Zaterdag 18/01/2020

Iemand een jongere gezien?

Een schooljaar lang volgde Filip Rogiers (39) in De Morgen het levenspad van zes jongeren tussen 12 en 20, gaandeweg 13 en 21. In dat jaar op en vooral buiten school leerde hij minder over jongeren dan wel over de volwassen omgang met jongeren. En over het eigen vak. Zeven onaffe lessen. Waarom Eurosong for Kids maar beter kan worden afgeschaft, en Michael Jackson wel degelijk schuldig is aan kindonvriendelijk gedrag. Filip Rogiers / Foto's Filip Claus

'Hoogste tijd voor een tête-à-tête met Tiffany (15). We hebben een afspraakje, zaterdagavond. We gaan samen eten in Leuven. Het is Valentijnsweekend en we lopen langs etalages waar de jaarlijkse hartenepidemie is losgebroken. Je ziet jezelf tussen al die kitsch weerspiegeld in de winkelruit, bijna veertiger. Waar zul je het over hebben met dit meisje van vijftien? Ik heb geen lijstje op zak met vragen: hoeveel keer per maand ga je uit? Waar en met wie? Wat denk je van drugs? Van jongens? Vind je dat je genoeg inspraak krijgt op school en thuis? Die vragen stellen anderen, en beter. Bovendien héb ik al die vragen in de voorbije maanden al eens gesteld aan Tiffany, om haar te toetsen aan de statistieken. Ik hou er eentje over: wie ben jij?"

(De Morgen, 19 februari 2005)

De mislukte 'reis naar de toekomst vandaag'

Het begon vermetel, het project genaamd Jonge Ego's. We zouden eens gaan zien hoe jongeren leven anno 2004/05! Zoals ik twee jaar geleden ook wel eens in kaart wilde brengen 'Hoe Vlaanderen Aan Een Nieuwe Eeuw Begint' en daarvoor aan een tocht van 15.000 kilometer begon door (vooral volwassen) Vlaanderen, project dat als naam Buurtpatrouille meekreeg. Het begint bij mij meestal met Kapitalen, maar eindigt met kleine lettertjes. "De Morgen gaat een schooljaar lang midden tussen de jongeren staan", zo spatte de ambitie er bij aanvang van af. "We 'leven' een jaar lang samen en mee met enkele jongeren tussen twaalf en twintig jaar. Tieners, pubers en adolescenten van alle horizonten. Op weg naar een andere school, een nieuwe richting, een eerste job, zichzelf. We volgen ze op school, waar alle werelden samenkomen, thuis, achter de pc, voor de tv en tussen de vrienden. Vanaf 28 augustus in de krant, een reis naar de toekomst vandaag."

Eigenlijk wilde ik gewoon jongeren spotten, zoals ik voor Buurtpatrouille honderden volwassen Vlamingen in een veertigtal dorpen en stadswijken heb gespot. Ik wou ze vangen op hun nest, buiten het nieuws. Want ook jongeren komen, zoals 'de gewone man', wel veel in het nieuws, maar toch zie je ze zelden. Zeker niet in 'hun normale doen'. Ook niet in formats als 'Het leven gelijk het leven is', of dacht u werkelijk nog van wel?

Maar er zat dus een vermoede of toch gewenste filosofie achter het project, nog voor het goed en wel begonnen was. Een heel dure filosofie zelfs. Ik zou het over 'de samenleving in de samenleving' hebben: "Als journalisten kijken we heel hevig naar het hier en nu. Dat doen we samen met mensen die allemaal in de actiefste jaren van hun leven zijn. Volwassenen. Zij maken de samenleving en dus ook het nieuws. En ook het later laten we ons vooral door hen uitleggen. Maar onder deze samenleving schuilt een andere die wacht om te vervellen. Achter de dertigers, veertigers en vijftigers die hier en nu het mooie of minder mooie weer maken, wachten tieners, pubers en adolescenten hun beurt af. Straks nemen zij het heft in handen, maar nu al denken zij het hunne van de wereld die elke dag op hen afstormt."

Fout! Iedereen die een beetje bewust met jongeren werkt, had mij dat vooraf kunnen zeggen. De fout - ze heet Hineininterpretierung - zat al vervat in dat ene zinnetje: 'de reis naar de toekomst vandaag'. Als volwassene bekijk je jongeren als kwart of halve wezens, onderweg naar een volwassen toekomst. Als het over jongeren gaat, hebben waarnemende volwassenen allemaal een dode hoek: we zien ze éérst als kind van, als scholier, als aankomende volwassene, zelden als mens hier en nu. De jongere ontsnapt ons elke dag in de media en daarbuiten.

