Maandag 05/12/2022

‘Ideologie is steeds meer gebaseerd op een verkeerd begrepen en verengde definitie van identiteit’

In de reeks Doeners & Denkers vroeg De Morgen aan zeven Vlaamse toppolitici welke internationale denker hun politieke visie en handelen heeft beïnvloed, van wie ze echt iets geleerd hebben. En bracht ze vervolgens samen voor een tweegesprek in Zeno. Guy Verhofstadt en Nobelprijswinnaar Economie Amartya Sen sluiten de reeks af. Het boek waarin alle gesprekken zijn gebundeld, verschijnt volgende week bij De Bezige Bij.

n de statige, haast monumentale bibliotheek van de fellows van Trinity College in Cambridge haalt Nobelprijswinnaar Economie Amartya Sen een roodfluwelen doek van een toonkast. Daarin ligt de eerste druk van de Philosophiae Naturalis Principia Mathematica, waarin Isaac Newton de zwaartekracht uitlegde. Ernaast zijn wandelstok en een piepklein boekje waarin de student Newton een inventaris van zijn spulletjes optekende. “Het is moeilijk om je op deze plek geen onderdeel van een lange wetenschappelijke traditie te voelen”, zegt Sen.

Mijnheer Verhofstadt, waarom wilde u precies een ontmoeting met Amartya Sen?

Guy Verhofstadt: “Omdat hij een van de grootste intellectuelen van onze tijd is natuurlijk, en wegens zijn boek Identity and Violence. Iedereen in het politieke veld lijkt het tegenwoordig over identiteit te hebben, het is een veel gebruikt en nog vaker misbruikt woord. Mensen hebben natuurlijk een identiteit nodig, zeker in een steeds meer geglobaliseerde wereld. Maar het probleem met het begrip identiteit is dat wanneer je het laat gebruiken door politici, ze het vaak gaan gebruiken zoals ze de term nationalisme in het verleden hebben gebruikt: ze maken er synoniemen van, terwijl dat absoluut niet het geval is. Identiteit is geen uniform iets, maar een complexe veelgelaagdheid, zoals Amartya uitstekend beschrijft. Het heeft te maken met vele factoren: de plaats waar je geboren bent, je geslacht, je taal, je carrière, je gevoelens, de invloeden die je van overal hebt opgepikt.

“In deze moderne tijden kun je zelfs een heel stuk van je identiteit zelf construeren en maken. Maar de fout die velen maken, en die werd ook al in de 19de eeuw gemaakt, is dat identiteit verengd wordt tot datgene wat je aan een groep verbindt. Zij die de identiteit niet hebben, worden dan buitenstaanders of zelfs vijanden. Identiteit wordt daarbij systematisch verengd tot één element: een taal, een godsdienst, ras, noem maar op. Dat verkeerde gebruik van het concept identiteit heeft in de loop van de geschiedenis aan de oorsprong gelegen van heel wat opflakkeringen van geweld. Dat inzicht heeft een grote indruk op me gemaakt. Amartya’s boek zegt ook dat de toekomst die je zelf kunt bouwen, samen met anderen, belangrijker is dan heimwee naar een zogezegd gemeenschappelijk verleden.”

Amartya Sen: “Daar ben ik blij om, want dat boek is niet mijn succesvolste. Wat ik jammer vond, want het is een belangrijk vraagstuk, waarin ik mijn bescheiden inzichten uit Indië en Europa kon samenbrengen. In Indië hebben we al lang de discussie over die veelgelaagde identiteit. Maar ginds is het toch meer aanvaard: je bent bijvoorbeeld Bengali, je komt uit een Hindoe-achtergrond, maar je bent zelf ongelovig, je bent Indisch staatsburger, maar je woont in Amerika en in Groot-Brittannië, je houdt van Indische poëzie en van Engelse romans. Het is voor een Indisch politicus bijvoorbeeld vaak vanzelfsprekend dat hij gelovig is, maar evenzeer dat hij zijn politieke agenda niet laat bepalen door zijn geloof, en perfect de religieuze diversiteit accepteert die het land kenmerkt. Gandhi spendeerde uren per dag aan religieuze meditatie, maar heeft op geen enkele politieke meeting ooit een religieuze boodschap meegegeven.

