Dinsdag 21/09/2021

InterviewSuzanne Simard

‘Ik adviseer mensen altijd om af en toe 5 minuten naast een boom te gaan zitten en ermee te communiceren’

null Beeld HUMO
Beeld HUMO

Suzanne Simard (60), professor aan de Canadese University of British Columbia, is één van de opmerkelijkste wetenschappers van het moment. Al bijna vier decennia verricht ze baanbrekend onderzoek naar de geheimen van het bos, en ze ontdekte onder meer dat bomen met elkaar communiceren. In haar boek Op zoek naar de moederboom, dat ook verfilmd zal worden in Hollywood, spoort ze ons aan tot meer zorg voor oude bossen.

Zelfs als haar naam geen belletje doet rinkelen, bent u toch vertrouwd met het werk van Suzanne Simard, want terwijl zij in de schaduw bleef, vonden haar ideeën en ontdekkingen hun weg naar de populaire cultuur. De Duitse boswachter Peter Wohlleben putte uitgebreid uit haar werk voor zijn boeken, zoals de internationale bestseller Het verborgen leven van bomen. Blockbusterregisseur James Cameron liet zich voor de Tree of Souls in Avatar door haar onderzoek inspireren. En Simard stond model voor één van de personages in ‘Tot in de hemel’, de roman waarmee Richard Powers in 2019 de Pulitzerprijs heeft gewonnen. Met Op zoek naar de moederboom, geen droog wetenschappelijk boek, maar een soort memoires waarin ze behalve over haar onderzoek ook over de hoogtes en laagtes in haar privéleven vertelt, treedt Simard eindelijk uit haar geliefde bos en voor het voetlicht.

Het verhaal van een jonge en verlegen maar vastberaden bosonderzoekster die met haar research dwars tegen de gevestigde wetenschappelijke orde inging, jarenlang werd uitgelachen maar uiteindelijk gelijk kreeg en onze visie op de natuur grondig veranderde, terwijl ze ondertussen zelf niet door het lot werd gespaard (Simard verloor haar geliefde broer en moest enkele jaren geleden een dubbele borstamputatie ondergaan nadat een agressieve kanker bij haar werd vastgesteld), leest als een filmscenario, en dat hebben ze in Hollywood óók gemerkt. De rechten van het boek werden, na een naar verluidt stevige bidding war, in de wacht gesleept door de productiemaatschappijen van – toch niet de minsten – Jake Gyllenhaal en Amy Adams. Die laatste zal in de verfilming wellicht ook de hoofdrol vertolken. Straks dus op een bioscoopscherm in uw buurt. Maar eerst leest u er hier zo niet alles dan toch véél over.

Waarom heeft het zo lang geduurd voor u met een boek kwam?

“Het onderzoekswerk slorpt heel veel tijd op, ook omdat bomen nu eenmaal traag groeien. En ik had ook nog twee dochters groot te brengen. Maar ik merkte wel dat anderen boeken schreven die grotendeels op mijn werk gebaseerd waren, dus moest het volledige verhaal eens verteld worden. Ik wilde tonen waar mijn werk is begonnen: ik ben opgegroeid in het bos, ik kom uit een familie van houthakkers, en dat heeft een invloed gehad op mijn activiteiten en ideeën als wetenschapper. Ik vond het belangrijk dat mensen weten waar de wetenschap vandaan komt: dat ze uit het hart is ontsproten, en niet zomaar als een appel uit een boom is geplukt en in een boek gepleurd.

“Ik werk hier nu al vier decennia aan. Je kunt massa’s wetenschappelijke artikelen schrijven en nog altijd niet gehoord worden, want die worden maar door een select kringetje van wetenschappers gelezen. In Canada, waar de houtindustrie zeer groot is, wordt nog altijd te veel bos volledig gerooid. Van het iconische oerbos in Brits-Columbia, waar ik woon en werk, is er amper 3 procent overgebleven. We moeten dringend ingrijpen, voor de bossen zich niet meer kúnnen herstellen. Ik wilde een boek schrijven waarin op een begrijpelijke manier wordt uitgelegd hoe bossen functioneren en wat de bosbouw- en de houthakkersindustrie verkeerd doen, zodat mensen zelf actie kunnen ondernemen.”

Het boek is een maand uit in de VS. Merkt u aan uw mailbox dat uw stem nu wel wordt gehoord?