Hoezo, de jongere ontsnapt ons? Leest meneer wel eens zijn eigen krant? Deze samenleving bulkt toch van het jeunisme? Toch heb ik, na een jaar omgang met andere jongeren dan mijn eigen kroost, het gevoel dat jeugd (te) weinig in beeld komt. Er is veel aandacht, maar die is vooral evenementeel: tijdens de festivalzomer loopt het jonge grut in de kijker, of het komt ter sprake in recensies van jeugdtheater of -literatuur. Of de aandacht is institutioneel, als het over onderwijs of jeugdzorg gaat, bijvoorbeeld. Of de aandacht is accidenteel. U kent het lijstje wel: jongeren en drugs, jongeren en geweld, jongeren en seks (positief/negatief), jongeren en vergrijzing. Maar jongeren écht zien, nee, dat doen we niet zo vaak, veel minder dan we denken.

Kinderen en jongeren in de kijker: de kwantumsprong

Ze moeten niet klagen, die jongeren. Ze komen niets te kort.

'Mijn' zes jongeren zijn lukraak gekozen. Het zijn kinderen van rijke en arme ouders, van klassieke en nieuw samengestelde gezinnen. Het zijn jongeren van het beroeps en het secundair. Geen van hen kloeg over een gebrek aan aandacht thuis. Geen van hen vond dat hij of zij ten gronde onvoldoende gehoord werd in het gezin. Status, inkomen, opleidingsniveau of type van ouders maakten geen enkel verschil. Elk gezin had en heeft zijn variant van de 'familieraad'. Bij de één aan de keukentafel, bij de ander voor de televisie (met Familie op), bij een derde in de auto van en naar school. Van de zes jongeren die ik van nabij volgde, is er geen enkel die vond dat hij of zij gediscrimineerd werd door zijn of haar ouders.

De aandacht voor jongeren heeft de voorbije twintig jaar een kwantumsprong gemaakt. Bezoek maar eens de vorig jaar opgestarte, aan het Vlaams Kinderrechtencommissariaat verbonden tienerwebsite Kliksons, "de mening van tieners telt en is geteld" (zie www.kliksons.be). Niet alleen de aandacht, ook het aanbod voor jongeren is exponentieel toegenomen. Cultuur, vrije tijd, sport. Jongeren die de weg weten, vinden overal een vaak door de overheid gesubsidieerd oor.

Vroeger was het niet beter, vroeger was het in elk geval minder. Neem alleen nog maar het aanbod in de boekenkast of op de televisie. Tini of Pietje Puk en de van de (volwassen) moraal druipende Top- en andere jeugdromans zijn curiosa geworden. Oudere jongeren mogen het afgelopen jaar ook nostalgisch hebben gekeken naar de heruitzending van 'klassiekers' als Kapitein Zeppos, Johan en de Alverman of De Kat: het valt inzake kwaliteit van zowel verhaal, acteertalent of focus in het niets bij wat kinderen en jongeren vandaag voor het scherm kluistert. In het gros van die oude jongerenprogramma's zag je overigens vooral heel veel kinderachtig spelende volwassenen. In de jeugdliteratuur, zoals in het theater, gaan makers meer dan vroeger uit van de beleefwereld van de jongeren zelf, minder dan van wat ouderen aan jongeren kwijt willen of van wat ouderen menen dat jongeren wel zal, nee, moét boeien.

Vroeger hadden kinderen het 'kinderuurtje', nu hebben ze een 'kinderzender'. Vroeger kregen ze een televisienonkel (Bob) en -tante (Terry), nu hebben ze een hele bende vrank gebekte, wrappende televisieneefjes en -nichtjes. Vroeger kregen ze Tienerklanken, nu JIMtv en TMF. Vroeger kregen ze schooltelevisie, nu het jeugdjournaal. Vroeger hadden ze een pennevriend, nu hebben ze msn.