“Maar ik zie bijvoorbeeld dat Groot-Brittannië, en zij zijn niet alleen, daarover erg verward is. Ik heb een groot geloof in Britse identiteit. Politieke identiteit dan. Ik heb hier stemrecht in verkiezingen als een resident, omdat ik deel uitmaak van het Britse Commonwealth en dus onderdaan ben van de Koningin. Dus kan ik ook meer vrijuit praten over Britse politiek dan over Amerikaanse, waar ik geen burger ben, geen deel uitmaak van de politieke gemeenschap. Maar een Brit, of hij nu anglicaan, Hindoe, Sikh, moslim of boeddhist is, maakt er wel deel van uit. Ik had grote bewondering voor Tony Blair als eerste minister, maar ik was het niet eens met hem over Irak en ook niet over de manier waarop hij te vaak religieuze waarden op de politieke agenda bracht en zo een kunstmatige bron van politieke verdeeldheid creëerde. Dat is geen probleem wanneer religieuze verschillen er maar een van de vele zijn, maar in de tijd van Blair werden ze erg dominant.

“Bengali’s in dit land waren vroeger eerst Brit, dan Bengali en ten slotte misschien moslim. Nu worden ze systematisch als moslim bestempeld, terwijl de reden voor de onafhankelijkheid van Bangladesh net was om een seculiere staat op te richten, die de religieuze diversiteit respecteerde.

“Na de bomaanslag in de Londense metro kreeg ik een telefoontje van een vriend. Hij was een Brits staatsburger, afkomstig uit Bangladesh, met een moslimachtergrond, maar niet bijzonder praktiserend, en actief in de Labourpartij. Hij was erg verontwaardigd omdat Tony Blair Britse moslims had opgeroepen om hun geloofsgenoten ervan te overtuigen zich gematigd op te stellen. Hij vond - niet onterecht - dat Blair hem had gevraagd zijn hele identiteit te laten vallen, en zich te verengen tot een moslim. Blair vroeg mijn vriend niet zich op te stellen als een Brits staatsburger, wat hij nochtans is, of als Labourmilitant, wat hij ook was, maar uitsluitend als moslim, die andere moslims de les moest spellen, of dat nu moslims uit Pakistan of Marokko waren. Op zulke momenten zie je toch weer hoe identiteit plots teruggebracht wordt tot één aspect.”

Maar waarom definieert Blair die man als moslim? Het lijkt wel of in deze tijden identiteit de rol van de ideologie heeft overgenomen.

Amartya Sen: “Ideologie is nu steeds meer, zeker in zijn meest virulente vormen, gebaseerd op een verkeerd begrepen eendimensionale identiteit. Terrorisme is slechts bij een ontzettend klein deel van de moslims een optie, maar toch wordt de hele gemeenschap erop aangesproken. Ook in Europa zie je die spanning toenemen. Neem mijn goede vriend Philippe Van Parijs, een briljant professor aan de Université Catholique de Louvain, met wie ik het daarover ook vaak heb. Hij is Belg, van oorsprong Vlaams maar inmiddels ook francofoon, hij woont in Brussel, is links, wereldleider in het basisinkomenprogramma. Hij is ooit een beetje religieus geweest, misschien nu nog, en tussen al die aspecten is er geen conflict, tot iemand je verplicht te kiezen bij de vraag wie je nu eigenlijk bent, en dan maar één antwoord op die vraag wil. Dat creëert een conflict dat daarvoor niet eens bestond.”

