Zaterdag 11/07/2020

‘Ik ben de clown die in zijn caravan huilt als een kind’

Het moet een prachtig beeld zijn ten huize Van den Hoof. Drie jongens die in een deuk liggen met de fratsen van Kermit en Miss Piggy. Adriaan en zijn tweeling van drie jaar: Otto en Finn, het mooiste wat de acteur, dj en presentator is overkomen. Ja, ze hebben hem veranderd. ‘Altijd is er een soort angst dat er iets kan gebeuren’, zegt hij in een ontroerend portret, aan de vooravond van zijn nieuwe theatertournee Doortocht. Maar neen, ze hebben hem niet gekalmeerd: ‘Ik dacht: als die gasten er zijn, dan zal ik een soort rust vinden. Maar dat is niet zo. En als ik naar hen kijk, dan denk ik: hopelijk komen jullie wél met beide voeten op de grond terecht.’

et is halfelf ’s avonds wanneer 35-voudig wereldkampioen biljart én ridder Raymond Ceulemans zijn stokken in een koffer stopt, zijn beige jas aantrekt en de deur van Café Sport, op het stationsplein van Leuven, achter zich dichttrekt. Aan twee andere tafels wordt verder gespeeld, op het scherp van de snee. Ervoor zitten mensen alles nauwkeurig te volgen. Een vrouw schiet ons met haar ogen dood, zodra we luider dan op fluistertoon praten.

Tegen de muur nipt Adriaan Van den Hoof van zijn glas witte wijn. De 38-jarige acteur, theatermaker, presentator en dj, drinkt geen bier. Hij heeft ooit een overdosis gehad, vertelt hij, negen jaar geleden. Elke zomer draait hij met Jimmy Dewit en Frank Somers, zijn twee partners in crime bij Discobar Galaxie, vier dagen aan een stuk in de tent van Stella Artois, achteraan op de wei van Rock Werchter. “De eerste keer was het alsof we twee draaitafels en één tapkraan hadden”, vertelt hij. “We hebben vier dagen aan een stuk bier gezopen, tot ik ben beginnen hallucineren.” Sindsdien heeft hij nooit nog een glas bier aangeraakt. “Maar ik vind het wel vervelend dat ik met een groep vrienden op café niet meer kan zeggen: ‘Mannen, vier pintjes?’”

Adriaan Van den Hoof repeteerde de voorbije week in het Depot, de culturele tempel naast Café Sport, voor zijn nieuwe theatertournee Doortocht. De opvolger van het succesvolle Achterklap gaat vanavond en morgen in Leuven in première en doet daarna 33 steden en gemeenten aan. Het deed hem deugd, zegt hij, om deze week nog eens in de stad te zijn waar hij tot zijn achttiende zijn jeugd heeft doorgebracht, vooraleer hij naar Antwerpen en later naar Lier verhuisde. Wanneer de nacht valt, wordt hij warm van het vernieuwde plein voor het station. “Precies als Italië”, roept hij.

In het restaurant waar we gaan eten zit toevallig zijn zus, die hij minder vaak ziet dan hij zou willen. “Ik was de oudste van vier”, vertelt hij. “Ik zie mijn broers en zus graag. En het moment dat we elkaar nodig hebben, zijn we er ook voor elkaar. Maar verder hebben we weinig contact, behalve dat we elkaar wel eens bij mijn ouders tegen het lijf lopen. Iedereen heeft zijn leven. Ik zou hen liever vaker zien. Ik ben jaloers op vrienden die wel zo’n hechte familie hebben. Maar hoe cru het ook klinkt en hoe graag ik hen ook zie, je kiest je familie niet zelf. Ze zijn er. Dus moet je elkaar ook niet verplichten om elke week af te spreken.”

Van den Hoof fleurt helemaal op als hij na het eten naar de collega’s van Raymond Ceulemans mag kijken. “Voor hen moet dit de mooiste avond van de week zijn. Al die mannen met hun wit hemd en grijze gilet, dat is toch gewoon van: ‘Jongens, die avond is het vanaf acht uur grote Stella’s en biljarten. En niets anders.’” Hij mijmert even, en zegt dan: “Het moet geweldig zijn als je zoals die mannen één iets echt goed kunt. Biljarten, snowboarden, surfen...”

