Zondag 15/09/2019

'Ik ben een beetje bang om te veel over mezelf te vertellen'

De geluksindustrie draait op volle toeren. Want het lijkt wel of half België met een burn-out te kampen heeft. Gaat het dan zo slecht met ons? De Morgen reisde van De Panne naar Hamont en stelde pendelaars de simpele vraag: 'Hallo, oe is 't?' ça va, zo lijkt.

De kracht van een treinreis schuilt volgens de Britse schrijver/filosoof Alain de Botton in de wisselwerking tussen wat we voor ons zien, en de gedachten die in ons hoofd rijzen. Hoe zelfbespiegelingen die vaak blijven steken, worden vlotgetrokken door het voorbijschuivende landschap. De trein als ideaal transport richting dialoog.

Terwijl mensen me (be)zien in de reflectie van het raam en ze snel wegkijken. Terwijl schapen, knotwilgen en autobanden voorbijglijden, en ze leunend op een arm op het klaptafeltje naar buiten koekeloeren, vraag ik hoe het met hen gaat, met ons, met u. It's worth a try.

De Panne, beeld zonder klank

'Ça va', dat is wat er boven het hoofd hangt van een grijzige, oudere man in de wachtzaal van station De Panne, het beginpunt van deze trip. Een grote poster met de woorden 'ça va'. Ik vraag de man hoe het met hem gaat. Hij zegt heel traag "Ça va". En dan nog eens, maar dan nog trager en met berusting: "Ça va". Zijn uitgerafelde wangen kleuren wijnrood en hij kijkt loodrecht voor zich uit. Even hoest hij een rochel op, wordt nog roder en wrijft haastig met de palm van zijn klamme handen over zijn donkere, ribfluwelen broek. Einde gesprek.

Ik voel me een puber aan de bar van een chirofuif, die na het binnenklokken van een glas Pisang Ambon zijn groene snor afveegt en vol zelfvertrouwen op een meisje afstapt, en ze net dan naar de dansvloer ziet wegglippen, in de armen van die kerel met zijn brommer. Daar sta je dan.

Ça va, ça va.

Als je het dan nog eens vraagt, en die man zijn hoed dieper over zijn gerimpelde voorhoofd trekt, niks meer zegt, en met een beschroomde blik de andere kant opkijkt, tja, wat wordt deze reis dan? Een enkeltje eenrichtingsverkeer.

Er zitten hier acht mensen in de te grote wachtzaal. De Panne is bevangen door een rotwind. Je hoort een vlaglint tegen een paal wapperen en ziet een lege Lijnbus passeren. Geen dienst. In de wachtzaal zegt niemand iets en kijkt niemand op, uit schrik voor de studiemeester die met zijn lineaal je kneukels schroeit. Als de houten deur opendraait, hoor je het schuren van verroeste scharnieren en klimt de koude buitenlucht langs je benen omhoog. Dit wordt niks.

De boemeltrein met bestemming Lichtervelde is roodgekleurd. Het vertrek gebeurt met horten en stoten. De trein die alle knoken en botten aanwendt om als een oude atleet alsnog de looppas in te zetten. Een kleine oprisping, wat stoom aflaten en dan langzaam door de Westhoek marcheren. Ik zie Koksijde, Veurne, Diksmuide en ook een vrouw met een boek. Ze ziet me in het raam en voelt dat ik wil praten.

"Mevrouw." (Ze kijkt even op)

"Hoe gaat het met u?"

"Euh, met mij? Goed goed, dank u."

"Echt goed?"

"Eigenlijk wel. Wie bent u? En waarom vraagt u dat?"

"Ik ben journalist en vraag simpelweg aan mensen hoe het met hen gaat."

"Tja. Mensen zijn dat niet meer gewoon, die vraag. Ik ook niet, en al helemaal niet als een vreemde die stelt."

"U bent een van de eersten met wie ik verder geraak dan een paar zinnen."

"Dan heb je gewoon pech gehad, denk ik. Alhoewel, echt praten, dat gebeurt niet vaak meer. En ik kan het weten. Ik stel die vraag al mijn hele leven aan mensen. Als verpleegster ging ik 's morgens als eerste de ziekenkamers binnen en vroeg meteen: 'Hoe gaat het?'"

"Gaven mensen u dan een eerlijk antwoord?"

"Wat is eerlijk? 'Ça va', dat hoor je altijd. 's Nachts, als de meesten sliepen, dan had ik altijd de beste conversaties. Niks zo eenzaam als de slaap niet kunnen vatten in een ziekenhuis. Ook al ligt de gang vol mensen."