“Mijn mailbox is ontploft. (lacht) Ik ging onlangs een paar dagen backpacken, maar voor de rest heb ik de voorbije twee maanden non-stop interviews gegeven. Het boek is al aan de derde druk toe. Dus ja, ik denk dat de boodschap wel aanslaat.”

U beschrijft uitgebreid uw jeugd in de bossen van westelijk Canada.

“Het bos, en dan vooral de majestueuze oerbossen van Brits-Columbia, was een deel van ons leven. Als tiener was het niet mijn droom om iets met bossen te doen: boswerk was toen nog iets voor mannen, en veel te gevaarlijk voor vrouwen. Ik had echter het geluk dat de deur net op een kier stond voor vrouwen toen ik naar de universiteit ging. Ik twijfelde nog of ik schrijver wilde worden of eerder iets in de wetenschappen wilde doen, toen een vriend me erop wees dat sinds kort ook meisjes in de richting bosbouwkunde werden toegelaten. Ik moest even opzoeken wat dat juist inhield, en toen wist ik meteen: dat wil ik doen.”

Als werkstudente en later als jonge onderzoekster deed u al research waarmee u wilde aantonen dat houtvesterij en bosbeheer totaal verkeerd werden aangepakt. In een door mannen en vastgeroeste opvattingen gedomineerde omgeving was dat niet evident.

“Ik was nogal verlegen, en het haantje-de-voorste uithangen lag helemaal niet in mijn aard. Maar ik zag het onrecht dat het bos werd aangedaan. Mijn eerste job als bosbouwkundige was bij een commercieel houtvestersbedrijf. Daar deed men nog op grote schaal aan clearcutting: hele delen van het bos worden volledig gerooid, inclusief alle laaggroei en de bomen die commercieel niet interessant zijn. Maar ik had mijn grootvader destijds iets héél anders zien doen: hij hakte zeer selectief, zodat het ecosysteem intact bleef en hij bomen kon blijven omhakken. Zo had hij het van zijn voorgangers geleerd.

“Als je zo bent opgegroeid, kijk je natuurlijk met grote ogen naar de praktijken in de commerciële houthakkerij. Het idee was daar dat inheemse planten moesten worden verwijderd, omdat ze alleen maar voedingsstoffen weghaalden bij de commercieel waardevolle coniferen. Volgens mij klopte dat niet. Ik was met die planten opgegroeid, ze waren mijn vrienden (lacht). Waarom zou je die allemaal omhakken of verdelgen? Ik vóélde dat het verkeerd was, en dat probeerde ik ook duidelijk te maken, maar ik kreeg heel veel tegenwind. Zeker als jonge vrouw moest je in dat milieu weten waarover je het had, anders werd je compleet genegeerd. En ik wérd geridiculiseerd, maar ik verzamelde steeds meer wetenschappelijke bewijzen en verhief steeds vaker mijn stem in het debat. Ik ga niet zeggen dat ik vandaag onaantastbaar ben, maar na meer dan tweehonderd artikelen in wetenschappelijke tijdschriften en bijna veertig jaar onderzoek wordt er toch al iets beter naar me geluisterd. (lacht)

In de bosbouwkunde ging men er altijd van uit dat alles draaide om de wet van de sterkste, zoals in veel andere systemen in de natuur. Uw vermoeden dat bomen – zelfs van verschillende soorten – samenwerken om elkaar te versterken, ging daar lijnrecht tegen in.

“Dat had ik gezien in de bossen uit mijn jeugd. Bomen en planten vormen gemeenschappen en daarbinnen vervullen ze een bepaalde rol. Hoe het precies werkte, wist ik toen nog niet.

“De fixatie op concurrentie bepaalde alles in de bosbouwkunde: ongewenste planten werden verdelgd, bomen werden verder uit elkaar gezet en uitgedund als ze groter werden. Het hele proces stond in het teken van de grootste en snelste opbrengst. Door die werkwijze waren er echter veel ziekten en infecties op de plantages en raakten veel bomen misvormd of verzwakt. We misten dus iets, en ik wilde uitzoeken wát.

“In de landbouw zie je trouwens net hetzelfde. Daar worden nog altijd veel insecticiden gesproeid en wordt een pak geld besteed aan kunstmest en de ontwikkeling van genetisch gemanipuleerde gewassen, terwijl diversiteit en slimme combinaties van gewassen veel beter zijn. Je hoeft niet eens zo ver te kijken: in onze eigen moestuin staat ook alles in aparte rijtjes, ver van elkaar. Inheemse Amerikaanse volkeren wisten wel beter en gebruikten de zogenaamde Drie Zusters-techniek, waarbij mais, pompoenen en bonen door elkaar werden gekweekt. Met gezondere planten en een hogere opbrengst als gevolg.”