Jongeren worden ook ver buiten de wereld van cultuur en amusement (schrap wat niet past:) ernstig genomen, vertroeteld, overdonderd, platgeslagen. In de meeste scholen heeft de aloude refterprak plaats gemaakt voor een heel assortiment aan broodjes en menu's. Opdat de jongere zich thuis zou voelen, of toch net zo goed als in de hippe broodjesbar om de hoek. En ook natuurlijk omdat scholen weten dat ze het in de slag om de inschrijvingen niet kunnen winnen met hun Schitterend Pedagogisch Project alleen. Rij door Vlaanderen, let op de half reclamebord geworden schoolpanelen. Jongeren zijn een markt, ook voor de scholen.

Niet alleen kunnen en krijgen jongeren meer dan al wie vroeger jong was, ze worden ook beter onderzocht en er wordt ook beter voor hen gezorgd. In de dienstverlening wordt de jongerenmaat ernstig genomen. Er zijn kindergemeenteraden en -parlementen. Op alle scholen zijn er juffen en meesters zorgverbreding. Er zijn welzijnswerkers, psychologen en psychiaters voor kinderen en jongeren. En in al die zorg wordt er meer dan vroeger gelet op wat de jongere zelf in petto heeft of te kort komt. Of het de jongere al dan niet voor de wind gaat, wordt niet meer exclusief afgelezen aan volwassen standaarden.

Bref, jongeren worden 'gekend', in de watten gelegd. Er zitten in die stormloop op de jeugd onmiskenbaar prachtige evoluties. Dat voelen en waarderen die kinderen zelf ook. Grootste klacht en stress-factor lijkt mij vandaag de disproportie tussen het aanbod en het beschikbare geld: er is zoveel te koop, te keur en te doen voor jongeren, en het zakgeld blijft daar (samen met het inkomen van de ouders) eerder bij achter. Dat is een economisch verhaal. Ik heb het enkele keren opgetekend, bij verschillende van mijn zes jongeren: de almaar groter wordende kloof tussen het gezinsbudget en wat een kroost kost, hoe duur het doorgroeipad van jongeren tegenwoordig is - telefoonkaarten, kleren, trein, bus, uitjes, games. Drie vaders van drie Jonge Ego's hebben geen job.

In die hele stormloop op de jeugd zitten ook onmiskenbaar negatieve evoluties, ethisch bedenkelijke zelfs, zoals de commerciële jacht op jongeren. Tegelijkertijd moeten cultuurpessimisten niet te hard van stapel lopen. Ik heb zes jongeren gezien die weten wat er in de wereld te koop is, die genieten van gimmicks en kicks, maar die er wel hun kritische afstand noch hun 'waardegevoel' voor de ernstiger dingen des levens bij verliezen. Ook op dit vlak maken opleiding of klasse geen verschil.

Met klamme handen en tussen twee stoelen

Daar sta je dus met zoveel bagage over de leefwereld van jongeren. Ik heb maar te vragen, dacht ik, ik heb maar te toetsen, en dat zou in geen tijd portretten van vlees en bloed opleveren. Daar stond ik dus, vorige zomer.

"Hoi, ik ben Leen!"

"Hoi, ik ben Filip."

Eerste ontmoeting in de manège. Leen D.V., nu 13: is aan paarden, wil een eigen paard maar papa en mama niet, wil later iets doen met paarden, las net een boek over paarden.

"Dag, ik heet Lieven."

"Dag, ik heet Filip."

Eerste ontmoeting aan de keukentafel in een pas in gebruik genomen sociaal appartement in Torhout. Lieven P., nu 21: gaat niet uit, drinkt niet, las of leest geen boeken, chat (niet meer sinds hij zijn vaste vriendin in cyberspace vond), heeft carrosserie gestudeerd, wil een job in de carrosserie, maakt auto's van Lego met en voor zijn broertje, speelt autorace op PlayStation, kijkt Top Gear op BBC, leest nu en dan een autoblad, wil wel eens Formule 1 in levende lijve meemaken.

Zozo.

Gezwéét heb ik, professioneel ben ik nooit meer gestorven dan bij die zes kennismakingsgesprekken. Geef mij eerste ministers en partijvoorzitters, bekende en onbekende volwassen Vlamingen, schrijvers van naam en faam, ik zal niet verpinken. Maar wat zeg je in godsnaam tegen een kind van twaalf? Een ouder of een leerkracht weet wat te zeggen, een leeftijdsgenootje-vriendje weet wat te zeggen, maar wat moet de volwassen beroepswaarnemer? Vaker dan bij welk 'volwassen' interview ook bekroop mij de gedachte: que sais je?