Ik zeg hem dat hij zichzelf eens moet bezig horen: Adriaan Van den Hoof, lid van het populairste dj-collectief van het land, na 2ManyDJ’s. “Ja, maar wij hebben niet het gevoel dat we dat echt goed kunnen”, vertelt hij. “Discobar Galaxie, dat is gewoon plaatjes draaien.” Is hij dan jaloers op het leven van Stephen en David Dewaele, superstar-dj’s, die de ene avond in Miami draaien, en de volgende in Tokio? “Neen, maar als zij een half jaar in New York willen gaan wonen, en daarna drie maanden in Japan, dan kunnen ze dat ook”, zegt hij. “Zij hebben geen kinderen.”

Weegschaal

Als één iets het leven van Adriaan Van den Hoof heeft veranderd, dan wel de geboorte van zijn tweeling, Otto en Finn, drie jaar geleden. Sindsdien komen er soms gevoelens bij hem los waarvan hij niet wist dat hij ze had. “Er gebeurt iets vreemd zodra je vader wordt”, vertelt hij. “Altijd is er een zekere angst aanwezig dat er iets kan gebeuren. Vorige week liep een van mijn jongens bij mijn ouders zomaar, plots, de straat over. Ik ben woest geworden. Op hem. Op mezelf. Op mijn ouders. Op alles en iedereen. Uit angst. Alle doemscenario’s die ik me maar kon voorstellen flitsten ineens voorbij. Iets wat ik vroeger nooit had.”

Daartegenover staan de onvergetelijke momenten van oprecht geluk, wanneer hij naar Otto en Finn kijkt en zichzelf herkent, de man die altijd kind is gebleven en nog altijd tot tranen toe bewogen wordt door films, tv-series of jeugdhelden die anderen al lang opgeborgen hebben in de doos met jeugdherinneringen. Als Van den Hoof praat over The Muppet Show, Chips, Miami Vice, Star Wars of zijn allergrootste helden Superman en Batman, dan doet hij dat zoals Bart De Wever over de Vlaamse identiteit of Michel Wuyts over een ontsnapping van Tom Boonen. Dat deed hij in Achterklap, en dat doet hij nu opnieuw in Doortocht, waarin hij de nostalgie naar zijn jeugd tot zo’n immense proporties opblaast - het verdwijnen van de cassetjes die we voor onze liefjes in elkaar stopten of van de ouderwetse aperitiefhapjes zoals drie asperges uit blik, opgerold in een stuk hesp - dat het buitensporig hilarisch wordt. Het doet me denken aan een uitspraak van Christian Bale, de acteur die in Batman Begins en The Dark Knight in de huid kroop van een van Van den Hoofs superidolen. In het tijdschrift GQ zei Bale: “I do like taking stuff seriously that other people look at as nonsense.” Ik gooi de uitspraak van Bale voor de voeten van Van den Hoof halverwege ons eerste gesprek, in het Oost-Vlaamse dorp Herzele, waar hij anderhalve week geleden het plaatselijke cultureel centrum een paar dagen ter beschikking kreeg, zodat hij er rustig Doortocht kon repeteren. Van den Hoof kijkt me aan en zwijgt. “Ik word er helemaal door ontroerd”, zegt hij uiteindelijk, gemeend.

Een week later in Leuven vertelt hij dat hij nog vaak over de quote heeft nagedacht. “Ik neem serieus wat anderen flauwekul vinden. Maar ik neem dat en dat en dat en dat serieus”, vertelt hij, over het verschil tussen hem en acteurs pur sang als Wouter Hendrickx of Koen Degraeve. “Ik sta op één of andere manier graag in de belangstelling, maar toen ik vooral voor theater werkte, dacht ik: ‘Shit, ik kan nu niets voor televisie doen.’ Dus heb ik een pak dingen afgezegd, maar als ik dan veel voor tv werk, denk ik: ‘Shit, ik zou graag meer voor theater doen.’ Het is als een weegschaal, waarop je twee dingen naast elkaar in evenwicht probeert te houden. Vroeger probeerde ik een weegschaal met vijftig platformpjes in evenwicht te houden. Nu wordt mijn weegschaal langzaam maar zeker tot twee platformpjes herleid, maar af en toe komen er, hup, weer twee nieuwe bij. Dat zijn telkens nieuwe keuzes die ik moet maken. Artistiek, maar ook privé.”

