Donderdag 26/11/2020

IJzeren tanden in de Andes

In Peru is het aantal mijnbouwbedrijven in tien jaar tijd verviervoudigd. Kassa kassa, jubelt de overheid. Maar voor de inheemse boeren is de mijneuforie een ramp. 'Het enige wat ons rest, is met tranen in de ogen de verwoesting van onze bergen en dalen te ondergaan.'

Lode Delputte

Er speelt een bijna cynische lach om de mond van de Peruviaanse economist Juan Aste Daffós. Alsof het allemaal te gek voor woorden is, de verhaaltjes die de Peruviaanse staat de wereld instuurt over het economische succesverhaal dat mijnbouw heet. "Politieke analisten, economisten, ministers", zucht Aste Daffós. "Iedereen heeft de mond vol van de broodnodige verdere ontwikkeling van de mijnbouw. Want ertsen - goud, zilver, koper, lood en zink - zijn goed voor bijna de helft van de Peruviaanse export en dragen bij aan de aflossing van onze staatsschuld. De voorbije tien jaar, tijdens het autoritaire regime van Alberto Fujimori, bewoog men hemel en aarde om Peru een mijnbouwetiket op te plakken. De ontginningen werden verviervoudigd. Alles moest wijken voor de boom minero (de mijn-boom)."

Wat er echter niet bij wordt verteld is dit: dat de Peruviaanse staat al die tijd een weinig fraaie knieval heeft gemaakt voor het transnationale mijnkapitaal. "Want kijk", haalt Aste Daffós enkele cijfers boven. "In 2000 exporteerde ons land voor 3,21 miljard dollar ertsen, 46 procent van onze uitvoer. Maar wie dacht dat die som zich in het jaarlijkse bruto binnenlands product weerspiegelde, vergist zich. Mijnbouw draagt er voor amper 4 luttele procentjes aan bij, de wanverhouding is totaal."

Hoe dat komt? "Simpel: mijnbedrijven betalen amper belastingen, een cadeautje dat ze van de intussen naar Japan gevluchte Fujimori wisten af te dwingen als voorwaarde om zich hier te vestigen en de versleten staatsbedrijven over te nemen. Zo geschiedde het dat de mijnbouwsector in datzelfde jaar 2000 hoogstens 300 miljoen dollar aan de Peruviaanse staat ophoestte, een habbekrats in vergelijking met het dividend dat de aandeelhouders opstrijken. Nog erger is dat het statistische inkomen in de streken waar de mijnbouw plaatsvindt weliswaar als een pijl in de hoogte schiet, maar dat met het succes van de mijnbouw eveneens armoede, analfabetisme, milieuvervuiling en gezondheidsproblemen op hol slaan. Mijnbouw draagt dan ook geenszins bij aan een hogere welvaart voor de bewoners van de ontgonnen regio's, veelal kleine boeren. Hen rest vaak enkel uitwijking richting grootstad, waar ze zich bij het krottenproletariaat vervoegen, het cordón de miseria doen aanzwellen. Kunnen de boeren een beetje een mond opzetten, dan willen ze van de mijnen nog weleens een oprotsom in de hand gestopt krijgen waarmee ze een rijkemansleven denken te kunnen aanvatten. In een mum van tijd hebben die sukkels hun centen er echter door gejaagd en staan ze weer bij af."

Maar ook de volharder die in de landbouw blijft geloven, die weigert zich voor een appel en een ei te laten onteigenen en met zijn eigendomsakte komt zwaaien, heeft geen verhaal. De Peruviaanse wet stelt dat de boeren of boerengemeenschappen dan wel eigenaar kunnen zijn van weideland en akkers, maar dat de letterlijk steenrijke ondergrond de overheid in het verre Lima toebehoort, en die heeft het laatste woord bij de toekenning van concessies, niet de machteloze deelregio's of gemeentebesturen.