Uw onderzoek leidde tot de ontdekking van het wood wide web, het ondergrondse netwerk waarmee bomen met elkaar in contact staan en elkaar helpen door voedingstoffen, water en zelfs informatie uit te wisselen.

“Alle bomen ter wereld zijn verbonden met mycorrhiza – letterlijk: ‘zwamwortel’. Dat is meteen een goeie omschrijving van de relatie tussen zwammen en de boom. De zwam hecht zich met zijn schimmeldraden aan de worteltoppen van de boom en zo ontstaat een relatie: de zwam krijgt suikers van de boom – aangemaakt via fotosynthese, iets wat de zwam niet kan omdat daar zonlicht voor nodig is – en de zwam gebruikt die suikers om schimmeldraden aan te maken die diep in de grond dringen om daar voedingsstoffen en water te halen die hij aan de boom geeft. Die schimmelnetwerken verbinden meerdere bomen. Sommige zwammensoorten kunnen ook samenwerken met meerdere boomsoorten, zodat ze verschillende bomen in het bos met elkaar kunnen verbinden.

“Het systeem is ingenieus: jonge boompjes die in de schaduw staan en weinig energie aanmaken via fotosynthese, krijgen via het netwerk extra voeding van de oudere bomen. Bomen die in de winter hun bladeren verliezen, krijgen dan weer extra energie van naaldbomen die wel groen blijven. Zo’n netwerk zorgt ervoor dat het bos als gemeenschap gezond en weerbaar blijft.”

Het is een harmonieus systeem waarvan iedereen beter wordt?

“Dat is iets te sterk uitgedrukt. Soms haalt de ene partij meer voordeel uit de samenwerking dan de andere, en je hebt ook parasieten. Maar het geheel is in balans. Het uiteindelijke doel is een gemeenschap creëren die sterker is dan de som der delen.”

Die netwerken kunnen ook dienen om waarschuwingssignalen uit te sturen, zoals bij een insectenplaag of een ziekte.

“Wij hebben experimenten gedaan met douglassparren: als je die verwondt met een schaar of er schadelijke wormen op loslaat, zie je bijna onmiddellijk een waterval van biochemische reacties. Die signalen gaan via het zwammennetwerk meteen naar planten in de buurt, die prompt meer verdedigingsenzymen produceren. Ik heb alleen onderzocht welke signalen ondergronds worden doorgegeven, maar andere wetenschappers hebben aangetoond dat bomen elkaar ook via de lucht kunnen waarschuwen.”

Kan zo’n ondergronds netwerk een heel bos verbinden?

“Wij bestuderen maar kleine stukjes bos, omdat het in kaart brengen van al die connecties zeer lastig en tijdrovend is. Maar via computermodellen kunnen we wel inschatten hoe groot die netwerken zijn. Daaruit blijkt dat ze eindeloos kunnen doorgaan. Bomen die een kilometer van elkaar staan, zijn wellicht niet rechtstreeks met elkaar verbonden, maar wel via allerlei tussenverbindingen.”

Een belangrijke rol is weggelegd voor de oudere, grotere bomen. U noemt hen moederbomen.

“Zij zijn alleen al door hun omvang zeer belangrijk: ze hebben een enorm wortelsysteem, met ook zeer veel fijne wortels waar zich grote netwerken van schimmeldraden aan hechten. Eén moederboom kan met honderden andere bomen verbonden zijn. Hun enorme kruinen maken via fotosynthese ook zeer veel energie aan, die ze aan de omgeving doorgeven. De schimmels, bacteriën en jonge boompjes organiseren zich rond die centrale punten. De moederbomen verbinden letterlijk het bos. Maar ze kunnen ook erg veel koolstof opslaan én zijn belangrijk voor de biodiversiteit, omdat ze dieren en vogels huisvesten.”

U ontdekte ook dat stervende moederbomen een zeer belangrijke rol spelen.

“Als oude bomen stervende zijn, sturen ze tonnen energie en informatie het ecosysteem in. Ze geven in een laatste inspanning alle koolstof die ze nog hebben aan de bomen in de buurt, en laten hun eigen nakomelingen het meest profiteren. Ze maken wel degelijk het onderscheid tussen hun eigen nakomelingen en die van andere bomen.