“Als je kinderen hebt, zeg je: ‘Dat zijn mijn gasten, en daar focus ik me op.’ Andere dingen moeten daarvoor wijken, maar dat kan me nu niet meer schelen. Zij zijn prioriteit. Elk interview dat ik nu gedaan heb, zeggen de journalisten: ‘Amai, jij hebt het druk.’ Maar dat beeld klopt niet helemaal. Er zijn veel dagen waarop ik gewoon van ’s morgens tot ’s avonds thuis zit. Bewust. De cameraman van Aspe, die zowat elke Vlaamse film en serie gedraaid heeft, zei me: ‘Ik heb mijn eigen kinderen niet zien opgroeien.’ Ik ben blij dat ik dat wel kan, ondanks alles wat ik doe. Ik kan tot vier uur ’s nachts platen draaien maar om acht uur opstaan om bij mijn kinderen te zijn. Dat is lastig, maar het gaat.”

“Mijn moeder zei onlangs: ‘Wij hebben toch veel babysits gehad.’ In mijn herinnering lijkt dat zo niet. Mijn ouders waren er altijd. Ik zie in de crèche kids die daar om zeven uur ’s morgens zijn en om zeven uur ’s avonds worden afgehaald. Met alle respect voor die mensen, maar dan zie je je kinderen toch bijna niet? Dat moet toch moeilijk zijn?”

Waanzin

Bij Van den Hoof is alles waanzin. De manier waarop Christian Bale Batman neerzet. “Waanzin”, roept hij. Of de stunt die acteur Joaquin Phoenix recentelijk heeft uitgehaald, door zijn hele zogenaamde hiphopcarrière in scène te zetten en als complete loser in de talkshow van David Letterman te gaan zitten, die er met open ogen intrapte. “Komaan, dat is toch waanzin?”

Hij lijkt op Joaquin Phoenix, vindt hij. “Een meisje heeft dat eens op één of andere website geschreven. En het klopt. In Walk the Line zit een scène waarin Phoenix plots helemaal kapot gezopen in zijn bed ligt en je zijn hoofd in profiel ziet. Ik heb toen de film op pauze gezet. Dat was ik op het scherm. Waanzin!”

Ik zeg hem dat hij met ouder worden steeds meer lijkt op... “George Clooney?”, vraagt Van den Hoof. Neen, zeg ik. Michael Pas. Hij lacht. “Helemaal niet”, zegt hij. “Maar heb je Michael Pas al eens gezien in Code 37? Wat een boer zet hij daar neer. Waanzin!”

Van den Hoof kan eindeloos mensen bewonderen. Hollywoodsterren, maar evengoed Vlaamse acteurs en theatermakers. Tijdens de gesprekken vielen de namen van Wouter Hendrickx, met wie hij samen aan Studio Herman Teirlinck heeft gestudeerd, Bart Peeters en Marcel Vanthilt, zijn grote voorbeelden op tv, Damiaan De Schrijver en Koen De Graeve, naar wie hij met open mond kan zitten staren. “Na de première van Loft heb ik Koen een sms gestuurd: ‘Wat je daar neerzet, dat is waanzin!’”

Het meest bewondert hij Jimmy Dewit, alias dj Bobby Ewing van Discobar Galaxie, een van zijn beste vrienden. “Ik ben jaloers op de manier waarop hij in het leven staat. Hoe hij heel rigoureus kan zeggen: ‘Dat doe ik wel en dat doe ik niet.’ De aandacht hoeft voor hem niet. Hij kan heel schuw zijn. Soms is dat vervelend. Dan denk ik: ‘Komaan Jimmy, we doen dat gewoon.’ Maar dat siert hem ook. Hij moet niet in the picture staan.”

Jimmy doet Adriaan wat aan zijn vader denken, Marc Van den Hoof, de jazzkenner van Klara die zijn oudste zoon, toen hij tien was, meenam naar een concert van Miles Davis. “Mijn vader kan veel meer afstand nemen dan ik. Ik stort mij altijd direct helemaal ergens in. Mijn moeder heeft dat ook, net zoals mijn emotionele kant. We maken ons zorgen, we trekken ons van alles aan, we willen ons bewijzen... Terwijl mijn vader vindt: hoe minder aandacht, hoe liever. En toch doet hij wat hij moet doen: een goed radioprogramma maken. Hij heeft nooit de drang gehad om de ster te zijn. Soms zou ik me zoals hem als een soort monnik in alle rust willen focussen op één ding.

