Woensdag 21/08/2019

Iedereen weet nu dat Sobibór bestond

Trots? Een gevoel van triomf, dat schemert tussen het verdriet door? Jules Schelvis (90) kan de juiste woorden niet vinden om de uren te beschrijven waarin hij aan het woord was tijdens de rechtszaak tegen de van oorlogsmisdaden verdachte John Demjanjuk (91), de Oekraïner die in Sobibór bewaker zou zijn geweest toen Schelvis op 4 juni 1943 met zijn schoonfamilie arriveerde in het vernietigingskamp.

Schelvis mag dan gelauwerde boeken hebben geschreven over Sobibór, hij is een notulist, geen romanschrijver. Hij heeft geen woorden voor het onbenoembare, zijn boeken zijn sobere verslagen. Juist vanwege die distantie geldt zijn studie over het vernietigingskamp internationaal als een standaardwerk.

Het was niet de bedoeling van de nazi’s dat Schelvis daar, in het gerechtsgebouw in München, zou kunnen getuigen. Hij heeft gevochten voor zijn leven, 22 verschrikkelijke maanden lang. Hij redde het 66 jaar geleden - uitgemergeld en doodziek - en nu stond hij in een Duitse rechtszaal, met Duitse rechters en Duitse aanklagers, en deed hij zijn verhaal. In Duitsland, het land van de moordenaars. Hij somde zijn in Sobibór vergaste familieleden op, met naam, toenaam, geboortedatum en datum van de moord. Alle zestien. Luid en duidelijk klonken ze in de rechtszaal.

Hij stond fier en recht overeind. Het was uitputtend, het was emotioneel, maar het gaf genoegdoening. Het voelde als een overwinning. Het vervulde hem met... Ja, misschien komt trots het dichtst in de buurt van wat door zijn lijf gierde.

Schelvis beschreef hoe het kamp in elkaar stak. Hoe de nazi’s en handlangers als Demjanjuk Joden de dood in joegen. Op twee grote schermen was een plattegrond van het vernietigingskamp geprojecteerd, met de laatste stand van de onderzoekingen. Waar lag wat?

Waar waren de gaskamers? De exacte plek is nog steeds niet bekend. En wat bekend is, weten we goeddeels door het onderzoek van Schelvis.

Het was de enige keer dat Demjanjuk een teken van leven gaf. De beklaagde, die tijdens het hele proces op een bed lag en naar het plafond staarde en soms zelfs lag te snurken, richtte zich even op om naar de plattegrond te kijken. Schelvis had dat niet opgemerkt, geconcentreerd als hij was op zijn verhaal. Hij hoorde het achteraf van andere aanklagers. Schelvis dacht niet aan Demjanjuk - doet hij nooit. Demjanjuk doet hem niks, het is een ding dat er ligt, een wezenloos ding.

Ook al weet hij dat Demjanjuk praat en lacht als hij eenmaal de zaal uit is gereden. Dat laat Schelvis ook koud. Hem ging het om gerechtigheid. Gerechtigheid en erkenning voor zijn vermoorde familie en alle andere Joden die in Sobibór zijn vergast.

MET DE GITAAR NAAR SOBIBÓR

Iedereen kan nu weten dat er niet alleen Auschwitz was, maar ook Sobibór. Een derde van de in de Tweede Wereldoorlog vermoorde Nederlandse Joden is vergast in Sobibór. Die 34.000 bleven in het donker, hun verhaal moet worden verteld. Daarom heeft Schelvis al dat onderzoek gedaan, daarom heeft hij die boeken geschreven, daarom heeft hij de Stichting Sobibór opgericht. De gruweldaden mogen niet worden vergeten. Het proces tegen Demjanjuk, waarschijnlijk het laatste grote naziproces, is een waardig slotakkoord van Schelvis’ levenswerk.

Drie uur is Schelvis in Sobibór geweest. Hij herinnert zich elke seconde. Hoe hij er arriveerde met de trein vanuit Westerbork, samen met zijn 22-jarige vrouw Rachel en haar familie. Ze zaten met 60 lotgenoten opeengepropt in een wagon, grijsaards en baby’s, ziek en gezond, 50 wagons achter elkaar.