"U vertelde vooral? Of u luisterde?"

"Luisteren. Bij een kop koffie, op mijn bureau. Ooit stapte een man op me af met zijn hoofd tussen zijn benen. Hij vertelde me die nacht zijn hele leven. Hij was beenhouwer en werd opgenomen met levercirrose. Tegen klanten kon hij wel praten, over het weer, de koers en de slechte transfers van Club Brugge. Maar over zijn eigen leven praten ging niet. Hij geraakte aan de drank. Overal dronk hij een glas, of twee, of drie. De man ging naar de slachter om vlees en kwam dronken terug thuis. Hij heeft mij die nacht alles verteld. Over zijn beenhouwerij, zijn vrouw, zijn haperende relatie, zijn onkunde om zijn problemen te verwoorden."

"Waarom vertelt u me dat nu?"

"Twee weken na dat gesprek lag er een doodsprentje op mijn bureau. Die man had zelfmoord gepleegd. Hij heeft zichzelf geslacht als een varken. Om u maar te zeggen: we móéten praten."

"Mag ik uw naam opschrijven?"

"Neen. Liever niet. Ik ben nogal wantrouwig, een beetje bang om te veel over mezelf te vertellen. Je weet maar nooit. Dat heb ik van mijn man geleerd: om niet snel iets te geloven en afstand te houden. Ik moet er hier af. Bedankt. En veel succes."

Van Lichtervelde

nor Amerika!

Je weet maar nooit. Afstand houden. Wantrouwen. Een blauwdruk van de tijdgeest. Waarom is die vrouw bang? Ik draag geen bomgordel, geen lederhose, er is geen bloedende rundskop op mijn rugzak genaaid en in mijn hals kijkt geen Sugar Skull je in de ogen. Mijn uitstraling is die van een golden retriever. Ik kleef aan het raam en zie de vrouw vertrekken zonder gedag te zeggen. Ze kwam, ze zag en ze liet me achter. Is het de angst voor kwetsbaarheid die de vrouw weerhield de deur op een kier te zetten? We zijn van keramiek en zijn bang van de val, bang van die regenwolk die ons overal volgt.

Is het dan de angst om de angst? Angst om te praten en nadien angst om het resultaat. Je weet maar nooit wat ik er van maak. Angst voor de ander ook. Wat gaan ze wel niet denken als ik hier mijn ziel blootgeef. Ze, dat zijn de likers en de defrienders. In de wereld van de sociale media regeert de eenzaamheid.

Het zou toch ook makkelijk kunnen zijn. Tegen een vreemde zeg je vaker de waarheid dan tegen je vrienden. Dan wordt de bank in de coupé als de sofa bij de therapeut. Gaat u maar liggen. Kan ik bij niemand binnenkijken, even rondwandelen en het interieur beschrijven?

De setting is nochtans goed. Voorbij Lichtervelde trekt de regen schuine strepen op het raam. Een stil leven. De lucht is grijzer dan as. Er is een koe, een mesthoop, en een oudere vrouw met een regenkapje. Ze wacht aan een overweg, met haar rechtervoet op de linkertrapper. Dat vertrekt makkelijker.

Een paar treinbanken verder vertelt een man dat er negers zijn doodgeschoten in Amerika. Ik hoor een vrouw vertellen over een kleurboek voor volwassenen. En dat ge daar niet moet mee lachen. Ze heet Sigrid, komt uit Diksmuide en woont al haar hele leven naast de IJzertoren. In het gangpad thuis staat een replica in hout. Sigrid kan amper nog passeren. Maar hij is wel schoon, die toren.

Ze heeft een goede raad voor me: "Vintje, geluk dat haaldje ut mannekaar, een flasche bubbels en een glazetje. Ik ben een gelukkige minsch." Sigrid staat 's morgens op en groet de vogels. En ze droomt maar van één ding: "Ik wille nor Amerika! Maar nu goak nor mien dochter, achter een zatte kaffie. Bitje babbeln." En dan de man: "Amerika? Ze skieten mekaar daar de nek of."

Ik maak progressie.