Guy Verhofstadt: “Juist, de problemen ontstaan wanneer iemand je vraagt je identiteit te verengen. Het probleem met identiteit is niet dat je er een hebt, zolang je maar beseft dat die complex is. Het wordt problematisch wanneer identiteit gebruikt wordt om mensen te classificeren, wanneer het een uitsluitend principe wordt. Wat is het Europese drama? Dat we een veelheid aan gemengde identiteiten hebben, en dat we dat nog niet zo lang als een probleem ervaren. Want het kosmopolitische Europa heeft Kafka, Einstein en Freud geproduceerd, door een mix van identiteit: de Duitse taal, een Joodse gemeenschap, een lokale gemeenschap, dat was het unieke van Europa, die diversiteit van identiteiten en culturen, dat was de basis van het meest vruchtbare denken dat we in de wereldgeschiedenis hebben gezien.

“In zijn autobiografie beschrijft Elias Canetti hoe aan het begin van de 20ste eeuw in zijn Bulgaarse geboortestad aan de Donau zeven talen door elkaar worden gesproken, hoe iedereen dat ook perfect normaal vond, en hoe die talen en de eraan verbonden culturen elkaar bevruchtten en inspireerden. We zijn dat verloren, omdat Europa zich lijkt te willen terugtrekken op mono-etnische en monolinguïstische eilandjes. Netjes gescheiden van elkaar. En toch blijven we lippendienst bewijzen aan het idee dat de rijkdom van Europa net uit al die culturen en talen bestaat. Het begrip identiteit wordt misbruikt als rechtvaardigingsgrond voor al die monoculturele eilandjes. Identiteit wordt zo een gevaarlijk wapen in de handen van nationalisten en populisten.”

Nog geen generatie geleden haalden socialisten, christendemocraten en liberalen samen moeiteloos 80 procent van de stemmen. Nu halen ze nog nauwelijks de helft, en moeten ze de rest afstaan aan populisten, identiteitsbelovers en nationalisten. Hoe komt dat?

Amartya Sen: “Interessante vraag, benieuwd wat Guy daarover te vertellen heeft. (lacht)”

Guy Verhofstadt: “Mensen zoeken een identiteit in de moderne wereld. Het is een automatisme dat in een steeds complexere wereld mensen naar ankerpunten en zekerheden zoeken. Een paar generaties terug kende men zijn dorp, de taal die hij sprak, zijn toekomst. Dat bestaat niet langer. Dat geeft enerzijds enorme vrijheid en opportuniteiten, maar anderzijds ook veel angstgevoelens en twijfels over je eigen plaats. Die zoektocht is een positief iets, daar zit het probleem niet, wel in de manier waarop sommige politici die zoektocht gebruiken om uitsluitingsmechanismen op gang te brengen om zo te kunnen kapitaliseren op angstgevoelens. De verleiding tot classificatie is er altijd. Maar wanneer die gebeurt via één of twee criteria, beginnen de problemen. Dat is wat nationalisten goed begrepen hebben: dat die zoektocht naar identiteit hun het perfecte alibi biedt om hun oude politieke agenda’s weer op tafel te krijgen.”

Amartya Sen: “De Eerste Wereldoorlog draaide om niets anders dan nationalismes en identiteiten. Het is niet omdat die inmiddels bijna honderd jaar oud is, dat we de lessen eruit zouden moeten vergeten.”

Guy Verhofstadt: “Maar onze oplossing na WO I was net om nog meer van hetzelfde te gaan doen, waardoor uiterste vormen van nationalisme gretig kapitaliseerden op de frustraties die daardoor ontstonden. En nu lijkt het of de identiteitsprofeten opnieuw die weg op willen. Het blijft gek: we zijn nog nooit zo mondiaal ingesteld, hebben nog nooit zoveel gereisd, hebben nog nooit zo internationaal gewerkt, en toch zijn die oude demonen springlevend.”

Amartya Sen: “Vandaar dat je ook de vraag moet durven stellen of gesubsidieerd godsdienstonderwijs wel nog zo’n goede zaak is. Er zijn hier nogal wat moslimscholen, die bovenmatig veel aandacht besteden aan godsdienstonderwijs en dus aan eendimensionale moslimidentiteit. Dat kan omdat er altijd anglicaanse en katholieke scholen zijn geweest. Men heeft het systeem gewoon uitgebreid, in plaats van zich af te vragen of het wel zo’n goed systeem is. Zo sluit je mensen natuurlijk nog wat meer op in een van de aspecten van hun identiteit, het moslim-zijn, ten koste van andere lagen van die identiteit, zoals het behoren tot de Britse gemeenschap.”