Met Jonge Ego's heb ik een reeks willen opzetten die niét ingreep in het gewone doen van jongeren. Ik heb vooral willen observeren, zo veel mogelijk mee met de jongeren willen 'verdwijnen' in hun huiskamers bijvoorbeeld of tussen hun vrienden (onmogelijk). Ik heb rechtstreekse vragen naar meningen zoveel mogelijk vermeden.

Ik wilde schrijven op de groei, maar botste daarbij zeer snel op een van de belangrijkste obstakels voor een 'volwassen waardenvrije' waarneming van jongeren: je bent op je negenendertigste géén jongere, en je bent ook geen ouder of voogd. Dat bezorgde mij heel soms een unieke positie: ik vertoefde met de jongeren op plekken en in situaties waar de ouders zelf hun kroost nooit kunnen volgen (op school bijvoorbeeld, tijdens de lesuren). Het merendeel van de tijd was het een handicap. Ik betrapte mezelf er zeker in het begin van de reeks voortdurend op dat ook ik als volwassene thuis en op school naar andere volwassen ogen, van ouders of leerkrachten, zocht om uitleg en duiding te krijgen bij de jongere die ik verondersteld werd te observeren.

Zo kwam ik na een half jaar tot de ontnuchterende bevinding dat ik al vaak over Tiffany had geschreven, maar eigenlijk nog nooit écht met haar had gepraat. Toen ik daar eindelijk in slaagde, was het alsof er een code werd gebroken. Toen pas kreeg ik inzicht in Tiffany en toen pas zag zijzelf ook in hoe ze door mij werd geportretteerd. Mooi mea culpa leverde dat op: "Journalist kijkt in de spiegel. (...) Ik weet weer dat professionele waarnemers soms verdomd domme vragen kunnen stellen. Soms glimlachen ze (jongeren) je gewoon van je sokken, met al je zogenaamde volwassen wijsheden. Ze weten dat jij denkt dat je ze meent te kennen. Ze verwachten jouw vragen en de antwoorden die jij verwacht. En dan glimlachen ze. En vragen zich misschien af of journalisten ooit wel eens gewoon praten?"

De volwassen journalist begrijpt het niet als een jongere gewoon praat. De volwassen journalist prijst de jongere als hij of zij praat zoals een volwassene of toch met een gelijkaardige woordenschat. We zoeken allemaal naar onszelf in onze kinderen, toch?

Het Madurodam van de volwassenen

Wat voer er in Piet Van Eeckhaut, voorzitter van de Oost-Vlaamse provincieraad, toen hij vorig jaar een voltallige kindergemeenteraad aan de deur zette met de woorden: "Kinderen moeten niet aan politiek doen, ze moeten spelen"? Ik weet niet of hij het goed of slecht bedoelde, maar ik denk wel dat zijn punt misschien minder kindonvriendelijk was dan op het eerste gezicht maar lijkt.

Ik heb het zelf gaandeweg ondervonden: hoe wij volwassenen ons niet half bewust zijn van onze vooringenomenheid als we jongeren benaderen, ook of misschien zelfs vooral als we ons voornemen om de jongere 'centraal te stellen'. Zoals wanneer de volwassen politieke wereld kindergemeenteraden en -parlementen organiseert. Of zoals de experts van de Verenigde Naties, die het Verdrag van de Rechten van het Kind schreven. Dat Verdrag lijkt in al zijn goede bedoelingen toch ook een beetje een c.c. (copie conforme) van het 'volwassen' Verdrag van de Rechten van de Mens. De noties van rechten en plichten zijn op en top volwassen, de ouders veeleer dan de jongeren de toetssteen.

Als volwassenen de 'kleine' wereld observeren, beschrijven of organiseren, in onderzoeken, verdragen of gemeenteraden, doen ze dat bijna als vanzelf vanuit een volwassen referentiekader. Daarin dragen we onze concepten van 'democratie', 'politiek', 'rechten en plichten' of 'mondigheid' mee. Dit fenomeen, zeg maar: het syndroom van Madurodam (de Nederlandse variant van Mini-Europa, een tableau van Europese hoofdsteden aan de hand van miniatuurgebouwen), ligt altijd op de loer als wij volwassenen ons met jongeren inlaten. Alleen al als we óver hen praten, doen we dat in volwassen taal. Niet voor niets heb ik 'mijn' jongeren op het eind gevraagd om zelf iets te schrijven (zie Ego, pagina 8-9).