James Dean in Kortrijk

Een jonge kerel leunt achterover op de groengeruite zitbank op het perron van Kortrijk. Hij gooit zijn linker- over zijn rechterbeen. Om zijn nek rust een koptelefoon, zo'n zwarte van Marshall. De kauwgum tussen de tanden, de nonchalante pose en het amberkleurige haar maken hem wat James Dean. Naast hem zit een knap meisje. Als de trein richting Oudenaarde aankomt, stapt hij als laatste op, kijkt het meisje secondenlang in de ogen en ziet de oude schuifdeuren net voor zijn neus sluiten. Ik vraag of het hem gaat lukken.

"Wat lukken? Fuck, gast."

Lukken om het meisje na de examens eens goed binnen te doen.

"Euh maat, the fuck."

Hij heet Luca en is zeventien. Na mijn uitleg over de treinreis is de taal niet meer gespierd. Luca woont in Asper en is aan zijn derde middelbare school toe. Hij studeert industriële kunsten. Hij zou treintafeltjes kunnen ontwerpen, of brievenbussen voor rusthuizen.

De twee vorige scholen waren voor Luca geen succes. Hij bleef een keertje zitten, wat niet fijn is voor een tiener. In het stationscafé́ van Oudenaarde drinken we een glas bier. Hij vertelt over Hamlet. Op een podium, daar is hij zichzelf, ontdaan van alle sociale druk. Luca voetbalde een tijdje bij Gavere, maar kocht onlangs een fiets. Dat past beter bij wie hij is. "Een Canyon. Dan waan ik me Cancellara en rijd alles van me af."

Sinds dit jaar is voor Luca het leven opnieuw interessant. Hij bekijkt dat leven nu met grote ogen, al bestaat het risico dat er een plakwaaier (vlieger, red.) in vliegt. "Ik heb het niet gemakkelijk gehad op die vorige scholen. Dat is zo zeker als je jong bent? Nu ben ik Peter Pan. Het leven als avontuur."

In Oudenaarde biedt een glazen wand bescherming tegen wind en regen. Luca steekt een sigaret op.

"Iedereen leeft in zijn eigen wereldje. Ook wij, de jongeren. Makkelijk hè, wat dingen posten op Facebook. Als je tegen de wind in fietsen moet, dan sta je er zogezegd alleen voor. Niet waar. Ik heb me al vaak somber gevoeld door die schoolwissels. Maar hey, ik kon terugvallen op mijn vrienden. Soms gaan we naar de zee en kijken naar het water. In wezen zoekt iedereen toch naar schoonheid. En als je die samen vindt, dan is dat fantastisch. Vind je die niet, help elkaar dan. Gast, bedankt voor de babbel. Vree wijs. Het gaat goed. En nu nog beter. O ja, dat meisje op het perron in Kortrijk: dat is gewoon een vriendin. Ze zit met iets, maar ze wil niet zeggen wat."

Sweatshops in Schellebelle

Is geluk dan zo makkelijk te vinden? Het is voor Luca niet moeilijk om zorgeloos geluk te vinden in twee bolletjes pistache op een golfbreker. Zeg dat aan de mensen van Ford Genk.

In de gesprekken die ik heb, wordt geluk gelinkt aan werk, of bij jongeren aan school. Werk is volgens de Rutger Bregmans en Dirk De Wachters van deze wereld vaak de aanleiding tot een barst in de keramiek. Of de weg naar zelfontplooiing. Is ons geluk echt in gevaar?

Ik schrijd door de boogvormige gang van Gent-Sint-Pieters. Spitsuur. We zijn muizen, en overal ligt er kaas. Waar zit die pauzeknop, dan kon ik iedereen vragen omhoog te kijken. Het plafond is hier fantastisch. Maar er is geen knop en de tijd tikt.

In een oogopslag zie je de bedreiging van ieders individueel geluk. Er staan mannen met groene en rode jasjes onder de glazen koepel aan de ingang. Dat het gedaan moet zijn. Ze vrezen voor hun job en worden weggeduwd door mannen met lange jassen en een laptoptas. Die plooien hun fiets op en demarreren naar het spoor. Want de crèche sluit en de vrouw is om eten. De reclames flitsen ons om de oren. Mode kost geen geld meer. Hier, megaprijzen. Koop je eigen geluk.

Er is ook de bedreiging van ons allemaal, het collectief geluk. Metro bericht over wankele munten, smeltende kappen, burn-outs en beulen met zwarte kappen. We zijn kuddedieren, maar als de kudde het zelf niet meer weet, is het goed liggen in de schaduw met vrouw en kind. Dat is het verhaal van Koen.

Op de lijn naar Brussel tref ik hem in Schellebelle. Hij buigt voorover en hamert op het toetsenbord. Zijn rug is bol als een boog en zijn opgetrokken knieën ondersteunen zijn tikkende handen. En godverdomme, wanneer komt er wifi in die stronttrein.

