Zondag 13/06/2021

'Ierland is de laatste tijd zo verdomd politiek correct geworden'

In zijn nieuwe roman neemt de Ierse schrijver Joseph O'Connor de huidige neoliberale welvaartsmaatschappij op de korrel. 'Ik heb niets tegen de romans van Nick Hornby of Bridget Jones, misschien moeten er nog veel meer boeken geschreven worden over Arsenal en vrouwen die geen lief vinden, maar af en toe mag er toch ook wel iets socialers verschijnen, dunkt me.'

Joseph O'Connor

Stella Maris

Oorspronkelijke titel: Star of the Sea

Vertaald door Harm Damsma en Niek

Miedema

Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam, 479 p.,

22,50 euro.

'Heb je er iets op tegen dat ik rook?", vraagt Joseph O'Connor wanneer we nog maar net de deur achter ons dichtgeslagen hebben. Aangezien we in een bar zitten en er een knoert van een asbak voor onze neus staat, zie ik niet in waarom niet, maar O'Connor verklaart zich nader: "Ierland is de laatste tijd zo verdomd politiek correct geworden", zegt hij. "Er mag nu bijvoorbeeld niet langer gerookt worden op publieke plaatsen, dus ook niet in pubs. In het oude, katholieke Ierland van een jaar of twintig geleden werd ons constant gezegd wat we wel of niet konden doen. Seks was bijvoorbeeld uit den boze. Eindelijk zijn we van die kerk af en nu krijgen we dit. Nu mogen we seks hebben zoveel we willen, maar nu mogen we niet meer roken, geen wonder dat Ierland zo'n nostalgisch land is. Ik begin ook al naar het verleden te verlangen." Hoezeer het verleden hem bezighoudt, mag blijken uit zijn nieuwste roman, Stella Maris, die speelt in 1847. Intellectueel gezien was dat een topjaar, met het verschijnen van Emily Brontës Wuthering Heights en het door haar zus Charlotte geschreven Jane Eyre. De wiskundige Boole stelde zijn Calculus van het conductieve denken aan het publiek voor, Verdi componeerde Macbeth en Engels legde de laatste hand aan zijn Grondslagen van het communisme. Als doordeweekse Ier had je aan al dat papieren geweld wellicht niet zo veel aangezien je alle moeite van de wereld moest doen om het hoofd boven water te houden. In 1847 woedde de aardappelpest immers in Ierland, met als gevolg dat er dat jaar alleen al een half miljoen mensen de hongerdood stierven. De uiteindelijke dodentol zou zo'n twee miljoen bedragen en ongeveer evenveel Ieren vertrokken voorgoed naar het buitenland, meestal naar Amerika of Canada. O'Connor situeert zijn roman op een schip dat met vluchtelingen van Cork naar New York vaart. Aan boord zijn er naast een heel aantal berooide en de dood nabije boeren en zwervers ook vijftien eersteklas-passagiers, van het gepeupel afgeschermd door tralies en hekken. Lord Kingscourt en zijn vrouw Laura, van Ierse landbezitters gereduceerd tot hooghartige armoedzaaiers die zich in het beloofde land op de villabouw willen werpen, zijn de prominentsten onder hen. In de dagelijkse tafelgesprekken wordt hen het vuur aan de schenen gelegd door de socialistische Amerikaanse journalist Grantley Dixon, die ook een oogje heeft op mevrouw Kingscourt. Eveneens sterk op de voorgrond staat Mary Duane, het kindermeisje van de Kingscourts die tussen het grauw een gezicht meent te herkennen: Pius Mulvey, man van twaalf stielen en dertien ongelukken die voor de nationalistische Bloedbroeders die vuige lord een kopje kleiner moet maken. Aan de hand van flashbacks komen we meer te weten over het verleden van deze figuren en zoals dat in een goede Victoriaanse roman gaat, blijkt iedereen iedereen van vroeger te kennen en in een paar gevallen zelfs familie van elkaar te zijn. Onterving komt eraan te pas, zelfmoord, prostitutie en natuurlijk ook een druiper of twee.