Ook de evaluatie van kindergemeenteraden en jongerenparlementen gebeurt onveranderlijk vanuit een volwassen notie van het politieke bedrijf. En dan gebeuren er ongelukken, zoals met kinderpremier Tom Deslagmeulder (11). Hij nam het volwassen Wetstraat-woord 'cordon sanitaire' in de mond, een politiek instrument dat in het leven werd geroepen voor Toms geboorte. Hij zette vraagtekens bij dat 'cordon', en de minivolwassene die men van hem gemaakt had werd toen prompt op een weinig kindvriendelijke manier te kijk gesteld zoals een volwassen politicus. Het gaf blijk van een schrijnend gebrek aan empathie voor en nieuwsgierigheid naar de kinderwereld van Tom.

Dit voorval zette mij eerder dan tot volwassen politieke verontwaardiging aan tot vragen over het 'kind' Tom. Praatte deze jongen volwassenen na? Of probeerde hij op zijn manier iets anders te vertellen, en voelde hij zich daarbij verplicht, zoals veel jongeren in hun omgang met volwassenen, om dat in een mimicry van volwassen taal te doen? Hier zag je twee betekenissystemen botsen, die van de jongere en die van de volwassene.

De hele rel verried dat als het er echt op aankomt de jongere in de feiten niét centraal staat. Dat zou heel anders geweest zijn als de feiten waren 'gelezen' zoals Toms moeder ze verwoordde: "Als mijn zoon zo'n uitspraak doet, wil dat gewoon zeggen dat het VB ook onder kinderen steeds vaker onderwerp van gesprek is." Dàt was nu iets voor volwassenen om verder nieuwsgierig op door te gaan, om mee aan de slag te gaan.

Het syndroom van Madurodam doet zich nog doortrapter voor in de wereld van amusement en media. Eurosong for Kids is wat het zegt: een miniatuurpark van het volwassen Eurosong. Hoezeer de (volwassen) organisatoren de publieke opinie ook mogen verzekeren dat de kinderen in dergelijke programma's héél goed psychologisch begeleid worden, en hoe kindvriendelijk of zelfs opvoedend het allemaal wel is, kern is en blijft: Zie kleine mensjes grotemensendingen doen. Natuurlijk zijn er ettelijke kinderen en jongeren die maar wat graag meedoen aan Eurosong for Kids, kinderen die echt graag zingen en performen. Waarom zou je die jongeren dus een megapodium of een kwartier beroemdheid ontzeggen? En toch fluistert 'mijn' omgang met jongeren mij behoedzaamheid in. Laat het mini-sterrendom kinderen echt wel in hun waarde? Worden ze op een podium gezet omwille van wat ze zijn, of omwille van wat volwassenen erin willen zien? In het beste geval kindsterretjes die iets kunnen, in het allerslechtste geval een bron van inkomsten.

"Op welke leeftijd was ik dat nog, mijzelf?" vatte de volwassen Isabelle Adam het drama van haar jongere 'ik', kindzangeres Isabelle A., samen.

Wie met jongeren aan de slag gaat, is onbewust toch vaak meer bezig met kindsterren, excuusketten en minivolwassenen dan met de jongeren waar we zeggen en ook menen mee bezig te zijn. Het is moeilijk om jongeren en zeker kinderen echt in hun eigenwaarde te benaderen en te laten. Het brengt mij opnieuw bij de kern van het eigen vak: que sais je? Weinig, als het om volwassenen gaat, nog minder als het om jongeren gaat, om mensen met wie ik een kloof van twee decennia méér waarneming op aarde te overbruggen heb, en met wie ik toch moet proberen te communiceren.

Zij zien, zij zien, wat jij niet ziet

"Details zijn leestekens, als je kinderen wilt begrijpen. Volwassenen slaan er zelden acht op, of net te veel, ze luisteren te letterlijk. Arifs papa zei het onlangs ook eens, zuinig, over Arifs bezetenheid met fietsen, snelheid, tandwielen en remmen. 'Ik denk dat het soms een scherm is.'" (De Morgen, 5 maart 2005)

Als volwassenen volwassenen interviewen of observeren, doen ze dat met min of meer dezelfde bagage. Zelfs dan is objectiviteit onmogelijk, zelfs dan is peilen naar zoiets als de essentie aartsmoeilijk. Ook in de waarneming van volwassenen door volwassenen is empathie eerder een schaars goed. Als het om jongeren gaat, wordt het nog lastiger. Tussen waarnemer en waargenomene staan aan beide zijden filters. Almaar vaker begon ik daarom gaandeweg de reeks observaties met zinnetjes als: "Ik weet het niet zeker, maar ik denk toch te weten wat X bedoelt of juister, voelt."