Het gesprek aangaan met de inheemse en boerengemeenschappen in wier voorouderlijke grond het zijn verwoestende tanden heeft gezet, het is niet echt de sterke kant van het mijnwezen. Liever posteren bedrijven als het Mexicaans-Amerikaanse Southern Peru Copper Corporation, 'Southern' in de volksmond, een legertje huachimanes (van 'watchmen') rond hun concessies, in bruin uniform gehesen privé-soldaatjes die de afkorting SS op de bovenarm dragen, van Servicio de Seguridad.

Dat de SS'ers en hun broodheren buitenlandse pottenkijkers liever kwijt dan rijk zijn en journalisten voor de gelegenheid als landbouwdeskundigen moeten worden binnengeloodst, tot daar aan toe. Maar dat zelfs de in de Hoge Andes geboren en getogen boeren - velen van hen spreken tot vandaag de inheemse talen Quechua of Aymara - identiteitsbewijzen en doorgangsvergunningen moeten voorleggen als ze hun wekelijkse mand geitenkaasjes of aardappelen op de markt gaan slijten, dat is toch een beetje kras.

De jonge Concesa Cuayla Cuayla, een campesina die hoog in de Atacama-woestijn, ten noordoosten van het stadje Moquegua en niet zo ver van de Chileense grens, een kudde schapen en lama's grazen heeft, moet je het niet vertellen. Zij is niet van plan nog langer over zich heen te laten rijden.

"Southern maakt misbruik van onze bescheidenheid", klaagt Concesa. "Wij zijn arme, nederige mensen. We hebben de middelen niet om dure advocaten in de arm te nemen of milieueffectrapporten te laten opstellen die de mooie analyses van de mijnbedrijven tegenspreken. Eigenhandig water- of grondstalen nemen lukt al evenmin, want het is ons verboden ons binnen de concessies op te houden. Als we Southern uitnodigen voor vergaderingen van onze dorpsgemeenschappen en hen de mogelijkheid bieden uitleg te verschaffen, sturen ze hun kat. Ze willen dat er ook regeringsvertegenwoordigers mee aan tafel zitten. Dat zou ik geen probleem vinden als de regering minder medeplichtig was, maar dat ís ze: de ministers van Landbouw en Mijnbouw zijn broers, en twee handen op een buik met de mijnsector. Een ministerie van Leefmilieu hebben we in Peru niet, dat kunnen we er dus ook niet even bij halen."

Concesa laat haar dorp zien: Tala, een net niet onder de elektriciteitskabels gelegen, door besneeuwde toppen omgeven verzameling armetierige woninkjes op meer dan 3.000 meter hoogte. Aan de ingang van het dorp ligt een spoorwegtunnel, bestemd voor de ertstreinen die richting Ilo rijden, een stinkende haven- en smelterijstad aan de Stille Oceaan. De buurt is behoorlijk verrommeld. Er slingeren enkele nooit opgeruimde stukken glasvezelbuis rond, overschot van het groene paradepaardje waar Southern enkele jaren geleden mee uitpakte: een smeerpijp waarlangs door zware metalen vervuild mijnafval dalwaarts wordt gejaagd. Het is eens wat anders dan de tot open riool verworden bergrivieren die zoveel andere mijnen gebruiken.

De pientere Concesa wijst naar de kabels en hoogspanningsmasten: "Elektriciteit voor Southerns Cuajone-mijn is er te over. Maar wij krijgen niets, geen elektriciteit, geen telefoon, geen wegen. Wordt een kind ziek, dan kunnen we er niet eens een dokter bij halen. Hooguit toen Tala een keer ingesneeuwd raakte, kwamen enkele buitenlandse mijningenieurs met een voedselpakket voorbij. 'We wisten niet eens dat jullie hier zaten', zeiden ze verwonderd. Voor de rest hebben we niets meer van hen gehoord."

Geheel aan zijn lot overgelaten wordt Tala ook weer niet. Enkele maanden geleden pootte het ministerie van Onderwijs met veel ceremonieel een prefab tuinhuis in het dorpje neer, een klaslokaal ter vervanging van de gammele keet waar de dorpskinderen tot dan toe les kregen.