Hij had gedacht dat hij rustiger zou worden toen hij hoorde dat er een tweeling op komst was. In een interview met Johnny Depp las hij dat de superster vertelde dat zijn leven plots helemaal op zijn plaats viel toen hij kinderen kreeg. “Ik heb altijd gehoopt dat dat bij mij ook zo zou zijn. Ik dacht: ‘Als die gasten er zijn, dan zal ik een soort rust vinden.’ Maar dat is niet zo. Voor die jongens wil ik álles zijn. En als ik naar hen kijk, dan denk ik: ‘Hopelijk komen jullie wel met beide voeten op de grond terecht.’”

Hij leert het met vallen en opstaan, vader zijn. “Ik kan heel streng zijn”, vertelt hij. “Maar daarna zie ik daar altijd hard van af. Het is een verschrikkelijk moeilijk moment als je tegen je zoon moet zeggen: ‘Jij gaat nu in de hoek staan, want dat mag je niet doen.’”

Adriaan en zijn vriendin, de moeder van Otto en Finn, beslisten onlangs om uit elkaar te gaan. “Maar we gaan zeker samen voor die jongens zorgen”, vertelt hij. “En elk op onze beurt een zo geweldig mogelijke ouder proberen te zijn. Annelies is een fantastische moeder. We zijn nog altijd met twee voor die jongens.”

Familie

Marc Van den Hoof komt vaak ter sprake in interviews met Adriaan. Net als zijn moeder en jeugdboekenrecensent Annemie Leysen. Zij was een van de negen kinderen van Bert Leysen, radioverslaggever bij het toenmalige Nationaal Instituut voor de Radio-Omroep (NIR). In 1952 werd hem gevraagd, na een stage bij de BBC, om de Vlaamse Televisie op te richten, de voorloper van de VRT. Zeven jaar later kwam hij om het leven in een verkeersongeval. “Dat heeft iets over die familie geworpen”, vertelt Van den Hoof. “Ik wil niet zeggen traumatisch, maar het heeft een impact op die kinderen gehad. Als ik nu foto’s van hem en zijn vrouw zie, dan is dat Hollywood. Mannen in smoking, prachtige vrouwen, auto’s, rode lopers... Dat was het bestaan van dat gezin. In één klap viel dat weg. Iedereen in dat gezin had een soort drang om iets te betekenen, om iets te zijn... Ze hebben dat ook allemaal gerealiseerd.”

Het had ook een keerzijde voor Adriaan. “Als je uit zo’n familie komt, dan is er altijd kritiek op wat je doet. Toen ik voor vtm zou werken, was dat een issue. Er werd gezegd: ‘Dat zal hij toch niet doen?’ Dat heeft natuurlijk te maken met het verleden: trouw blijven aan de openbare omroep. En zo is alles altijd wel een issue. Zo van: ‘Zou hij toch niet beter theater blijven spelen?’ Euh, waarom?”

Hij had ook een grootoom die pastoor was, over wie hij dolgraag een stukje in Doortocht had gesmokkeld. “Maar dat kan niet meer”, zegt hij. “Als ik vertel dat mijn nonkel pastoor was, dan verwacht het publiek niet dat ik het zal hebben over een vrolijke kerel die geweldige moppen kon vertellen. Dan moet ik minstens zeggen dat al de rest allemaal pedofielen zijn. En dat wil ik niet. Omdat ik het allemaal zo smerig vind wat ik nu moet lezen dat ik geen goesting heb om daarover iets te zeggen.”

Nog een andere pastoor was van grote invloed op het gezin Van den Hoof: Herman Servotte, ooit nog vicerector van de KU Leuven. “We gingen altijd naar de mis waar hij de homilie deed. Dat was een flamboyante, integere en intelligente pastoor, die met een witte Saab reed. Een fascinerende mens. Toen hij overleden was, zei mijn vader: ‘En nu geloof ik niet meer.’ Van toen af had hij niet langer het gevoel dat hij nog naar de mis moest.”

Emotieloos

“In ben stabiel-labiel”, vertelt Adriaan Van den Hoof in Herzele, anderhalve week voor de première. “Ik kan plots in een enorme depressie terechtkomen, en als daarna iets juist in elkaar valt, word ik extreem euforisch. Dat is altijd zo in de aanloop naar een voorstelling. Je denkt: ‘Ik kan niets.’ Plots krijg je een idee dat blijkt te werken. En dan word je weer gelukkig. Met dat gevoel moet je een repetitie beëindigen, zodat het de hele avond kan nazinderen. Anders lig je uren in je bed te woelen. En dan is het alsof mijn lichaam zich tegen mij keert. Ik begin te bibberen. Ik geraak in extreme paniek.”