“Moederbomen lijken hun wijsheid door te geven aan de volgende generatie en leren ze alles over wat goed voor hen is en wat niet, over wie ze te vriend moeten houden en wie hen vijandig gezind is, en hoe ze zich aan veranderingen moeten aanpassen. Na hun dood vergaan ze en vormen ze de voedingsbodem voor jonge boompjes.

“In de bosbouw heeft men daar geen boodschap aan en worden stervende bomen zo snel mogelijk omgehakt. Daar ziet men een stervende boom vooral als een hoop dood hout waar nog iets aan verdiend kan worden. Maar zonder moederbomen zijn de nieuwe bomen weesjes. Ze worden aan hun lot overgelaten en hebben daardoor minder overlevingskansen. Het is een lastige opdracht om dat duidelijk te maken aan mensen in het bosbeheer.”

null Beeld Diana Markosian
Beeld Diana Markosian

BREIN IN DE GROND

De zwammennetwerken hebben net als de netwerken in ons brein knooppunten. Maar er zijn nog opvallende overeenkomsten.

“Door de netwerken wordt glutamaat heen en weer getransporteerd, en dat is toevallig ook een neurotransmitter in ons brein. Meer nog, het is de neurotransmitter die het meest voorkomt. Dat betekent niet dat we een brein in de grond hebben ontdekt, maar de structuur en de chemie van die netwerken vertoont er wél gelijkenissen mee.”

HUMO Wat de vraag doet rijzen of we die systemen een bepaalde intelligentie moeten toekennen.

“Wij denken altijd dat intelligentie alleen op onszelf van toepassing is. Het woord komt van het Latijnse intelligere: ‘communiceren’, ‘waarnemen’ of ‘begrijpen’. Bomen doen dat ook, dus in die zin kunnen we ze evengoed ‘intelligent’ noemen. Mensen reageren beledigd als we planten of bomen zo omschrijven, maar de netwerken in het bos zijn hoogontwikkelde systemen. Bomen, planten en schimmels zijn met grote precisie op elkaar afgestemd én in staat zich snel en efficiënt aan veranderende omstandigheden aan te passen. Is dat geen intelligentie? Omdat bomen en planten geen zenuwstelsel hebben, is die natuurlijk niet te vergelijken met onze intelligentie. We hebben er nog geen woord voor, dus houd ik het voorlopig op intelligentie. (lacht)

Moeten we onze relatie met bomen en planten dan herzien? Wetenschappers als Monica Gagliano onderzoeken al jaren of planten een geheugen, een bewustzijn en een vorm van intelligentie hebben.

“De manier waarop we tot nog toe met bomen zijn omgegaan, heeft in elk geval niet zo goed gewerkt voor ons. We hebben onze bossen vernietigd. Prairies, savannes en moerassen hebben het moeilijk. Allemaal omdat wij vonden dat we over de natuur konden heersen en haar dus konden plunderen.

“Als we haar echter als een gelijkwaardige partner beschouwen en erkennen dat we samen een systeem vormen én de plicht hebben om samen te werken, zou de uitkomst heel anders zijn. We kunnen naar oude culturen in de hele wereld kijken die de mens zien als een onderdeel van één groot systeem. Hun samenlevingen waren duurzaam en welvarend. De onze zit nu zwaar in de problemen. We moeten opnieuw leren bekwame hoeders van de natuur te worden, en van inheemse volkeren kunnen we leren hoe dat moet. Maar ook de wetenschap heeft grote vorderingen gemaakt. We moeten het beste uit beide werelden samenbrengen om onze ecosystemen te herstellen.”

GEEN GRIZZLY’S MEER

Er is wellicht veel dat we nog niet weten. Wat zijn de belangrijkste vragen die u nog graag beantwoord wil zien?

“Ik ben nu 60, ik ga niet meer het veld in voor experimenten. Ik heb mijn portie grizzly’s, zwarte beren, wolven, stortbuien en vervelende insecten wel gehad, want die horen óók bij dit werk. (lacht) Maar íémand zou eens alle schimmels en schimmelnetwerken in het bos moeten inventariseren, want we hebben nog altijd maar zicht op een heel klein deel ervan. Dat laat ik graag aan anderen over.