Het afgelopen jaar stond ook in het teken van de crisis op de financiële markt. Mijnheer Verhofstadt, u heeft lang in de onzichtbare hand van de markt geloofd, nee?

Guy Verhofstadt: “Ik was zelfs bijna een libertariër, ja. Ik geloofde dat markten zichzelf kunnen reguleren, en dat je slechts een minimale staat nodig hebt. Maar dat geloof gaat wankelen als je iedere dag met politiek bezig bent. Vandaag besef ik dat het zelfs onmogelijk is daarop te vertrouwen. Je hebt een autoriteit nodig, gedragen door de staat, die een minimum aan spelregels kan afdwingen. Geen overregulatie, maar goede regelgeving. Dit is immers de crisis van hen die dachten dat zelfregulering wel volstond. Want alles wat gebeurde met de subprime-crisis was geweten door Alan Greenspan en de Federal Reserve Bank. Alleen wilden ze er niet in tussenbeide komen. Dat was haast een kwestie van blind geloof. Zelfs in The Wealth of Nations van Adam Smith vind je paragrafen terug die zeggen dat een vrije markt alleen kan werken met een aantal spelregels, omdat je anders de anarchie krijgt waarin alleen het recht van de sterkste geldt. Na twintig jaar te zijn opgeschoven naar een steeds minder gereguleerde en speculerende markt, herontdekken we de noodzaak aan goede autoriteiten en klare regels, en een nieuw evenwicht daartussen. We hebben nu globale markten maar we hebben geen globale regulatoren: daar zit het onevenwicht. Nationale autoriteiten hebben in die wereld geen toekomst meer. We moeten een nieuw evenwicht tussen markt en politiek zoeken op een globaal niveau. Als we waterkwaliteit en autokwaliteit reguleren, waarom zouden we dat dan niet met financiële producten doen? Maar toegegeven, ik ben anders begonnen. Mijn bijnaam in de Belgische politiek in die beginjaren was Baby Thatcher.”

Amartya Sen: (schatert)

Guy Verhofstadt: “Oké, (lacht) ik heb bijgeleerd. Misschien ben ik een van de weinige politici die in zijn loopbaan van rechts naar links is geëvolueerd, terwijl de meesten net het omgekeerde doen. (lacht)”

Amartya Sen: “Ik geloof dat het hele vraagstuk teruggaat tot de basis van de markteconomie. Adam Smith geloofde, in tegenstelling tot een algemeen verspreid misverstand, nooit in de kracht van de onzichtbare hand. Hij heeft die term trouwens maar drie keer gebruikt in zijn volledige werk, één keer positief, één keer zeer neutraal en haast als voetnoot, en één keer met een zeer negatieve bijklank. Hij was dus helemaal niet de theoreticus van de absolute zelfregulatie, zoals sommigen dat graag doen voorkomen. Hij was zelfs een uitgesproken tegenstander van mensen die op korte termijn veel geld willen verdienen met risicovolle speculatie zonder regelgeving, omdat hij vreesde dat dit type speculant grote crisissen kon uitlokken. Net daarom was hij voorstander van een aantal regels, opgelegd door de staat. Maar anderzijds was hij ook tegenstander van regelgeving die contraproductief zou werken, in de zin dat ze een vlotte werking van de markt in de weg zou staan. Hij vond niet dat de staat de handel moest belemmeren door tolheffingen en tarieven, maar hij zei ook dat de staat wel een aantal regels moest handhaven om de anarchie te voorkomen. Hij is daarover in discussie gegaan met de filosoof-jurist Jeremy Bentham, die Smith verweet onvoldoende aandacht te hebben voor de voordelen van de vrije markt. Want Bentham vond dat speculanten wel een rol hadden als gangmakers van vernieuwing.”