Als het hem zoveel angstzweet en kopzorgen bezorgt, dan kan je je afvragen waarom hij dat eigenlijk nog doet. Vanaf vanavond, als hij voor het eerst weer op de planken staat, zal hij dat weten. “Dan overvalt je een moment van opperste geluk. Niets vind ik plezanter dan op een podium staan en zeggen: ‘Mensen, je gelooft nooit wat ik heb meegemaakt.’ En voor je ’t weet ben je anderhalf uur verder. Het is een deel van mijn bestaan. Het geeft me een reden om te leven. Een vlieg staat ’s morgens op en zit de rest van de dag op een stront. Misschien zijn er veel mensen die hun leven op die manier ervaren. Ze staan op, wassen zich, drinken een tas koffie, rijden naar Brussel en zitten de rest van de dag op een immense kak. In vergelijking daarmee is wat ik doe ongelooflijk plezant. Dat besef je pas als je op die planken staat. Een speler zijn, dat is mijn taak op deze wereld. Stel dat ik iets anders zou gaan doen. Dat ik boer word. Of meubelmaker. Wat zou ik het dan niet missen om ’s avonds een maatpak aan te trekken en nog eens anderhalf uur opnieuw te beleven wat ik deed toen ik kind was.”

Als kind vroeg de rest van de familie aan Adriaan met Kerstmis of hij niet de pakjes wilde uitdelen. Als puber speelde hij toneel bij de scouts. En op feestjes breakdancete hij. De dj legde een hiphopplaat op, er werd een cirkel gevormd en Adriaan ging in het midden staan. Hij is het altijd blijven doen, op zijn manier. En toch, het heeft een keerzijde, de hele tijd de vrolijke Frans uithangen. “Je kan heel duister zijn”, aldus Adriaan. “Ik probeer die gevoelens te onderdrukken, maar het gaat nooit helemaal weg. Soms kom je thuis en lijkt het alsof alles instort en alle gewelven op je kop vallen. Dan word ik ineens een sombere mens.”

“Mel Gibson, die is gewoon evil geworden”, vertelt Van den Hoof. “Ik begrijp dat. Bij hem moeten die gevoelens nog veel extremer zijn. Toen ik in de toneelschool zat, was ik soms helemaal fucked up, omdat er emotioneel zoveel van je verwacht wordt. Je moet spelen dat je op iemand verliefd wordt, en daarna dat je iemand gaat vermoorden... Daar kan je emotieloos van worden. Die gevoelens vervagen. Je weet niet meer of je nu triest dan wel gelukkig bent.”

Ik vraag of het dan moeilijk is om met hem samen te leven. Hij antwoordt eerst dat iedereen dat waarschijnlijk heeft. Een winkelier of een ober in een restaurant moet ook de hele tijd tegen iedereen vriendelijk zijn. “Ik kan me voorstellen dat die ook heel luid ‘Fuuuuuuuck!’ roept als hij thuis komt. In ons geval is het de clown met de traan, die door een brandende hoepel springt, maar daarna in zijn caravan zit te huilen als een klein kind.”

Daarna zegt Van den Hoof: “Misschien is het inderdaad wel ingewikkeld om met zo iemand samen te leven. Misschien is het zo dat je dan emotioneel complex in elkaar zit. Misschien. Ik weet het niet. Ik merk dat ik de laatste tijd soms hardop tegen mezelf praat. Iets wat ik vroeger nooit deed.” Hij lacht, even. “Misschien is dat het begin van totale waanzin.”

Het gevaar van de discobar

Het is weer druk in Leuven. Studenten komen op straat. Het is weer druk in Leuven. Studenten komen op straat...