“Ik heb nu de handen vol met het Mother Tree Project, dat ik in 2015 heb gestart. In een zogenaamde ‘klimaatregenboog’ in Brits-Columbia – negen experimentele bossen met een totale oppervlakte zo groot als Denemarken – passen we onze ideeën op de bosbouw toe. We bekijken hoe bossen het doen als we de moederbomen niet kappen, zodat ze zaden kunnen leveren voor de volgende generatie. Dat vergelijken we met de standaardprocedure, waarbij de oude bomen het veld moeten ruimen en daarna jonge bomen worden geplant. We kijken naar de impact op een heel aantal factoren: wat betekent het voor de biodiversiteit, voor de groei en de veerkracht van een bos? Wat is de impact op de koolstofopslag? We willen achterhalen hoe je bossen kunt beheren die zowel gezond en duurzaam als zeer productief zijn, én ook nog eens bestand tegen de niet geringe uitdagingen die de natuur nog te wachten staan. Daar werk ik nu aan met een twintigtal studenten, en dat zal ik waarschijnlijk doen tot ik mijn laatste adem uitblaas. (lacht)

Weten we al wat de klimaatverandering voor de bossen betekent? Zullen ze massaal afsterven, of kunnen de zwammennetwerken redding brengen?

“Bomen kunnen migreren naar hogergelegen gebieden, waar de temperatuur iets lager is, maar dat doen ze zeer langzaam. In het beste geval schuiven ze een paar meter per jaar op, maar om de opwarming voor te blijven, zouden ze duizend meter per jaar moeten migreren. Ze kunnen zich ook aanpassen, maar dat vergt duizenden jaren. De derde optie is dat ze sterven.

“We merken dat de bossen een beetje naar het noorden opschuiven, maar we zien vooral veel bossen die sterven van de stress. De kans dat ze in de hele wereld massaal afsterven, is dus zeer reëel. Maar de mens kan de migratie een handje helpen door zaden die aan een warmer klimaat aangepast zijn, noordelijk te planten. Zo kunnen de bossen langzaam veranderen en in stand blijven. We moeten dat ook doen voor onszelf. Als bossen afsterven, gaat alle CO2 die erin zit opgeslagen recht de atmosfeer in.”

null Beeld HUMO
Beeld HUMO

KEVERPLAGEN

In Canada en Noord-Amerika hebben keverplagen in de bossen al tot een kaalslag geleid. Komt dat ook door de klimaatopwarming?

“De grootste plaag was die van de bergdenkever, die in de Verenigde Staten en Canada 40 miljoen hectare bos heeft gedood. Dat was een rechtstreeks gevolg van de klimaatverandering. Normaal is die kever net nuttig voor het bos en doodt hij alleen oude of verzwakte bomen, maar door de combinatie van warmere winters en droge, hete zomers kon hij zijn gang gaan. Ook omdat door het blussen van bosbranden veel bomen zo groot konden worden dat hun bast de ideale kweekplek was voor de larven van de kever. We hebben momenteel ook grote plagen bij douglassparren en andere soorten. Insecten zijn nu eenmaal dol op een warmer klimaat.”

Branden kunnen toch ook goed zijn voor het bos?

“In drogere streken worden bossen vaak door branden getroffen: daar hebben ze zich aangepast. Na een brand weten ze hoe ze de stikstof die verloren is gegaan snel weer kunnen aanvullen. Zaden hebben zich aangepast om snel te kunnen groeien op verbrand, open terrein. Een brand vernieuwt het bos: hij verwijdert de ondergroei en verzwakte bomen. Maar bij het blussen van bosbranden kunnen ‘brandstofladders’ ontstaan: bomen en struiken die ervoor zorgen dat het vuur tot in de kruinen kan klimmen. Zo ontstaan megabranden die amper nog te bedwingen zijn en enorme verwoestingen aanrichten. Combineer dat met warmere temperaturen en méér onweders met zware bliksem, en je krijgt een gevaarlijke cocktail.”

Het boek toont ook mooi hoe uw leven en uw werk altijd met elkaar verweven waren. Toen u research begon te doen naar jonge boompjes, was u een prille twintiger. Toen u moeder werd van twee dochters, onderzocht u of moederbomen hun nakomelingen herkennen. En toen u kanker kreeg, bekeek u wat er met stervende moederbomen gebeurt.

“Ik wilde duidelijk maken dat wetenschap iets zeer menselijks is. Mensen denken vaak aan witjassen in een laboratorium, maar wetenschap komt uit onze ervaringen en ons hart – net als muziek en poëzie. Zeker in de VS heerst vandaag veel wantrouwen tegenover de wetenschap, en dat komt voort uit onwetendheid. Ik wilde tonen dat angst voor de wetenschap nergens voor nodig is, door te laten zien waar ze vandaan komt.