Guy Verhofstadt: “Hetzelfde argument dat nu gebruikt wordt ter verdediging van de financiële ingenieurs die de derivaten hebben uitgevonden.”

Amartya Sen: “Juist. Het debat is dus niet nieuw. Het nieuwe is alleen dat velen Smith als uithangbord gebruiken voor ideeën die hij nooit gehad heeft.”

Guy Verhofstadt: “Inderdaad, het loslaten van de markt zit veel meer bij Friedrich Hayek en de Oostenrijkse school.”

Amartya Sen: “Ik geloof wel in de nieuwe wereld, maar niet in nieuw kapitalisme, een term die Smith ook al nooit gebruikt heeft. Hij was tegen iedere dogmatische positie over de markt, hij bepleitte een multi-institutioneel systeem, gebaseerd op voorzichtigheid, nuance, pragmatisme, en andere sociale waarden, en zeker niet alleen op het winstmotief. Moeten we onze voorstelling van de wereld veranderen na de crisis, is een vraag die veel gesteld wordt. Maar wie zijn die “we”? Ik moet niet veel aan mijn denkbeelden veranderen, en de klaardenkende stichter van de economische wetenschap Adam Smith evenmin. De volgelingen van Friedrich Hayek, Milton Friedman en de Chicagoschool wel. Heel de Chicagoschool, die een tijdlang heeft gegrossierd in Nobelprijzen Economie en die het lichtende pad meende te kunnen tonen aan de internationale financiële wereld, die moet vandaag zijn ongelijk toegeven.”

Guy Verhofstadt: “Niet iedere interventie van de staat is echter probleemloos. Je moet ook niet denken dat elke regel goed is, dat de staat zaligmakend is en de markt gedoemd om te falen. Integendeel zelfs. Deze crisis is ook het gevolg van een aantal interventies van de staat, en, contradictorisch genoeg, van een aantal niet-interventies in sommige financiële deelmarkten die zo ontspoord zijn: dat men procyclisch heeft gewerkt in plaats van anticyclisch, en ook het gegeven dat dit beleid werd gedicteerd door de Federal Reserve Board, wat geen private instelling is. Hun halsstarrig volgehouden goedkope rente heeft ook bijgedragen aan het fenomeen. Als je een goede analyse maakt, kom je bij het gegeven dat niet-regulering inderdaad niet werkt, maar dat je een beperkte en goede regulering nodig hebt. Dat is niet makkelijk. Wat zijn de juiste en efficiënte instrumenten? Het betekent ook dat je voor globale markten globale regels zal moeten bedenken. De creatie van de natiestaten in de 19de eeuw heeft een enorme boost aan hun economie gegeven, omdat ze een interne markt creëerden in die landen met één taal, één stel van regels. Maar we zitten nog altijd in dat kader, terwijl de markt niet langer binnen een natiestaat werkt, maar globaal. We hebben geen nationale economieën meer, dus heb je wereldregels nodig, die je moeilijk vanuit de natiestaten kunt invoeren, zoals Europa vandaag elke dag wel bewijst.”

Amartya Sen: “Het dereguleren heeft geleid tot een veel te grote tolerantie voor verkwisters en oplichters op de markten, op een manier die Adam Smith zou gechoqueerd hebben. Ze is ook veroorzaakt door een enorme overschatting van de marktprocessen, verergerd door onrust en gebrek aan vertrouwen, waardoor de kredietmarkten zijn gaan dichtvriezen. In die zin is deze crisis ook behoorlijk psychologisch van aard, een gevolg van wat de econoom Arthur Cecil Pigou, een tijdgenoot van Keynes, errors of undue pessimism noemde.”

Het concept rechtvaardigheid is te belangrijk om het aan de markt over te laten?