"Maar gisteren en vandaag is de juf niet langsgekomen", weten enkele ukken. "Zondag was ze er even en donderdag komt ze terug." Daagt de - naar verluidt zwaar onderbetaalde - juf dan pas op als ze daar toevallig zin in heeft? "Nee, maar ze had dezer dagen wat loopwerk in Moquegua, het gemeentebestuur en zo, het ministerie."

Zelf valt Southerns enkele kilometers verderop gelegen Cuajone-mijn nog het best te vergelijken met een Israëlische nederzetting in Palestijns gebied, met de Panamese Kanaalzone toen die nog in VS-handen was, of met een verboden stad uit het sovjettijdperk: behalve gewapende mannetjes tref je er keurig aangeharkte bloemenperken aan, mooi asfalt, een niet onaardig ziekenhuis, op het eerste gezicht degelijke arbeiderswoningen, witte villaatjes voor het hogere kader, een goederentreinstation en een bescheiden vliegveld. In het midden van de nederzetting gaapt een gigantische, voor gecontroleerde passanten onzichtbare maar naar verluidt honderden meters brede dagbouwput. Aan de rand bevindt zich, stofwolken spuwend en hevig kreunend, de concentradora, een reuzegrote ertsverbrijzelaar die koper van goud, zilver, zink, lood en steengruis scheidt en een niet te lessen dorst heeft. Het monster drinkt gemakkelijk 700 liter glashelder grondwater per seconde.

"Dan heb ik nog liever dat ze een stuwdam voor eigen gebruik aanleggen", haalt Concesa de schouders op. "Dan slokten ze tenminste ons water niet op, stonden onze weidegronden niet droog, werden onze dieren niet om de haverklap ziek en leverde de maïs-, marjolein- en aardappeloogst nog wat op. Klimaatverandering, zo verklaren de hoge heren de droogte. Of ze zeggen dat we de juiste meststoffen maar moeten zien te gebruiken, dat het verband tussen de mijnactiviteit en de droogte niet wetenschappelijk bewezen is en dat de mijnen heus wel milieu-inspanningen leveren. Kortom, ze willen niets met onze problemen te maken hebben en kleuren de werkelijkheid intussen vrolijk bij."

Alsof de boeren aan één mijn niet genoeg hebben, heeft ook een Chileense groep haar oog op de buurt van Tala laten vallen. Als boze ogen zijn op de omliggende bergkammen indrukwekkende plastic markeringen aangebracht. Daar moet het graven straks beginnen.

Concesa is de cijfers niet vergeten: "Vierenveertig jaar lang zal de Quellaveco-mijn hier aan het werk blijven. Elke dag moeten er tussen 64.000 en 120.000 ton mineralen naar boven gehaald worden. En ja, ook hier willen ze 700 liter water per seconde uit de bodem pompen. Ze hebben een negental grondwaterputten voorzien, willen een deel van de vallei als stortplaats gebruiken en de rivier die erdoorheen kabbelt, onze rivier, via een 7 kilometer lange tunnel afleiden. En wij dan? Niets, als je het mij vraagt. Zelfs als arbeidskracht gebruiken ze liever mensen die geen banden met de streek hebben, en hun voedsel importeren ze uit de grootstad."

Concesa staat erbij en kijkt ernaar. Niet alleen naar de stafkaart die ze heeft meegebracht, maar net zo goed naar de geurige purperen bergbloemen die het landschap sieren. Saliva de Cristo, Jezus-speeksel als het ware. "Ik vind ze prachtig, maar de lui van de mijn hebben er geen oog voor, daar kun je gif op innemen."

De schaarse neerslag in dit gebied, grosso modo het drielandenpunt tussen Chili, Bolivia en Peru en tot diep in de negentiende eeuw herhaaldelijk het tafereel van bloedige geostrategische oorlogen, kan drie richtingen uit: of hij trekt noordoostwaarts richting het Amazone-bekken, of hij vloeit naar het estuarium van de Rio de la Plata dat Argentinië en Uruguay van elkaar scheidt, zuidoostwaarts, of ze belandt in de Stille Oceaan, in het westen.