Eén keer stond op de voorpagina van de krant de promotiekop: 'JOURNALIST KIJKT IN HOOFD VAN TWAALFJARIGE'. Dat was goed bedoeld, maar ik vond het vreselijk, bijna een aanranding. Want: je kunt als volwassene niet gereserveerd genoeg zijn in de overtuiging dat je een jongere kent, en je kunt niet behoedzaam genoeg zijn om de gedachten van jongeren weer te geven.

Volwassenen en jongeren vinden in hun contacten maar moeilijk taal voor elkaar. Aan de volwassen kant speelt de wet van de remmende voorsprong, aan de kant van de jongeren de wet van het conformisme. En nog voor de observatie begint, is er de generationele kloof: ouderen kijken als vanzelf over jongeren heen. We kijken naar en vergelijken onszelf vooral met onze tijdgenoten waarmee we feiten, visies en waarden delen. Daarin verschillen jongeren niet van volwassenen: ook zij richten zich in hun doen, laten, vragen, observeren en beleven eerst en vooral op hun eigen generatie.

Ook nieuwsgieriger dan naar wat jonger is dan onszelf, zijn we naar de voorgaande generatie, de ouderen. Zij zitten namelijk in een fase in het leven die wij nog voor de boeg hebben, en dat scherpt vanzelf de appetijt aan. Zie het succes van het klassieke 'verjaardagsinterview' dat publieke bekenden vooral op hun zestigste te beurt valt.

Ook jongeren kijken graag 'naar boven', naar de ouders ('papa/mama, hoe was jij toen je zo oud was als ik?' - zoals toen de 15-jarige Tiffany 'ontdekte' dat haar vader dertig jaar geleden in dezelfde chiro had gezeten als zijzelf). Nog brandender kijken jongeren naar de leeftijdscategorie net boven hen.

Wat jonger is dan onszelf, interesseert ons minder. Ja, evident is er wel de ouderlijke aandacht voor de eigen kroost en de professionele focus van 'jeugdwerkers', maar ook dan is de aandacht minder prikkelend nieuwsgierig dan wel belerend opvoedend van karakter. Die aandacht is ook, automatisch, paternalistisch. Ik bedoel het niet per se negatief: opvoeding kan niet zonder paternalisme. De kunst bestaat erin om het opvoeden van het indoctrineren te blijven scheiden, het gidsen van het manipuleren. De integriteit van het jongerenkopje (zie verder) is sneller geschonden dan we maar denken.

Wij volwassenen dragen onze bagage mee, ons verleden. In ons hoofd zit, hoe 'volwassen waardevrij' we ook proberen te observeren, altijd de gedachte: 'We zijn ook jong geweest'. Dat is de wet van de volwassen remmende voorsprong. We vergapen ons aan jongeren, bekijken hun opgroeien en bevragen hun toekomstbeeld vanuit een 'verleden toekomst': wij hebben onze toekomst 'al gehad'. Als we een vijftienjarige zestien zien worden, of een scholier van de lagere naar de middelbare school zien gaan, projecteren we daar automatisch onze eigen ervaringen in 'dezelfde' situatie twee decennia geleden op.

Een vanzelfsprekend volwassen superioriteitsreflex vertroebelt de observatie van jongeren. Er zijn zinnetjes die die filter verraden, zoals: 'Het is de leeftijd zeker?' of 'Dat groeit er nog wel uit'. Het is zelfs sterk cultureel bepaald: in onze maatschappij kennen we aan het oudere meer wijsheid, ervaring en dus werkelijkheidswaarde toe dan aan het jongere. We gaan ervan uit dat jongeren 'minder moeilijk te lezen zijn dan volwassenen'. En we vullen zelf heel snel de blanco's in het beeld aan, vertrekkende van ons opgeschoten mens- en wereldbeeld. Ettelijke keren heb ik meegemaakt dat het gedrag van een tiener of puber door de volwassen omgeving als 'wisselvallig, grillig, eigen aan de leeftijd' werd omschreven, terwijl doorgedreven observatie en empathie mij leerde dat er wel degelijk een 'systeem in de grilligheid' zat.