Wanneer ik opmerk dat ik dit soort historische roman niet verwacht had van een man die met De verkoper en Inishowen blijk gaf mee te willen dingen naar de titel van Ierlands minst Ierse schrijver, tikt O'Connor me meteen op de vingers. Achter die historische façade, gaat immers een hedendaagse bezorgdheid schuil: "In het midden van de jaren negentig ben ik na acht jaartjes Londen weer in Ierland gaan wonen. Het land was bijna onherkenbaar veranderd in die periode. Toen ik vertrok was het een gesloten land, met een torenhoge werkloosheid en een boerenmentaliteit. Eens terug uit het Londen dat het Thatcher-tijdperk voorgoed achter zich had gelaten, werd ik geconfronteerd met een Dublin waar de neoliberale waarden hoog in het vaandel werden gedragen. Overal kon je krediet krijgen en iedereen leefde op geld dat hij nog moest verdienen. Het katholieke gedachtegoed was verdwenen en vervangen door egoïsme en materialisme. Wat me nog het meest opviel, was dat er door de economische boom voor het eerst in onze geschiedenis immigratie op gang gekomen was, en dat in een land dat voordien slechts kon overleven doordat om de twintig jaar de helft van de populatie emigreerde. Voor het eerst zag je zwarte gezichten in Dublin, en hoorde je er Pools en Tsjechisch praten. Door onze geschiedenis van hongersnood en emigratie zou je verwachten dat de Ieren een stuk begrijpender en opener zouden staan tegenover deze mensen, en dat verwachtte ik ook, maar de realiteit bleek anders. Niet dat er meer racisme voorkomt dan elders in Europa, maar ook niet minder. De geschiedenisles die ieder Iers kind er meermaals ingestampt krijgt op school, over de verschrikkingen van de negentiende-eeuwse aardappelpest, heeft dus helemaal geen effect. En dat vind ik interessant. Als iemand me zou vragen in één zin samen te vatten waar mijn roman over gaat, zou ik dan ook zeggen: over armoede en xenofobie en hoe die uiteindelijk tot terrorisme leiden. De grote schande is niet wat in het Ierland van het midden van de negentiende eeuw gebeurde, maar wel dat er nog steeds miljoenen mensen van de honger sterven. Ook al is de wereld nu stukken rijker dan in 1850, toch wordt er ook veel meer honger geleden. Maar daar denken we liever niet aan. We zien onszelf graag als moreel superieur aan de Victorianen, maar is dat wel zo, vraag ik me dan af. Van een onderdrukt land lijkt Ierland stilaan een van de onderdrukkers geworden te zijn. We moeten ons daarbij niet afvragen of Ierland een multicultureel land zal worden, want dat is het zo stilaan al vanzelf. Er zijn in Dublin al straten waar alleen maar zwarten wonen en we hebben zelfs al een begin van ons eigenste Chinatown. Hoe we daar in de toekomst mee zullen omspringen, dat is de centrale vraag, en misschien kunnen we om die te beantwoorden eens naar onze eigen recente geschiedenis kijken.

"Het schip is een soort minikosmos die toont hoe de maatschappij van toen en van nu eruitziet: een klein deel van de mensen die zich goed amuseert zonder er veel voor te doen, terwijl een groot deel zich helemaal niet amuseert en daarbij nog eens hard moet werken. Zo werkt de wereld nu eenmaal, ook vandaag nog. We troosten onszelf door nu en dan wat hulp te geven aan de derde wereld, maar als je dieper ingaat op de zaak zie je dat de grote geldstromen van de arme naar de rijke landen leiden. Hoe we het nu ook noemen, terugbetaling van schulden of intresten of leningen van het IMF, de reden waarom wij het zo goed hebben is dat ze in de voormalige koloniën arm zijn. We ontdoen hen van hun grondstoffen voor een aalmoes en geven hen in de plaats lessen over rationeel staatsbeheer en waarom zij altijd arm zullen blijven als ze niet doen wat wij zeggen. Wij zijn dieven die vandaag het huis van de derde wereld compleet leegroven en onze buit morgen opnieuw verkopen aan de bewoners van dit huis. Ik heb niets tegen de romans van Nick Hornby of Bridget Jones, misschien moeten er nog veel meer boeken geschreven worden over Arsenal en vrouwen die geen lief vinden, maar af en toe mag er toch ook wel iets socialers verschijnen, dunkt me."

Wat meteen opvalt aan uw boek is dat u de schuldvraag opnieuw stelt. Traditioneel is het de schuld van de Engelsen dat er toen twee miljoen Ieren verhongerden. U nuanceert dit.