Dat laatste traject volgt, via de Moquegua-rivier, het water uit Tala. Bij de monding, vlak bij de woestijnrand en omwalmd door melkwitte fabrieksdamp en mist, ligt het bewuste Ilo. Een bijwijlen doordringende stank verwelkomt de zeldzame bezoeker. Sirenes van Oostblok-achtige industriecomplexen doorloeien de tijd. Schel fluitende locomotieven en logge ertswagons geven ochtend, middag, avond en nacht aan.

Gladys Márquez, een vlotte advocate die als milieuactiviste aan de slag is bij de ngo Labor, werd in Ilo geboren. "In de kraamkliniek van Southern nog wel, want mijn vader werkte voor de koperrafinaderij. Destijds stampte het bedrijf, waarrond deze stad vijftig jaar geleden is ontstaan, een hele woonwijk voor zijn arbeiders uit de grond. Alle dienstverlening was voorhanden: een school, een ziekenhuis, een speeltuin voor de kinderen. Zelfs water en elektriciteit werden door Southern betaald. Niet uit maatschappelijke betrokkenheid natuurlijk, maar omdat de Peruviaanse wet de mijnbonzen zulks voorschreef.

"De mislukte nationaliseringen door de linkse militairen in de jaren zeventig en de brutale herprivatiseringen door Fujimori in de jaren negentig hebben het plaatje evenwel bevuild. Dezer dagen is het al sociaal-ecologische ellende wat in Ilo de klok slaat, al willen veel inwoners dat niet horen. Ondanks de massale afslankingsprogramma's van de jongste jaren blijft één op de zeven bewoners hier voor Southern werken. Velen zijn groot geworden in de koperindustrie en beschouwen haar als de trots van Ilo.

"Vroeger, toen het nog kon, kwam ik hier mosselen plukken", schampert Gladys op een in grindstort en scheepskerkhof ontaard strand. Op veilige afstand - Southern heeft ook hier Big Brother-ogen - is te zien hoe monumentale bulldozers het zwart glimmende zootje landinwaarts proberen te moffelen, een onderdeel van een twee jaar geleden opgestart schoonmaakprogramma. "Maar uiteindelijk, als straks bijvoorbeeld El Niño weer komt aanzetten, belandt de troep alsnog in zee", vreest de advocate. "De zee waar onze vissers uit vissen. Southern controleert de waterkwaliteit weliswaar, maar alleen op bacteriologische vervuiling. Aan chemisch en fysisch onderzoek doen ze amper. Het grind, eigenlijk versteend smeltafval vol koperresten en sulfaat, kan allicht gerecycleerd worden, maar verder dan de productie van trottoirs in Ilo lijken ze er niet mee geraakt."

Gladys tuurt naar enkele torenhoge, gelige rookkolommen. "Zwaveldioxide", licht ze toe. "In overleg met de gemeente hebben we her en der meetapparatuur geplaatst, maar wetenschappelijk is ons onderzoek niet, en goedkoop al evenmin. Bovendien betogen de bedrijven dat hun vervuiling keurig binnen de norm blijft. Wat ze er niet bij vertellen, is dat dát verhaaltje over de gemiddelden gaat, en dat het geen rekening houdt met windrichting en vochtigheidsgraad. Zo klimmen de zwavelconcentraties tussen middernacht en zes uur 's morgens ver boven de maximumnormen van de Wereldgezondheidsorganisatie." Om het met cijfers te zeggen: van 365 microgram per kubieke meter naar pakweg 859, ruim genoeg om ramen en deuren goed dicht te houden.