Wie met jongeren werkt, moet meer dan wie ook beducht zijn voor Hineinterpretierung, moet zich bij elke zin die aan een waarneming wordt verleend, de vraag stellen: ben ik dat, of zijn zij het?

Bij de jongeren zelf zit er ook een filter. Jongeren zijn al bij al vrij conformistische wezens. Ze zullen tegen volwassenen vaker zeggen wat ze denken dat hun volwassen gesprekspartners willen horen dan wat ze zelf echt denken. Niet noodzakelijk om zich te 'verstoppen', wel omdat de volwassene nu eenmaal zoiets als een taaloverwicht heeft. Jongeren lijken mij heel sterk de neiging te hebben om zich bij vragen over onderwerpen als seksualiteit, vrijetijdsbesteding, politiek en actualiteit te conformeren aan het beeld dat zij vermoeden dat de volwassene van hen verlangt. Vragen van volwassenen kunnen in de ogen van jongeren dan ook vaak zinledig zijn, antwoorden des te gemakkelijker fout geduid.

De integriteit van het jongerenkopje

Hineininterpretierung is een vorm van aanranding van de integriteit. En er zijn er nóg. Grote conclusies trekken bijvoorbeeld over 'Jongeren zijn Zus en Zo'. Of jongeren storen in hun normale doen en laten. Dat laatste overkwam mij met Leen. Wij, fotograaf Filip Claus en ik, zouden haar een dagje volgen op school. Jongeren spenderen nu eenmaal driekwart van hun tijd op de schoolbanken, dus hoe konden we daar een jaar lang wegblijven? Toen we op school arriveerden, merkten we dat er iets fout zat met Leen. Het antwoord lazen we pas 's avonds in de mailbox: "We hebben een probleempje", schreef haar vader Tijl. "Leen jaagt zich behoorlijk op in het feit dat de reportage doorgaat op school. Ze wordt blijkbaar anders behandeld door de leraars en leerlingen: althans dat is haar perceptie of interpretatie. Ze springt er zowat uit, uit de groep en dat kan ze niet appreciëren. (...) Het komt erop neer dat ze eigenlijk niet zichzelf kan zijn: ze wil gewoon Leen zijn, niet Leen van in de krant. (...) Zoals ze er nu bijzit, lijkt het mij verstandiger er een punt achter te zetten. Mogelijks helpt een gesprek nog tegen de hoofdpijn, braakneigingen en andere lichamelijke ongemakken..."

Dieptepunt in de reeks was dit, maar ook - en is het vreemd? - een catharsis die veel losmaakte en die mij juist dichter bij doel bracht: voorbij de clichés over twaalfjarige meisjes inzicht krijgen in het twaalfjarige zijn. Maar welk 'algemeen nut' ook kan ooit rechtvaardigen dat je als 39-jarige een meisje van twaalf ook maar één minuut braakneigingen bezorgt?

Les. Laat ons extreem voorzichtig zijn in onze waarneming van en omgang met jongeren. Laat ons altijd goed beseffen dat we als volwassenen veel bagage meeslepen die, zelfs al willen we die echt bonafide gebruiken, een rem kan zijn op de eigenheid van de jongere als mens hier en nu. Zonder de weerbaarheid van jongeren te willen onderschatten (zoals Leen naderhand schreef: "Maak jullie geen zorgen: misschien zijn het wel de 'volwassenen' die zich té veel zorgen maken"), is het zo dat volwassenen vaak niet zien hoe overweldigend de impact van hun bagage is of kan zijn op een jongere. Dat geldt tussen opvoeder en leerling, ouder en kind, waarnemer en jong waargenomene. Zoals gezegd, ik kan me heel goed inbeelden dat stimulerend paternalisme in de opvoeding omslaat in afremmende superioriteit. Ik kan me ook heel goed inbeelden dat de grens tussen bonafide en malafide omgang met jongeren poreus wordt, en dat als die grens overschreden wordt de volwassene zichzelf (en de jongere) elk moment van de dag van het bonafide zal proberen te overtuigen ('Ik ben een kindvriend!'), tot beiden er zelf ook echt in gaan geloven. Ik kan me voorstellen dat kinderen genieten van hun mini-sterrendom in Eurosong for Kids. Ik kan me voorstellen dat tienerjongens de koning te rijk waren toen ze door Michael Jackson op zijn ranch Neverland werden uitgenodigd.