"Ook ik kreeg dat als kind in de jaren zeventig nog te horen op school. Er werd nooit over de hongersnood gesproken als een historische gebeurtenis, maar wel als een indicatie waarvoor de Engelsen stonden. Het was een middel om het Ierse nationalisme aan te zwengelen. Wij waren de slachtoffers en daarom moesten wij hen haten, zo simpel lag dat. Ik schrijf graag over morele ambivalentie, over personages die goed noch slecht zijn, en wanneer je je verdiept in de geschiedenis van de hongersnood, of van het Victoriaanse tijdperk in zijn geheel, merk je dat je met een moreel grijs gebied te maken hebt. De mensen die zich echt verrijkt hebben aan de hongersnood waren niet Engels, maar wel Ieren uit de middenklasse. Zij omheinden het land dat door de boeren achtergelaten was en zetten er schapen op. Nogal wat Engelse heren die door iedereen beschimpt en veracht werden, gingen in die tijd bankroet omdat ze geen pacht meer ontvingen. Er zaten inderdaad schurken tussen die de pachters tot de laatste druppel uitpersten, maar de meesten bleken zich verantwoordelijk te voelen voor de boeren en sommigen hielpen hen ook financieel. Oké, ze waren paternalistisch, maar verschilde hun gedrag dan zo veel van het onze tegenover de hongersnoden in de derde wereld? Wij haten die mensen niet en we voelen ons ook niet beter dan hen. We voelen met hen mee en geven geld om hen te helpen, maar we willen ze ook niet iedere avond op de tv zien. En van onze levensstijl aanpassen zodanig dat wij minder en zij meer hebben, willen we helemaal niet weten. Er waren dus geen 'goeden' en 'slechten' in die tijd. Kijk naar Kingscourt, hij leeft in een gevangenis geschapen door zijn klasse en afkomst. Oké, ze is heel wat comfortabeler dan de gevangenis van de Ierse pachter, maar ook hij doet niet wat hij wil. In feite is Kingscourt een beetje als prins Charles, heimelijk homoseksueel, maar verplicht om die geaardheid te onderdrukken. Toen ik het boek herlas, dacht ik: geef die man een jongen van twaalf en een huisje op de hei en hij is dolgelukkig."

Ieren werden midden negentiende eeuw door heel wat wetenschappers - en dat waren toch vooral Engelsen - geduid als het mensenras dat ergens tussen blank en zwart in zat.

"Dat was inderdaad een curieuze gedachte, en soms ging het zelfs nog verder, met aan de top van de evolutie het Angelsaksische ras, daaronder de neger en nog een trapje lager de Ier, alsof hij van een heel ander ras was dan de Engelsman. Impliciet is dat zo gebleven tot in de jaren zeventig van de vorige eeuw. Ook toen was je beschaamd te moeten bekennen dat je een Ier was. Dat betekende immers dat je uit het sectaire land kwam waar mensen elkaar de kop nog insloegen omwille van hun geloof. Er waren toen ook geen bekende schrijvers. Yeats en Joyce leken wel middeleeuwse iconen, getuigen van een roemrijk verleden dat voorgoed voorbij was. En kijk nu, opeens wil iedereen Ier zijn. Men omarmt ons alsof we oude vrienden zijn. Geen Europees boerengat of het heeft wel een Ierse pub op het kerkplein."

Het interessantste personage uit uw boek is ongetwijfeld Pius Mulvey, de arme sloeber die straatzanger wordt en in zijn liedjes de geschiedenis van Ierland vastlegt. Hoe belangrijk waren die zangers in een land dat vooral uit ongeletterden bestond?

"De ballade is een typisch Ierse kunstvorm die het internationaal gemaakt heeft via een popgroep als The Pogues. Amerikaanse academici verdiepen zich in de negentiende-eeuwse ballades en schrijven dikke boeken over de Ierse geschiedenis. Maar die ballades zijn natuurlijk geen objectieve historische bronnen, ook al zeggen ze veel over de politieke verhoudingen van die tijd. Zo'n liedje mocht maar een minuut of drie duren. Veel tijd voor nuance was er dus niet. De teneur was: wij zijn de slachtoffers, jullie de boeven en laat me eens vertellen hoe we jullie toch een kloot aftrokken. Mulvey realiseert zich dat dit in feite is wat alle kunst doet: de realiteit reduceren tot een herkenbaar verhaal, alleen is hij niet bereid zich daarvoor te verontschuldigen, wat de geschiedschrijver en de journalist wel doen. Deze twee laatsten pretenderen objectief te werk te gaan, wat betekent dat je geen partij kiest. Wie objectief over de oorlog in Irak schrijft, moet er bijvoorbeeld van uitgaan dat Amerikanen en Irakezen moreel gezien evenveel waard zijn. Volgens Mulvey kan dat niet in een Ierse ballade en ik ben het daar volledig mee eens. Het idee dat het allemaal de schuld is van de Engelsen is trouwens voor een groot deel toe te schrijven aan die ballades. Het waren vaak verzetsliederen, die werkten zoals samizdatliteratuur dat deed onder het stalinisme. Ze werden niet neergeschreven, maar mondeling doorgegeven. Een zanger hoorde een ballade, studeerde haar in en begon ze ook te zingen. Soms had hij een inval voor een verbetering of een aanpassing aan een nieuwe politieke realiteit en dan veranderde hij haar. Soms gebeurde dat ook per ongeluk. Er werden fouten gemaakt bij het kopiëren. We mogen dus nooit vergeten dat de ballades weliswaar inspelen op de geschiedenis, maar dat ze ook altijd fictie zullen blijven."

In die zin wordt weleens beweerd dat de Ierse literatuur niets zou zijn zonder deze volkse ballades.