Koen moet naar China, hij werkt voor het Ieperse Picanol, de producent van weefgetouwen. In China wachten hem zes binnenvluchten en professionele bezoeken aan confectiebedrijven. Hij ziet soms Daens-toestanden, zegt hij, in de sweatshops. Het kan aan mij liggen, maar er zit geen ruis meer op de lijn. Mensen praten, vaak zelfs voluit, zonder dat ik mijn methodiek moet aanpassen.

Koen strekt de benen en rekt de rug. Hij is ingenieur en was een paar jaar geleden goed op weg om professor aan de KU Leuven te worden. Hij paste en trok zich terug aan de kust met vrouw en kinderen; hij koos voor pistache en golfbrekers. "Niemand heeft nog tijd", zegt hij. "Maar beelden we ons dat niet in? Ik werk in Ieper, mijn vrouw in Koksijde en ja, we hebben kinderen. En eerlijk? Het gaat echt goed met ons. Ik ben gelukkig, ja. En ik merk hetzelfde bij mijn vrienden."

We passeren Brussel en maken een lange lus door Vlaams-Brabant en Limburg. Er is Kortenberg, Erps-Kwerps, Veltem, later ook Leuven, Vertrijk, Tienen, Ezemaal, Neerwinden, om dan via Landen, Sint-Truiden en Alken in Hasselt te arriveren. Ik ben alle oriëntatie kwijt. De taal is nu het kompas. Gepensioneerde dames stappen af: Ach, ich ben er.

De regen is verdwenen. Wat rest, zijn bruinomrande strepen op de ramen. Het prikkende zonlicht laat Limburg langzaam opdrogen. Er lopen hier ook schapen en koeien. Als met het treintje door Planckendael, wachten op leeuwen. Ik heb tientallen gesprekken waarin het moeilijk is de code te kraken, keuvelarij is het hoogst haalbare. Toch hoor ik telkens goed nieuws. Is het bescherming, of is het waarheid. Dat het goed gaat en dat de kinderen gezond zijn. "Ech waar". Ik keer terug op de kaart en ga via Aarschot richting Lier.

Er begint niemand zelf een gesprek. De fotograaf zit overigens nooit naast me, om met z'n lenzen geen mensen af te schrikken. Toch zegt niemand spontaan gedag. Zal dat maar gewoon de volksaard zijn? Zwijgen en voortdoen wordt automatisch verbonden aan de Westhoek. Die mensen kroppen het daar toch allemaal op? In hun keel zit een brok zo groot als een bloemkool. En toch. Ook al neemt niemand initiatief, het zit schijnbaar goed, daar tussen die oren.

Woodstock in Antwerpen

In Lier legt het NMBS-personeel een ijzeren loopbrug aan. Herman schakelt in eerste en rijdt z'n rode scooter de trein op. "Keep on rocking boys, devil horns!" Hij draagt een zwarte pet van Fleetwood Mac. Aan zijn linkeroor, verstopt achter lang grijs haar, hangt een kleine ring. Herman is het soort kerel waar mensen voor terugdeinzen. Mensen die we catalogeren, dat maakt het makkelijker om te beheersen. Het zijn evenwel de Hermans in wie een bibliotheek aan verhalen schuilt. "Wat wil je weten, mijne man?"

Van kindsaf wist Herman dat hij ooit in zo'n elektrisch wagentje zou terechtkomen. Hij lijdt aan een neurologische aandoening: de ziekte van Charcot-Marie-Tooth. Het heeft hem nooit belet met de voeten vooruit te leven. Rock-'n-roll als soundtrack bij een rijk leven. The Stones, Beatles, Kinks, Dylan, Reed. Kom maar op.

Herman was zijn hele leven 'Dj Beton' - "Want rock was vroeger hard als beton", zwierf rond in de muziekwereld - "Ik ben de ontdekker van Slagerij Van Kampen!" - en was manager van coverband Enfant Terrible: "Stoten uitgehaald!" En Herman is gelukkig. Hij toont me een foto van zijn Braziliaans lief. Een brunette met ferme borsten. "Straks laat ik mijn leven hier achter en trek naar Brazilië. Misschien wel voorgoed. Mijn lief heet Nora Carolina Juliana Lucia de Morais. Ze stamt af van Prudente de Morais, de derde president van Brazilië, en is ook familie van Vinicius de Moraes, de auteur van 'The Girl from Ipanema'. Daar verschiet je van, hè?".