Tienduizend jongeren gaan uit hun dak zodra DJ Bobby Ewing en DJ Lars Cappaldi, alias Jimmy Dewit en Frank Somers, de eerste woorden van het beroemde nummer van Noordkaap over een tsjokvolle Oude Markt laten rollen, in een eindeloze loop. Achter het duo staat DJ Loveboat alias Adriaan Van den Hoof, de kap van zijn sweater over zijn hoofd getrokken, microfoon in de achterzak. Manager Dirk Dejonghe brengt twee pintjes en een glas witte wijn naar de discobar. Het is donderdagavond tien uur wanneer het mooiste plein van Leuven volledig uit de bol gaat tijdens de zogenaamde Student Kick Off, een gratis festival voor studenten. Voor ze het goed en wel beseffen, zitten al die jongens en meisjes op een rollercoaster die hen van The Prodigy over Black Sabbath naar de Bloody Beetroots en Boney M brengt. ‘Het Gevaar van de Discobar’ is vertrokken. “Leuven! Are! You! Ready!”, schreeuwt Adriaan. Een gigantisch langgerekte “Yeeeeeeaaah!” keert als een boemerang terug. Op het gezicht van Van den Hoof verschijnt een even brede glimlach.

Ergens tussen al dat volk moet die ene jongen staan, die Adriaan de dag ervoor in de straten van zijn geboortestad tegenkwam. “Die jongen vroeg me: ‘Is het goed dat ik jou een hand geef?’ Ik zei: ‘Geen probleem.’ Daarna zei hij: “Een foto nemen zou een beetje belachelijk zijn, zeker?” Ik antwoordde: ‘Ja, dat zou inderdaad belachelijk zijn.’ Waarop hij verder stapte, keigelukkig.”

Adriaan vertelt het verhaal na de dj-set van Discobar Galaxie, die hem duidelijk goed heeft gedaan. Iets meer dan een uur heeft hij zich kunnen uitleven als een bokser op een bokszak, alle stress van zich af springend en dansend en roepend. Drie jaar geleden stond hij tijdens Marktrock op hetzelfde podium voor hetzelfde plein met dezelfde vrienden. Aan de zijkant stonden toen vader en moeder Van den Hoof. “Jarenlang hebben mijn ouders nooit naar Discobar Galaxie komen kijken”, vertelt hij. “Ik weet nog dat ons mama eens zei: ‘Waarom doe je dat nu nog altijd?’ Toen hebben we alle drie eens onze ouders uitgenodigd. We wilden dat ze toch minstens één keer gezien zouden hebben wat er gebeurt als er 15.000 mensen op de Oude Markt dansen op onze muziek. Gedurende anderhalf uur stonden onze zes ouders op één rij op dat grote podium. Achteraf zei mijn moeder: ‘Ik begrijp het nog altijd niet, maar het ziet er wel plezant uit.’”

Nochtans, het heeft een logische reden waarom Adriaan, Jimmy en Frank na vijftien jaar nog altijd platen draaien. En waarom ze dat waarschijnlijk over vijftien jaar nog altijd zullen doen. Het is namelijk wat elke vader doet. “Ik zie al mijn vrienden veranderen als ze vader worden”, zegt hij. “Ze gaan zaalvoetbal spelen, worden lid van een groep wielertoeristen, gaan biljarten... Wij camoufleren dat, doordat we nog altijd plaatjes kunnen gaan draaien. Het is een moment voor onszelf, met de kerels. Elke man heeft dat nodig. Anders functioneer je als man niet meer. Sinds Sex & the City hebben de vrouwen dat blijkbaar ook nodig.”

De avond voor Discobar Galaxie de Oude Markt op zijn kop zette, de avond dus waarop we naar Raymond Ceulemans in Café Sport gaan kijken, zegt hij: “Vanmiddag kwam Jimmy een synthesizer voor de voorstelling brengen. Je had dat moeten zien, de smakelijkheid waarmee hij zei: ‘Spreken we morgen al niet om halfzeven in café Den Allee af, om in te pilsen?’ Die gasten die hier aan het biljarten zijn, dat is net hetzelfde.”

Van den Hoof kijkt nog eens naar de mannen in wit hemd en grijze gilet en vraagt: “Ken je die mop met die blauwe oogschaduw? Er was eens een man die naar een hoer ging. Achteraf vroeg hij haar: ‘Heb je toevallig geen blauwe oogschaduw? Zij zegt van wel en gaat het doosje halen. Daarop smeert die man heel zijn hoofd in met die oogschaduw en vertrekt. Als hij thuis komt, roept zijn vrouw: ‘Waar heb jij gezeten?’ Hij zegt: ‘Sorry, ik ben naar de hoeren geweest.’ Zijn vrouw roept: ‘Gij leugenaar, ge zijt gaan biljarten!’”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234