Amartya Sen: “Daar ben ik toch een behoorlijk deel van mijn loopbaan mee bezig geweest, ja (lacht). Wil je een ethiek en politieke en sociale rechtvaardigheid hebben, dan heb je meetinstrumenten nodig om te kijken hoe het leven van de mensen ervoor staat. Dat krijg je niet alleen voor elkaar met de klassieke economische parameters zoals het beschikbaar inkomen, of door te kijken of er bepaalde instituties bestaan. Het leven van mensen wordt niet alleen beïnvloed door instituties, maar ook door hun gedrag en hun interacties. Ik vertrek eigenlijk vanuit een Aristoteliaans principe, dat zegt dat levenskwaliteit samenhangt met de vrijheid om te doen wat je wilt doen. Hoeveel capaciteiten hebben we daartoe ter beschikking, dat is de echte graadmeter. Pas dan kun je menselijk leven naar zijn waarde schatten.

“Vandaag heeft die benadering nog niet veel navolging in de internationale statistieken. Er wordt heel goed gedocumenteerd dat een gehandicapte minder inkomsten heeft, omdat hij niet in staat is een loon te verdienen. Maar die handicap maakt het je ook moeilijker om inkomen te converteren in levenskwaliteit, want je hebt eigenlijk meer geld nodig om eenzelfde goed leven te kunnen hebben. Dat wordt niet meegerekend, maar het maakt een groot verschil wanneer je nadenkt over ongelijkheid en armoede. Je moet het dan eveneens hebben over persoonlijke vrijheid, die je ook al moeilijk kunt meten: de vrijheid je eigen leven te leiden, zonder interferentie van anderen, of zonder dat jij dat van anderen beïnvloedt. Die complexe vraagstelling is het onderwerp van mijn boek The Idea of Justice.”

Mijnheer Verhofstadt, kunt u Amartya Sen proberen te overtuigen van de merites van uw Europees plan tegen de crisis?

Guy Verhofstadt: “De markt spreekt een wereldtaal, de regulatoren een natietaal van 100 jaar geleden. Ik probeer uit te leggen dat wanneer je dat in Europa wilt aanpakken, je dat niet kunt doen met 27 verschillende en disparate plannen, maar dat het waarschijnlijk beter is om het te doen met één gecoördineerde Europese aanpak. Het gebrek aan vertrouwen dat de banksector zo goed als lamlegde, kun je alleen oplossen door een nieuw vertrouwen te creëren met een uniforme Europese aanpak, zodat alle actoren weten waar ze aan toe zijn, zodat iedereen weet dat er geen toxische producten meer zitten in de banken of de instellingen waaraan ze krediet zouden willen geven, maar nu nog niet durven. Want zolang er ergens de kans bestaat dat er nog toxische producten verborgen zitten, zal het vertrouwen niet terugkomen.

“Bovendien biedt deze crisis de mogelijkheid de economie te hervormen op een meer duurzame manier, ze ecologischer te maken, gebaseerd op niet-fossiele brandstoffen en energie. Dat is de tweede grote taak, wat meer is dan een jumpstart van de economie waardoor je opnieuw al je begrotingen in het rood jaagt. En ten slotte is er de vraag hoe je de globale regulering organiseert. Kopenhagen was een mooi voorbeeld. Obama was niet eens geïnviteerd, maar hij kwam binnen, ging even met de Brazilianen, Indiërs en Chinezen samenzitten en het resultaat was bekend. Europa stond er weer voor spek en bonen bij. Dat is niet de ideale wereldorde. De G8 was niet ideaal, de G20 ook niet. We dreigen nu naar een G8 zonder Europa te gaan wanneer dat Europa er niet in slaagt uit één mond te praten. Dan zal het India, China, Japan, de VS, Brazilië, Rusland, Mexico en Indonesië zijn. Dat wordt de G8 binnen dertig jaar als we niet oppassen. Moeten we dus niet naar verdere integratie van politiek en economie gaan op Europees vlak?