Herman heeft geen kinderen, althans niet bij zijn weten. Hij heeft van niks spijt. "Spijt is wat de koe schijt", zei Herman Brood. "Maak er niet te veel trammelant rond. Het leven, omarm het. Ik ga naar Belo Horizonte. Dat ze me daar maar het strand op rollen. Je mag het weten: ik voel me goed. En dat is de waarheid."

Als de Metro uiteengerafeld op de bank ligt, is de dag al bijna om. Als de mensen om je heen slapen dan wel zuchten, is het tijd om er een punt achter te zetten, om de avond als een zwart, koud deken over het land te schuiven. In Antwerpen-Centraal zoek ik een trein naar Hamont.

Op een arduinen zitbank zit een vrouw met rosse krullen. Ze heet Mieke en lijkt elektrisch geladen. Ik ga naast haar zitten. Ze eet een hamburger en ik zeg "Smakelijk". Na mijn korte relaas vraagt ze mijn perskaart. "Kun jij je legitimeren?"

Er hangt een slot om het gesprek.

Mieke vertelt over haar zoon, Bart Hollanders, die met Marie Vinck en Matteo Simoni deel uitmaakt van FC Bergman. Mieke is van Heide. Ik boemel met haar mee. Dat ze is verhuisd van Brasschaat naar Heide, kwam door de aantrekking van het groen. Het is schoon in Heide. Ze woont in een huis dat 'Heidelust' heet. Bij de buurman is dat 'Minnepoes'.

We drinken koffie in het café vlak bij het station. Ze vertelt over haar schilderijen in zijdekrijt, over haar rottweiler Fleur, over haar schetsboeken en haar job als verpleegkundige op medische beeldvorming. Ze zag laatst twee meisjes sterven aan kanker. Terwijl Mieke vertelt, zet Journey 'Don't Stop Believin' in. Het ijs breekt niet helemaal. Mieke zegt: "Hier is de grens, de rest is privé." Warm gesprek, maar ik dring niet door.

We blijven praten. Over de waarde van een gesprek. Dat het deugd doet, je gedachten ordenen. Er volgt nog koffie, een schunnige mop, ik loop bijna tegen een spiegeldeur en Miekes fietssleutel is niet te vinden in haar tas. Nog koffie, een half uur passeert. Ik vraag of het loof van Heide dan zo belangrijk is voor haar, om toch Brasschaat te verlaten.

En dan zegt Mieke, na lang aarzelen: "Ach ja, ik zal het u zeggen. Hier in Heide heb ik iemand leren kennen. Ik kies opnieuw voorzichtig voor de liefde. Mijn vorige mannen zijn gestorven. Mijn eerste man kon de kanker niet de baas. Hij stierf in mijn armen, dat was zijn laatste wens. Mijn tweede man verdween na een hartstilstand. En nu, ja, nu durf ik opnieuw. Ik heb diep gezeten. Veel te diep. Maar praten helpt. Ik heb zelf ook een testament. Als ik sterf, wordt mijn haar een rosse pruik. Maar ik kan lachen. Dat is hoe ik me nu voel: voorzichtig gelukkig."

Ze vindt haar sleutel en zucht: "Voilà. Allee, het deed deugd om je het dan toch te willen zeggen."

"Bedankt." "Bedankt."

Ik zie niks meer. Buiten is het zwart. Ik zie alleen mezelf in het raam. De steekproef was te klein om te kunnen concluderen. Er is niks wetenschappelijks aan. Maar de fond was wel positief. Zeg, 't gaat al goed, der is welvaart in 't land en de vrede ligt vast in de wetten. De trip was meer dan alleen Mieke, Herman, Luca of Koen. Velen droegen een pantser. Maar in ieder gesprek, hoe futiel ook, zat warmte.

Terwijl de rampspoed zich buiten ons huis kennelijk voltrekt, voelen we dat toch zo niet aan. Bij de Vlaming moet je eerst krabben en dan zien of je prijs hebt. En het resultaat van De Panne-Hamont is bescheiden winst. Het gaat eigenlijk wel. We moeten dat alleen durven zeggen.

---

OE IS 'T?

Maandag in De Morgen: Een aanzienlijke groep Vlamingen loopt het risico op een burn-out, maar heeft dat zelf niet door, zo blijkt ook uit een enquête die De Morgen samen met I-Vox uitvoerde. Maandag publiceren we de resultaten.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234