Het was een verschrikkelijke reis, 72 uur lang, in een donkere, stinkende, stug verende goederenwagon. Hun behoefte moesten ze doen in een houten ton. Om beurten zogen ze hun longen vol met frisse lucht bij het kleine, getraliede venster. Er was ook een ton met water, eten kregen ze niet.

Ze gingen erheen om te werken, dachten ze. Van gaskamers hadden ze nog nooit gehoord. Schelvis had zijn gitaar meegenomen. Bij een kamp hoort een kampvuur en horen liedjes. De eerste aanblik was vriendelijk, een paar barakken met gordijntjes. Die bleken van SS’ers te zijn. Hij liep naast Rachel, maar die was opeens verdwenen. Zij was afgeslagen, hij moest rechtdoor lopen. Toen hij dat merkte, keek hij achterom. Dat was verboden, werd hem toegesnauwd. Even later zat hij op een grasveld. Te wachten om naar de gaskamer te worden gebracht. Dat wist hij toen niet.

Tachtig jonge, sterke mannen stonden aan de rand van het veld. In een flits dacht Schelvis dat hij in die rij moest zien te komen. In zijn beste Duits vroeg hij aan een SS’er of hij zich bij hen mocht voegen. Dat mocht. Ze bleken te zijn geselecteerd om turf te steken in Dorohucza, een kamp drie uur verderop met de trein. Even later waren ze ernaar op weg. De hoop dat hij Rachel snel weer zou zien, werd een paar dagen later de grond in geboord. Een jeugdige Pools-Joodse medegevangene wist hem te vertellen wat er gebeurde met mensen die in Sobibór achterbleven.

ALLES WILLEN WETEN

Ook het turfstekerskamp was een hel. Het loodzware werk sloopte de ondervoede mannen, Schelvis zag ze bij bosjes bezwijken. Hij moest maken dat hij er weg kwam - weer lukte het hem, niet voor de laatste keer. Zijn odyssee voerde hem langs het getto van Radom, Auschwitz en Duitse werkkampen. Telkens ontsnapte hij aan de dood. Hij zag opgehangen mannen, hij hoorde executies. Hij sjouwde 50 kilo zware zakken cement, hij hakte stenen in een steengroeve en gooide bomkraters dicht die de geallieerden hadden geslagen in de landingsbanen van een vliegveld.

Een ontsteking aan zijn voet behoedde hem voor een barre voettocht naar Dachau. Het was uiteindelijk vlektyfus die hem sloopte. Doodziek lag hij op een brits toen de Fransen hem op 8 april 1945 in een werkkamp vlak bij Stuttgart bevrijdden.

Schelvis heeft lang gezwegen, er moest weer een toekomst worden opgebouwd. Terug in Nederland wilde hij de ellende zo snel mogelijk van zich afschudden. Dat kostte al moeite genoeg. Zijn schoonfamilie was uitgemoord, zijn vader was omgekomen in Sachsenhausen. Zijn huis was bewoond, de inboedel was verdwenen. Het koperspul dat Schelvis bij zijn werkgever in bewaring had gegeven, was verpatst. Zijn moeder en zus hadden Bergen-Belsen overleefd. Ook zij zwegen. Iedereen zweeg, niemand was in staat te spreken over de gruwelen.

Schelvis bouwde een mooie carrière op, waarin hij van drukker opklom tot hoofd algemene zaken en personeelszaken bij Het Vrije Volk. Hij hertrouwde, kreeg twee kinderen en drie kleinkinderen. Sinds 2001 is hij voor de tweede keer weduwnaar. Toen hij eenmaal met pensioen was, kreeg hij een onweerstaanbare drang om te getuigen. Hij wilde weten wat er met zijn vrouw en zijn schoonfamilie was gebeurd. Hij wilde weten wat er met hem zou zijn gebeurd als hij in Sobibór was gebleven.