"Finnegans Wake is daar natuurlijk het mooiste voorbeeld van. Joyce leende die titel gewoon van een bekende ballade over een lijk dat weer tot leven komt wanneer het begraven wordt. Ierse romans zijn ook heel muzikaal geschreven en wat mij heel erg aantrekt in de ballade is de narratieve spaarzaamheid ervan. Sommige ballades slagen erin een verhaal te vertellen dat een roman waardig is en ze doen dat in niet meer dan vijf of zes strofes. Er staat niets overbodigs in en de gedrevenheid die ervan uitgaat is fenomenaal. Bovendien kan de combinatie van muziek en tekst veel meer dan tekst alleen. Een vriend van me is advocaat. Tijdens het hoogtepunt van de Irish troubles verdedigde hij een aantal mannen die terechtstonden wegens IRA-lidmaatschap en opgesloten waren in Portlaoise Prison. Op een avond was hij aanwezig bij een optreden van de folksinger Christy Moore, een notoir sympathisant van het IRA. Die slaagde erin met zijn liedjes het publiek zo op te zwepen dat op het einde van de avond iedereen IRA-liedjes stond te zingen, de gevangenen net zogoed als de cipiers. Dat is dus de kracht van muziek."

Mulvey is trouwens op nog een ander gebied merkwaardig. In Londen fluistert hij Charles Dickens de plot van Oliver Twist in het oor in ruil voor een goede maaltijd.

"Dickens is een schrijver van wie ik houd en die ik tegelijkertijd haat. Neem nu Oliver Twist, dat onomstotelijk een sympathiebetuiging is aan de verdrukten in de Victoriaanse maatschappij, en daardoor een bewonderenswaardig boek. Maar tezelfdertijd is het natuurlijk ook een ongelooflijk potsierlijke roman. Kleine Olivers moeder is gestorven bij zijn geboorte, hij groeit op in een weeshuis, wordt er dagelijks geslagen, uitgehongerd en misbruikt en wanneer hij zijn mond opendoet is het alsof je de Prince of Wales hoort. Hij vloekt nooit, wordt nooit agressief en is zowat het kind dat iedere ouder zich zou dromen. Als ik geloofde dat het echt zo werkte, zou ik mijn zoon verdorie ook alle dagen slaan en uithongeren. Pas op het einde van het boek ontdek je waarom Oliver zo beschaafd is: zijn vader is een aristocraat. Hetzelfde snobisme dat Dickens enerzijds wil ondermijnen, is dus anderzijds inherent aan de structuur van het boek zelf. Ik wou daar een beetje de draak mee steken."

Op het einde van het boek komt een voor Ierland belangrijk thema aan bod. Mulvey vraagt Mary om vergiffenis voor al het kwaad dat hij haar berokkend heeft. Waarom heeft Ierland het daar over het algemeen zo moeilijk mee en draagt het de wraak zo hoog in het vaandel?

"Wanneer je opgroeit in Ierland krijg je nog steeds de klassieke katholieke clichés ingelepeld: je moet je vijanden vergeven en de andere wang toekeren. Er is wellicht geen ander land op de wereld dat zo op die waarden drukt en ze tegelijkertijd ook zo vaak verzaakt. Ik vraag me vaak af waarom we toch steeds naar de mis bleven gaan en onze gebeden opzegden terwijl we in de praktijk alles negeerden wat de priester ons zei. Dat het toch ergens is blijven hangen, blijkt uit de literatuur. Ook in mijn boeken komt de vergiffenisvraag constant terug, wellicht omdat vergiffenis zo tegennatuurlijk is, en toch is er voor Ierland niets belangrijkers dan dat. We zitten immers nog steeds met het negentiende-eeuwse staatsidee. Overal in Europa wil men de grenzen laten verdwijnen. De Ieren daarentegen blijven maar bezig over het herenigde Ierland, alsof het 1870 was. Maar misschien leren we het toch. De wapenstilstand houdt al acht jaar aan. De politici praten weer met elkaar. De soldaten zijn uit de straten verdwenen. Maar de echte vergiffenis moet van de mensen zelf komen. Vorige maand werd er een vrouw herbegraven die dertig jaar geleden door het IRA vermoord was omdat ze een gewonde Engelse soldaat geholpen had. Ze hadden haar ruwweg doodgeschoten en in een greppel langs de weg gegooid. Nu kreeg ze een echte begrafenis. Haar familie moet haar vergeven, en dat is moeilijk."

Marnix Verplancke

'Opeens wil iedereen Ier zijn. Men omarmt ons alsof we oude vrienden zijn. Geen Europees boerengat of het heeft wel een Ierse pub op het kerkplein'

'Wij zijn dieven die vandaag het huis van de derde wereld compleet leegroven en onze buit morgen opnieuw verkopen aan de bewoners van dit huis'

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234