Ik weet dat er méér aanrandingen van de eerbaarheid en de integriteit bestaan dan, om het vocabulaire van Gerard Reves kompaan te gebruiken, het spelen met een pielemuisje of spleetje. Ik weet niet of ik de politiek-intellectuele lynchpartij op kinderpremier Tom Deslagmeulder zoveel 'netter' of zoveel minder kindonvriendelijk vind.

Wie is er onzeker over de toekomst, opa?

Mijn 'reis naar de toekomst van vandaag' is dus mislukt. En van wat ik volgens mijn ronkende beginselverklaring meende te zullen gaan vinden - Kennis Over De Jongeren Vandaag - is weinig in huis gekomen. Ja, ik ben natuurlijk wel tot een paar niet-onderbouwde algemene bevindingen gekomen. Zo geloof ik dat jongeren anno 2005 vroeger rijp, mondiger, kritischer zijn dan ze soms lijken als je ze bijvoorbeeld enkel en alleen op hun consumptiegedrag - de kleur van hun gsm-hoesje - zou taxeren. Ook lijkt die toegenomen rijpheid 'gedemocratiseerd' te zijn: het zijn niet alleen de kinderen van zelf goed opgeleide en niet onbemiddelde ouders die mondig geworden zijn. Ook denk ik dat de ouders, ongeacht de sociale klasse, zelf democratischer geworden zijn in de organisatie van het gezin. Er is gewoon meer inspraak. En ik denk niet dat jongeren per se conservatiever aan het worden zijn in hun normen en waarden, al word ik op dat punt tegengesproken door het wél onderbouwde aanvoelen van Mark Elchardus (VUB).

De échte les die ik heb geleerd, is dat we te weinig jongeren kennen, ook al huppelen er heel veel rond op ons scherm of in de krant. De échte les die ik heb geleerd, is dat jongeren veel beter zouden moeten worden gemonitord. En dat daarbij veel langer zou moeten worden stilgestaan bij het 'volwassen waardevrij'-zijn van die observatie.

Ik heb mijn eigen hoofd proberen leeg te schudden, ik heb jongeren proberen te zien in hun eigenheid, in hun zijn hier en nu, en dat levert me uiteindelijk dan toch nog een eerder 'algemeen maatschappelijke' conclusie op. Ik ben nogal gaan geloven in de jeugd, ik ben daar nogal optimistisch in. En ik denk ook te weten hoe het komt dat volwassenen altijd in de verleiding komen om de jeugd eerder negatief dan positief te 'lezen'. Pessimisme is namelijk vaak het gevolg van een bevooroordeelde, niet begrijpende 'lezing' van gegevens. We zoeken als volwassenen automatisch naar aanknopingspunten tussen houding en verklaringen van jongeren en ons volwassen referentiekader van normen, waarden en feiten. En die aanknopingspunten vinden we evident niet. Het is alsof je de stukken van een puzzel A koste wat het kost op het bord van een puzzel B zou proberen in te passen. Dat wringt en vloekt. Als je referentie puzzel B is, zie je hiaten en onzekerheden en ontgaat je de intrinsieke samenhang van puzzel A. Maar puzzel A is wel degelijk sluitend, zinvol en logisch op zich. Dit niet-kunnen-inpassen van het waargenomen jongere in het verwachte volwassene wordt door de volwassene bijna automatisch negatief geduid. Wellicht verraadt het eerder onzekerheid van de waarnemende oudere dan van de jongere.

Meer authentieke aandacht voor de eigenheid van jongeren, meer besef van de filters in de waarneming, de omgang en de organisatie, leidt volgens mij ook tot een veel positiever beeld van 'de jeugd'. Ik weet wel zeker dat ik de wereld blind in handen zou geven van de zes jongeren die ik het afgelopen jaar van dichtbij heb meegemaakt. En dat dit vertrouwen niets te maken heeft met hun opleidingsniveau of sociale klasse.

Kom hem maar halen, hoor, beste Leen, Arif, Tif, Lieven, Jonathan en Philip. Kom hem maar gerust halen, deze wereld. Jullie weten er verdomd aardig weg mee.

'Je kunt als volwassene niet gereserveerd genoeg zijn in de overtuiging dat je een jongere kent, en je kunt niet behoedzaam genoeg zijn om de gedachten van jongeren weer te geven''Ik weet wel zeker dat ik de wereld blind in handen zou geven van de zes jongeren die ik het afgelopen jaar van dichtbij heb meegemaakt. En dat dit vertrouwen niets te maken heeft met hun opleidingsniveau of sociale klasse'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234