“De westerse wetenschap heeft de mens gebannen. Het enige wat wij wetenschappers proberen te doen, is de wereld rondom ons beter begrijpen, maar we vergeten soms dat we zélf deel uitmaken van die wereld. We hebben onszelf te veel tot objectieve waarnemers herleid, zien maar een deel van het plaatje en missen de magie van het geheel. Ik wil dat we weer een deel van de natuur worden – dáárom heb ik dit boek geschreven.”

U trekt ook subtiele parallellen tussen hoe uw familie in tijden van vreugde en tragedie dichter bij elkaar komt, en hoe bossen elkaar in lastige tijden ondersteunen.

“Ik zie het bos als een sociaal systeem, waarin de verschillende planten, bomen en organismen allemaal een eigen rol vervullen. Ze helpen elkaar. Sommige planten zijn goed in stikstof vasthouden, andere in water naar boven halen, weer andere in zonlicht omzetten in energie. Er ís competitie, maar de grondstoffen worden gedeeld. En zo gaat het ook in menselijke gemeenschappen: we concurreren, maar we delen ook veel dingen. Wij hebben een sociaal vangnet van scholen, ziekenhuizen en rechtbanken. De manier waarop een bos is georganiseerd, lijkt daar heel goed op.”

Is het te vergezocht om gelijkenissen te zien tussen u en een moederboom? Als moeder van twee dochters en met een aantal studenten onder uw hoede geeft u naar beste vermogen uw kennis, ervaring en genen aan de volgende generatie door.

(glundert) Mijn twee dochters zijn ook bezig met boswetenschappen. Ze hebben het zelf beslist – van mij mochten ze doen wat ze wilden – en dat vind ik toch wel mooi. Maar die gelijkenis met de moederboom is niet te vergezocht: zo zie ik het ook.”

U lijkt er ook voor te pleiten om, naast de harde wetenschap, ruimte te laten voor spiritualiteit. Dingen die we niet kunnen verklaren, kunnen soms even waardevol zijn als koude feiten en cijfers.

“Wij zíjn spirituele wezens. Voor mij is dat ook onze belangrijkste bron van geluk. En een groot deel van die spiritualiteit komt uit onze connectie met de natuur. Wij hebben de kracht en de schoonheid van de natuur altijd geprezen en vereerd. In onze kunst en religie, in onze liederen en muziek… Het gaat over waar wij leven, over onze thuis. Hebben bossen een geest? Wel, ze bevatten onze geest, en ook die van onze voorouders.

“Enkele jaren geleden had ik een vergadering op het land van het Snohomish-volk. Ken Workman, de achterachterachterachterkleinzoon van Chief Seattle (legendarisch opperhoofd van de Suquamish en Duwamish in het noordwesten van de VS, red.) was er ook, en hij vertelde hoe zijn voorvaderen hun overledenen in de oude bomen opbaarden. De lichamen vergingen in de bomen en werden uiteindelijk opgenomen door de wortels en het zwammennetwerk. We zaten in een gebouw van cederhout en hij zei: ‘Mijn voorouders bevinden zich overal om in deze muren en ze luisteren naar ons.’ Dat vond ik zo mooi.”

We gaan ook niet al te best met bossen en bomen om omdat we de verbinding met de natuur zijn kwijtgeraakt – zeker wie in de stad woont. Hoe kunnen we die band weer herstellen?

“Dat is niet zo moeilijk. Wij zijn genetisch geprogrammeerd om die verbinding te maken. Ik adviseer mensen altijd om af en toe een minuutje of vijf naast een plant of een boom te gaan zitten en ermee te communiceren, hem aan te raken of ertegen te leunen. Met die zeer simpele handeling zul je je sneller met de natuur verbonden voelen dan je denkt, gewoon omdat het in ons DNA zit. Daarna kun je de keuze maken om je in te zetten voor het bos. Dat kan door kleine dingen te veranderen in je manier van leven, zodat je duurzamer gaat leven en een deel van de oplossing wordt in plaats van een deel van het probleem. We mogen ons gelukkig prijzen dat wij zo geëvolueerd zijn dat we die keuze kúnnen maken.”

Suzanne Simard, ‘Op zoek naar de moederboom’, Prometheus Beeld HUMO
Suzanne Simard, ‘Op zoek naar de moederboom’, PrometheusBeeld HUMO

© Humo

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234