Intussen maken de autoriteiten zich sterk Ilo tot een oord van duurzame ontwikkeling op te waarderen. Om het door het lot van de geschiedenis zeeloos geworden maar sinds jaar en dag naar een maritieme uitweg smachtende Bolivia ter wille te zijn (het land bezit een heuse marine en viert jaarlijks zijn nationale maritieme dag) gunde Peru het een enkele kilometers lang strand in de schaduw van Ilo's industriecomplexen. "Ze willen hier Boliviaanse toeristen naartoe lokken", smaalt Gladys als ze het even protserige als verlaten monument overschouwt dat het buurland hier enkele jaren geleden liet neerpoten. "Benieuwd of ze ooit opdagen."

Maar niet alleen van toerisme wil de overheid het hebben, ook voor in de verdrukking geraakte boeren, Concesa bijvoorbeeld, straalt de toekomst. "Een onderdeel van het Pasto Grande-irrigatieproject", wijst Gladys naar een dorre heuvel landinwaarts. Er staat misschien een droevige struik of tien, maar in Ilo noemen ze het een bos.

"Al veertig jaar lang, sinds de mijnbedrijven zich hier zijn komen vestigen, rukt de woestijn op en palmt ze landbouwgronden in. Pasto Grande is een stuwmeer in de Andes dat de boeren van water moet voorzien en de grond weer vruchtbaar moet maken. Maar in de praktijk blijkt de mijnbouw ook daar een gretige afnemer. Aan het einde van de rit wint de woestijn." En dan, de schouders ophalend: "Het gedoe over duurzame ontwikkeling is een praatje voor de vaak. In Ilo mikt Lima op de mijnindustrie, niets anders."

Als een mens zou moeten kiezen tussen de cholera en de pest, tussen de kuststad Ilo en de respectievelijk op 3.700 en 4.300 meter hoogte gelegen mijnsteden La Oroya en Cerro de Pasco, dan liever de eerste: je ademt er gemakkelijker, je ogen prikken er minder, het is er warmer en met een beetje goede wil valt de armoe er te harden. Niet zo in deze van zwerfvuil doorwaaide Andes-steden, waar steevast de zuurstofflessen klaarstaan om beroerde bezoekers bij te luchten en waar mens en milieu al sinds de Spaanse kolonisering gekreund gaan onder de gevolgen van de mijnbouw.

In zijn naar ontsmettingsmiddel geurende kabinet in La Oroya knikt dokter Pedro Cueto Mirante - een schuilnaam op verzoek, de koperheren komen immers alles te weten en het wilde gerucht gaat dat ze zelfs camera's in de straten hebben hangen - begrijpend. "Onze leef- en arbeidsomstandigheden zijn volstrekt ongezond. Lange tijd heb ik met de arbeiders van Centromin gewerkt, het staatsmijnbouwbedrijf waarvan de plaatselijke afdeling enkele jaren geleden aan het Amerikaanse Doe Run is verkocht. We hadden gehoopt dat de privatisering en daaruit voortvloeiende investeringen een positief effect zouden sorteren op de vervuiling, beterschap zouden brengen voor de volksgezondheid. Nee dus, onze mensen zijn danig ontgoocheld. Alle metingen wijzen erop dat de privatisering de zaak nog heeft verslechterd. Arsenicum, zwaveldampen, dioxines, lood, cyaan, cadmium, kwik en andere zware metalen: lucht, aarde en water zitten er vol van. Intussen blijft Doe Run volhouden dat het de normen respecteert, dat het werkgelegenheid schept, dat alle menselijke activiteiten nu eenmaal vervuiling meebrengen, dat de economische complexiteit van de mijnsector niet mag worden onderschat.

"Loodvergiftiging bijvoorbeeld", zegt Cueto Mirante grimmig. "De Wereldgezondheidsorganisatie legt de lat op 10 microgram per deciliter bloed. De kinderen van La Oroya halen echter gemakkelijk een vier- tot vijfvoud daarvan. Het lood wordt niet alleen in het bloed opgenomen, het nestelt zich ook in het beenderstelsel. Kinderen met hoge loodindicaties vertonen lagere intellectuele capaciteiten, raken sneller vermoeid en worden geremd in hun neurologische ontwikkeling. Fabrieksarbeiders komen met verlammingsklachten of hebben een slecht functionerende geleiding in de zenuwbanen."

