijn schrijverschap. "Ik ontdekte het werk van Van Wyk Louw en las hoe hij zich, terwijl hij in Parijs was, afvroeg wat hem nu iemand van Afrika maakte. Dat bleek alleen maar het dorpje te zijn waar hij geboren was en zijn jeugd in dat continent. Dat raakte mij bijzonder en ik vroeg me zelf af: wat heeft me het meest gevormd? Dat was dat dorpje en die unieke jeugd tussen al die op drift geraakte mensen. Toen realiseerde ik me: ik heb een verhaal te vertellen en ik ben de enige die het kan vertellen want ik heb het meegemaakt."

Dat verscheen in Nathan Sid, een boek geboren uit een kookrubriek in deNRC. Die op drift geraakte mensen waren zijn ouders, zijn familie, de restanten van een Indisch-Nederlandse erfenis en het trauma van alle repatrianten die gedwongen terugkeerden uit die Nederlandse overzeese gebieden. "Van mijn tekorten heb ik mijn schrijverschap gemaakt", zegt hij. "Al is ook dat weer makkelijk te zeggen. Er zijn er veel bij wie dat niet lukte omdat ze slecht naar school gingen, omdat hun ouders dronken waren of omdat ze geen liefde kregen. En ondanks het feit dat ik een vader had die me vaak sloeg, denk ik wel dat hij dit deed uit liefde of om me hard te maken. In ieder geval heb ik mezelf dat wijsgemaakt om het leven draaglijk te maken."

Uw vader overleed toen u tien was. Het kan een vreemde vraag zijn, maar toch: mist u hem wel eens?

"Je zou bijna kunnen zeggen dat het een geluk bij een ongeluk was dat hij zo vroeg stierf. Het had immers heel slecht kunnen aflopen. Hij was een militair die mij in een pas had willen laten lopen waar ik niet in paste. Dus of ik hem mis? Niet meer. Zoals ik het ook niet deed toen hij pas dood was. Maar als jongen van zestien miste ik wel een soort voorbeeld. Een man die je leert hoe je je moet scheren. Een man die je viool leert spelen. Een man waar je een glas bier mee gaat drinken. Dat zie je wel eens in de reclame en dan ontroert me dat. Dat heb ik nooit kunnen doen.

"Het grootste verraad was natuurlijk dat hij zo jong doodging. Vergeet niet: hij werkte niet en was de hele dag thuis. Als ik thuiskwam, stond hij voor het raam met zijn handen in de broekzakken. Ik wist toen maar één ding: later wil ik ook een beroep waarbij ik met mijn handen in de broekzakken voor het raam kan staan. En dat héb ik! Ik ben een schrijver."

Zelf heeft hij geen kinderen. "Dat durfde ik niet. Ik was heel bang. Ik was als de dood dat ik zijn drift in mij zou dragen. En zo nu en dan merk ik dat. Tegen computers kan ik heel erg zijn en als de dame van mijn gps me ergens heen wil sturen waar ik helemaal niet wil zijn. Maar tegen mensen heb ik die drift nooit."

Via zijn vader en zijn afkomst en hoe hij zegt dat hij zijn verhaal misschien wel 'verliteratuurd' heeft, komt dit gesprek bij Boudewijn Büch terecht. Exact tien jaar geleden is het dat Büch stierf, naar aanleiding van die verjaardag gaf Adriaan van Dis een Boudewijn Büch-lezing om de financiering van een biografieproject op gang te brengen. Van Dis en Büch kenden elkaar goed, al sinds het begin van de jaren zeventig. "Hij was een wonderlijke fantast, maar het is jammer dat we neigen alleen daarnaar te kijken en zijn andere kwaliteiten laten ondersneeuwen. Daarom is het goed dat die biografie er zou komen.

"Iedereen wilde overigens graag bedrogen worden door Boudewijn. Hij schreef elke week een televisierecensie voor De Nieuwe Revu terwijl ze daar heel goed wisten dat hij twee maanden op reis was naar allerlei eilanden. Pijnlijkst was Boudewijns eenzaamheid. In het begin kon hij met zijn eigen jokkebrokken lachen, maar later niet meer. Dan kon hij geen oude getuigen meer gebruiken en werd hij eenzamer."

Met Büch deelde u de liefde voor het reizen, maar in uw lezing zei u dat met ouder worden de behoefte aan het fysieke reizen wegvalt.

"Ik heb ingezien dat de verbeelding belangrijker is dan het fysieke decor. Vroeger ging ik vaak op reis en als ik Harry Mulisch dan zei dat ik een half jaar was weggeweest, zei hij: 'Had je een half boek kunnen schrijven.' Maar het was wel goed om in Sumatra te zijn en zelf te voelen in welke omstandigheden mijn vader er had gewerkt."

Net verscheen een boek dat ook van u kon zijn: de Franse auteur Philippe Claudel schrijft in 63 hoofdstukjes over geuren en welke herinneringen die brengen.

"Zoals de madeleines van Proust, dat is heel interessant. Maar mijn hele werk zit er vol van. Het betekent inderdaad alles voor me. Ik heb mijn moeder ooit geïnterviewd en toen begon ik zelf over geuren: hoe rook de regen? Of Indonesisch fruit? Als je een doerian openbreekt, dan gaat er een vulkaan van vanille, stront en knoflook open. Met geuren komen verhalen vanzelf. Vanmorgen had ik het nog bij mijn vriendin. De kaas rook naar sambal en meteen was ik in Indië."

Nog één vraagje: straks gaat u nog één keer Hier is... Adriaan van Dis presenteren, uw legendarische boekenprogramma. Waarom?

"Dat is op verzoek van De wereld draait door, dat een serie programma's rond heimwee maakt. Ik vind het toch een uitdaging om dat programma nu voor een miljoen mensen te maken in de tijd van het zapapparaat, het ongeduld en de kicks. Natuurlijk zat er toen manifestatiedrang in me, maar ik vond het toch leuk om vensters open te zetten. Het was niet elitair, in mij zit een soort onderwijzer die mensen enthousiast wil maken. Fay Weldon die vertelde hoe ze de ene dag schreef en de volgende dag gewoon de vuile sokken van onder het bed van haar zoon moest halen... Dat vonden mensen leuk, omdat ze voelden: dit gaat ook over mij."

Toch nog een allerlaatste vraagje. Als laatste was hij de gast van Jan Leyers bij Zomergasten, een programma dat hij ooit zelf jaren presenteerde. Hoe vond hij de kritiek op Leyers? "Ach, ik lees het allemaal niet meer. Je bent immers zo goed als je gast. En samen waren we heel goed."

Een kijker schreef: "Ik wou dat Adriaan van Dis mijn oom was, dan kon hij me elke avond een verhaaltje voorlezen."

Dat doet hem glimlachen. "Er was ook een vrouw die schreef dat ze een hond heeft die niet tegen mannenstemmen kan. Tot ze mijn boek als luister-cd aan die hond liet horen. Sindsdien kan hij mannen wel hebben. Daar doe je het voor natuurlijk."

Het Groot Dictee der Nederlandse Taal, geschreven door Adriaan van Dis en voorgelezen door Martine Tanghe en Philip Freriks, is woensdag om 21.10 uur te zien op Canvas.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234