“De Veiligheidsraad van de VN is een mooie weerspiegeling van hoe de wereld er in 1945 uitzag, maar deze wereld is die van 1945 niet meer. Dat orgaan weerspiegelt net zomin als de G8 nog de wereld van vandaag. Het IMF, waarin de VS een feitelijk veto heeft, evenmin. Niets is veranderd sinds 1945, behalve de wereld zelf, die compleet veranderd is. Hoe start je die nieuwe wereldarchitectuur op? Waarom maken we geen organisatie met vertegenwoordigers van de belangrijkste economische blokken en vertegenwoordigers van de grote internationale organisaties, waaronder de EU? Waarom zou Europa daar het voortouw niet in nemen? Want wanneer we daar niet slagen meer eensgezind te werken, blijven we volgens mij nog jaren veroordeeld tot economische stagnatie.”

Amartya Sen: “Er zijn positieve dingen in uw verhaal, al ben ik niet zeker dat Europa de wereld zal kunnen redden, zoals de ondertitel van uw boek belooft. Ik hanteer de simpele regel geen commentaar te geven op boeken die ik nog niet gelezen heb, dus daar zal u nog even op moeten wachten (lacht). We moeten niet over de crisis nadenken alsof alleen de Chicagoschool of Keynes pasklare oplossingen zouden hebben. We hebben vernieuwend denken over de aard van de crisis en de wereld nodig. Niet om te herhalen wat in het verleden is gezegd, ook al blijven sommige basisprincipes onveranderd gelden.

“Misschien blijft de echte boodschap van Adam Smith, met name dat je een sterke markt nodig hebt, maar ook sterke andere instituties om misbruik te voorkomen, nog wel geldig. Maar de toepassing van dat principe in de huidige politiek-economische realiteit is enorm belangrijk. Guy heeft gelijk dat die nieuwe regulering zeker niet alleen vanuit de natiestaten kan komen, maar dat je ook een internationale dimensie nodig hebt, en globale samenwerking.”

Guy Verhofstadt: “Het Kopenhagenfailliet heeft aangetoond dat de Verenigde Naties misschien niet altijd het beste forum zijn. Het is niet omdat je honderden staatsleiders uitnodigt, dat je ook tot een overeenkomst komt. Wat we misschien nodig hebben rond de belangrijke onderwerpen zoals klimaatopwarming of de regulering van de financiële markten is het creëren van multinationale fora, onder auspiciën van de VN. Want iedereen vraagt zich nu af op welke manier we verder moeten naar de volgende klimaattop in Mexico. Een wereldregering klinkt nog steeds redelijk utopisch, maar we moeten er toch stilaan naartoe in een onderling afhankelijke wereld, waarin iedereen iedereen beïnvloedt, en waar de rol van de klassieke supermogendheden nog wel groot, maar toch tanende is. Alleen heeft iedereen een enorme koudwatervrees om een stuk van de eigen autonomie op te geven.”

Amartya Sen: “Ik geloof ook in een globale werelddemocratie. Maar dan democratie in de termen van John Stuart Mill: government by discussion. Hoe meer globale discussie, hoe meer begrip voor de variatie van andere benaderingswijzen en rechtvaardigingsgronden. We hebben de neiging het belang van tegengestelde posities te benadrukken, terwijl diezelfde verschillen in iedere cultuur waar te nemen zijn, en daar het leven toch niet onmogelijk maken. Het is een manier vinden om er mee leren om te gaan. Ik geef in mijn boek het voorbeeld van drie kinderen die elk die ene beschikbare fluit willen. Het eerste zegt: “Ik heb er recht op, want ik ben de enige die erop kan spelen, en dus voor mooie muziek voor ons alledrie kan zorgen.” Zegt de tweede: “Maar jullie hebben allebei al veel speelgoed, en ik heb helemaal niets, dus het zal mij het meeste plezier geven.” Waarop de derde zegt: “Ik vind dat ik recht heb op de fluit, want ik heb ze gemaakt.” Geen van die argumenten kun je als onzin afdoen en dus negeren om gemakkelijker tot een oplossing te komen. Je zult integendeel moeten leren afwegen welk argument in welk specifiek geval en in welke omstandigheden het zwaarste weegt. Begin dus maar (lacht).”

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234