Arsenicum veroorzaakt dan weer huidkanker, ook een aandoening die hier vaker dan normaal voorkomt. "Maar het grootste probleem zijn de ademhalingsstoornissen. Sneller dan elders krijgen mensen hier astma, bronchitis, keelontstekingen of pneumonieën, een direct gevolg van de luchtvervuiling, al gebiedt de eerlijkheid me te zeggen dat je niets kunt bewijzen zolang je geen grondig wetenschappelijk onderzoek verricht. Helaas, dat laatste krijgen we van de regering niet gedaan. Geen middelen, verontschuldigt ze zich. Gebrek aan politieke wil, denken wij. Doe Run zet de overheid onder druk om zo weinig mogelijk te ondernemen."

La Oroya staat en valt met de aanwezigheid van Doe Runs kopersmelterij en -raffinaderij, een complex dat de hele stad domineert en waarvan de indrukwekkende schoorstenen tot de grootste in hun soort behoren. Het hoeft ons dus niet te verwonderen dat ook dokter Cueto Mirante een kalendertje van het bedrijf op zijn bureau heeft staan. Er prijken lieflijke Andes-tafereeltjes op die zelfs met de beste wil ter wereld niets met La Oroya te maken hebben. "Doe Run probeert de mensen aan zijn kant te houden. Zo krijgen de kinderen met Kerstmis cadeautjes en blijken hun bij het bedrijf werkende vaders een stuk minder gevoelig voor het ecologische of gezondheidsdiscours dan hun buren die elders aan de slag zijn. En voor de lokale en regionale verkiezingen van eind november pakken de mijnbedrijven met eigen kandidaten uit."

Tweeëntwintig jaar lang, tot in 1992, werkte Alejandro Huidobro in Cerro de Pasco. Van de vier- tot vijfduizend arbeiders die de mijn op dat moment nog telde, zijn er na de privatisering nog duizend over, de rest werd weggesaneerd of vervangen door mensen met een tijdelijk contract. Het zijn lui die uit andere streken geïmporteerd werden, minder kosten en niet geneigd zijn zich bij een vakbond aan te sluiten. "Voor alle duidelijkheid", onderstreept Alejandro, "geen mens wil de mijnen hier opgedoekt zien, dat zou een ramp zijn voor de arbeiders die er hun brood mee verdienen. Maar dat de grote jongens op zijn minst de wet naleven en hun beleid aanpassen."

Hoog boven Cerro de Pasco neemt Alejandro stad en mijn in het vizier. Of beter: mijn en stad, want de eerste was er eerst - een gat van een kilometer breed waarvan de hellingen terrasgewijs tot wegen zijn platgewalst. Daarop rijden de tientonners af en aan. Elk voertuig, een piepkleine eenpersoonscabine en banden met een doorsnee van wel tweeënhalf meter, is goed voor 120 ton steen. Naast de mijn puft, alweer, een dorstige ertsverbrijzelaar. Alejandro wijst naar het bouwsel waarin zich de mijnlift bevindt. "Kijk, daarlangs daalde ik elke dag af, 800 meter diep. Ik was diepteboorder en wrikte de koperlagen los. Gevaarlijk baantje, niet zelden vielen er doden."

De mijn in Cerro de Pasco behoort de Peruviaanse groep Volcan toe. Onder meer Santiago Fujimori, broer van, is bij de uitbating betrokken. "Wat we zelf doen, doen we slechter. De Peruvianen maken er een nog pijnlijkere janboel van dan de buitenlanders. Volcan is het lelijke eendje onder de mijnbedrijven."

Alejandro wijst op de net niet over de putrand hangende, wankele huizen van de stadsbewoners. Ze lijken elk ogenblik de dieperik in te kunnen storten. "Dat zullen ze ook", zegt de voormalige boorder. "Vorige week nog hebben ze preventief, maar zonder de bewoners te waarschuwen, een aantal huizen de vernieling in gebulldozerd. Voor Volcan heet het dat die lui daar niets te wonen hadden, omdat de grond het bezit is van de mijn en die er eerst was. Van vergoeding kan geen sprake zijn. Hoe dan ook zal op termijn de halve stad mogen opkrassen, want de mijn moet dieper, breder, groter. Omdat de hele ondergrond vol koper zit, is geen enkele stek in Cerro nog veilig voor Volcan, en dat terwijl het bedrijf de mensen zelf hierheen gehaald heeft."

De huizen met gapende of alweer dichtgemetselde barsten zijn niet te tellen. Vooral de dagelijkse explosies met dynamiet, eentje om 11 uur en eentje om 15 uur, doen Cerro op zijn grondvesten daveren. Ze richten flink wat schade aan. "Volcan hijst een rode vlag en het karwei kan beginnen." Waarom er uitgerekend vandaag niet gedynamiteerd wordt? "Ga er maar van uit dat ze de aanwezigheid van buitenlandse pers geroken hebben." En dan, grappend: "Tenzij hun motoren net vandaag zonder benzine zijn gevallen, natuurlijk."

In de zwartgrijze drab patsen metalige luchtbellen vervaarlijk open. Het spul is afvalwater van de mijn dat naar de vlakbij gelegen lagune wordt afgeleid om er te bezinken, maar onvermijdelijk in de Río San Juan terechtkomt. Vandaar daalt het Amazone-waarts af of plenst het in de vorm van zure regen over Cerro de Pasco neer. Op de oevers van de lagune grazen lama's, blaffen honden, hoeden herders hun schapen en woont een handvol inheemse gezinnen. Even verderop ligt de uitgedroogde afvalvijver van een tachtig jaar geleden gesloten mijn. Nog steeds ziet de aarde er gitzwart en groeit er niet één spriet gras. De omliggende ruïnes van een negentiende-eeuwse smeltoven, 'el smelter', hebben veel weg van decorstukken voor een Bonanza-film. "Begaan met het leefmilieu", zo luidt de Volcan-publiciteit op een bord aan de rand van de weg.

"Begaan met de vernieling van het leefmilieu", sombert boer Mario Cordova als de wind de schuimbergen op een snelstromend beekje in dartele vlokken wegblaast. "Hun vieze water droppen ze in de lagunes, hun steengruis stapelen ze als piramides in de valleien. Ze zeggen dat het veilig is, maar zij drinken dit water niet. En wat als er aardbevingen komen? Wat als de bergbries cadmium- en koperdeeltjes meeneemt? Ademen wij niet alles met volle teugen in?"

Cordova zucht. "De mijnbedrijven gedragen zich onbeschoft. Ze beloofden ons economische ontwikkeling en welvaart, we kregen ziekte en armoede. En de Peruviaanse staat? Tja. Na het ontslag van Fujimori spiegelde men ons beterschap voor. President Toledo zou het allemaal anders gaan doen, we zouden een vinger in de pap te brokken krijgen. Mis poes. Het enige wat ons rest, is met tranen in de ogen de verwoesting van onze bergen en dalen te ondergaan." Cordova's arme collega-boeren, vastberaden om de boerenstiel niet te laten varen, beamen die uitspraak volmondig. "Wat de mijnen bij jullie niet mogen doen, komen ze bij ons aanrichten."

Deze reportage kwam tot stand in samenwerking met 11.11.11. De lopende 11.11.11-campagne staat in het teken van de nefaste effecten van het globaliseringsproces (in zijn huidige vorm) op de basisrechten van vele bevolkingsgroepen wereldwijd, met de problematiek van de mijninvesteringen in Peru als schrijnende illustratie. De mensen die in deze reportage aan het woord komen, maken deel uit van de Peruviaanse organisaties Conacami en Labor, die opkomen voor de rechten van de gedupeerde bevolkingsgroepen en gesteund worden door 11.11.11.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234