Alles wilde hij weten van Sobibór, waarvan niets bekend was. Na een neergeslagen opstand van zogenoemde werkjoden in 1943 had de SS het kamp met de grond gelijkgemaakt en alle sporen gewist. In anderhalf jaar waren er minstens 170.000 moorden gepleegd. Hij reisde heel Europa af, sprak met overlevenden en dook in archieven om de waarheid te achterhalen. Tot in de gruwelijkste details heeft Schelvis die vastgelegd. Het vernietigingskamp had geen barakken om de aangevoerde Joden op te vangen: ze werden op de dag van aankomst vergast.

Hoe hij het heeft overleefd, is niet te geloven, vindt Schelvis zelf ook. Hij heeft geluk gehad. “Maar je moet ook lef hebben en initiatief tonen, je mag je niet willoos laten meevoeren op de golven van de zee.”

Het vertellen over zijn gruwelijke ervaringen valt hem minder zwaar met het verstrijken van de jaren. Niet dat er één wonde is geheeld, maar de gebeurtenissen die aanvankelijk vlijmscherp op zijn netvlies stonden, zijn toch een beetje vervaagd. De scherpe randjes zijn eraf. De ernst heeft een andere gedaante aangenomen.

Er gaat geen dag voorbij dat Schelvis niet aan de oorlog denkt. Sommige herinneringen zijn te diep in zijn geheugen gegrift. Sobibór, de plek waar hij zijn vrouw en schoonfamilie verloor, de bombardementen van de geallieerden op een vliegveld. Terwijl de bewakers dekking zochten, moesten de gevangenen doorwerken in het open veld.

Als Schelvis spelende kinderen ziet, ziet hij ook de kinderwagen in de trein naar Sobibór. De jonge ouders hadden de wagen met veel moeite de wagon in gewurmd. Als Schelvis bedenkt wat er met dat baby’tje is gebeurd, en met al die andere kinderen die zijn vermoord, dan wordt zijn stem schor en kan hij even niets meer zeggen.

HEMELVAARTSTRAAT

“Die kerels hadden een uniform aan, ze hadden allemaal hetzelfde smoelwerk, dezelfde pet of helm op. Het was zaak uit hun buurt te blijven. De Oekraïense bewakers waren wreder dan SS’ers”, zegt Jules Schelvis, die dat in een ander kamp aan den lijve heeft ondervonden.

John Demjanjuk was in Sobibór, 4 juni 1943, de dag dat Schelvis drie uur in het vernietigingskamp van de nazi’s was, in Polen, vlak bij de Russische grens. Of Schelvis hem heeft gezien? Hij weet het niet. Zelfs twee overlevenden die er een half jaar zijn geweest als zogenoemde werkjood hebben verklaard hem niet te herkennen. Schelvis is ervan overtuigd dat Demjanjuk bewaker is geweest in Sobibór. De documenten bewijzen het, waaronder een identiteitskaart waarvan experts uit de hele wereld de echtheid hebben bevestigd. Het papier, de nietjes, de foto, de inkt - alles is minutieus onderzocht.

Bewakers voerden Joden over de Himmelfahrtstrasse naar de gaskamers. Als ze tegenstribbelden, werden ze erheen geranseld met zwepen. Demjanjuk was van maart tot oktober 1943 in Sobibór. In die periode zijn er 27.900 mensen vermoord.

Als nabestaande van in Sobibór vermoorde Joden was Schelvis medeaanklager in het proces tegen Demjanjuk. De rechtszaak begon in november 2009. Ruim honderd procesdagen zijn er geweest, Schelvis heeft er acht bijgewoond. De rechtbank in München veroordeelde Demjanjuk donderdag tot een gevangenisstraf van vijf jaar voor medeplichtigheid aan de moord op zeker 28.000 Joden.

“John Demjanjuk moet schuldig worden bevonden, daarna mag hij gaan en staan waar hij wil”, betoogde Schelvis voor de rechtbank in München. De stokoude kampbewaker moet zijn laatste jaren in vrijheid kunnen doorbrengen, vindt hij. Schelvis is humanistisch opgevoed, zijn eis is een eerbetoon aan zijn ouders.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden