Maandag 18/01/2021

'ich sein mein sprach'

(Ernst Jandl)

De giftige karamelleverzen van de Oostenrijkse dichter Ernst Jandl (1925-2000) zien zwart van de humor. Het hele westerse beschaaf ligt in zijn poëzie aan diggelen. Dat geldt ook voor zijn theaterstukken en -brokken. Die humanisten bijvoorbeeld, een eenakter uit 1977, geschreven in een kinderlijke spraak zonder vervoeging. Alle werkwoorden staan in de infinitief. Onvervoegd zijn ook 'de humanisten', twee mannen die zichzelf beschouwen als de spreekbuis van het westerse gedachtegoed: een kunstenaar en een historicus. Het stuk begint met een 'Vorspiel auf dem Theater', een duidelijke verwijzing naar Goethes Faust. Goethe is uiteraard een van de belangrijkste 'Ahnen' (voorvaderen) waar Jandl in het openingswoordspel op zinspeelt: "ahnenfangen!" ('angefangen', begonnen). De twee humanisten steken elkaar met lof de loef af, lof voor de grote "goethe" en zijn "schön deutsch sprach". Een tijdgenoot van Goethe, Jean Paul, schreef ooit dat boeken dikkere brieven aan vrienden zijn. Volgens Peter Sloterdijk vat die uitspraak het wezen van het "nationaal-burgerlijke" humanisme samen. Van boeken lezen zou je humaner worden, en al wie las hoorde bij de Club van Belezenen. Bij Jandl klinkt die verbroedering zo: "zwischen unsen es sein kein hassen (...) sein ein angsten von sentenmentalentäten/ sein ein angsten von sagen: bruderen!" Het gebrek aan hoofdletters is niet te horen, maar wel het koeterwaals van de twee humanisten. Zwelgend in de "schön deutsch sprach" van Goethe verklaart de kunstenaar: "ich sein mein sprach". Ik zijn mijn taal; het zou zo uit de mond van een Antwerpenaar kunnen komen. Wat Jandl doet, kan infantiel klinken, maar hij laat ons alleen maar naar onszelf luisteren, de mens naar zijn 'humanisme'. De liefde voor de taal (filologie) is onlosmakelijk met humanisme verbonden. Geïnspireerd door aartshumanist Lorenzo Valla bezorgde Erasmus een kritische editie van het Nieuwe Testament; Martin Luther bracht in 1523 de eerste editie van zijn vertaling van het Oude Testament uit. Daarin zijn alle woorden nog klein geschreven. De tweede uitgave van 1545 staat stampvol kapitalen. Met een beetje antihumanistische slechte wil zou je daarvan kunnen aflezen hoe snel het humanisme naar het hoofd kan stijgen. In zijn historische context is het humanisme zonder meer een ontzagwekkend fenomeen, maar het nobele ideaal van de individuele ontplooiing heeft ook iets overmoedigs. Jandl laat zijn twee humanisten tegen elkaar opbieden om uit te maken wie nu de meest ontplooide is: "ich sein ein universitäten professor kapazität von den geschichten - was du sein?/ ich sein ein groß deutschen und inder national nobel preisen kunstler". De flinkerds zijn zodanig met hun zelfontplooiing bezig dat ze nauwelijks naar elkaar luisteren: "sein dies ein dialogen?/ sein nicht logen, sein wahrheit!"

Antihumanisme was natuurlijk heel in toen Jandl die humanisten schreef. Vooral Franse denkers als Lacan, Althusser, Foucault hadden erop gewezen dat de zelfbeschikking die de humanisten zo hoog in het vaandel droegen, grotendeels zelfbedrog was. Het was een illusie dat de mens in staat zou zijn om door middel van autonome keuzes de loop van de geschiedenis te sturen. Niet de mens, maar een geheel van sociale, economische, psychologische structuren bepaalt de loop der dingen, dus ook die van de mens.

Maar het antihumanistische 'discours' is ook het perfecte excuus om alles dus maar op zijn beloop te laten. In het jaar 95 na Ford worden drieduizend mensen afgedankt en honderd jaar na Ford zal het voorval hooguit nog een nostalgisch 'tja' uitlokken. Er zijn alleen nog 'de structuren' om vergeefs tegen te protesteren. Niemand kan er zogezegd wat aan doen; het is de schuld van zoiets abstracts als de conjunctuur, die haar gang maar gaat. Onder het motto "Something is taking its course" uit Samuel Becketts Endgame (1957) vergelijkt Peter Sloterdijk de kinetische utopie van de moderniteit met een roltrap: het haalt weinig uit om als individu op en neer te hollen; 'het' gaat gewoon zijn gang, en geloven dat iemand voor je op de roltrap 'hoger' staat in de menselijke evolutie is al helemaal een overinterpretatie. Volgens de antihumanisten is de mens niet de speler van het eindspel, hooguit een pion.

Jandl noemt zijn stuk die humanisten ook een "Endspiel": wat erna komt is weliswaar niet niets, maar het is niets anders. De antihumanisten blijken uiteindelijk hetzelfde taaltje te spreken. Ze hebben zich een avond kunnen vermaken met de manier waarop die humanisten zich belachelijk maken, maar helemaal op het einde van het stuk zijn ze zelf de tweede vlieg die Jandl in die ene klap slaat. In de laatste scène laat Jandl een bende "terroristä" een eind maken aan het bewind van de humanisten. Ze luiden een nieuw tijdperk in, vernietigen al het oude, maar hun taal is niet anders: "deutschen sprach besudelt haben (...) diesen zweien. aufhängen!" De vorm is vernietigender dan de inhoud. Jandls gebruik van de infinitief zegt het allemaal: en zo blijven het maar doorgaan, humanisme, antihumanisme,... het zijn iets infinitiefs. Is er een alternatief? Peter Sloterdijk schreef zijn Regeln für den Menschenpark (1999) als antwoord op Martin Heideggers brief over het humanisme (1946). Volgens Sloterdijk is de latente these van het humanisme: "Richtige Lektüre macht zahm." De mens temde zichzelf met de 'juiste' lectuur, maar die strategie leidde links en rechts (onder Stalin en Hitler) tot de meest beestachtige regimes ooit. Wie bepaalt trouwens welke lectuur 'richtig' is. In plaats van de humanistische 'Richtung' suggereerde Heidegger de "Lichtung van het Sein". Een 'Lichtung' is een open plek in het bos, en het 'Sein' is in elk geval met hoofdletter geschreven... "Richtung" en "Lichtung", rechts en links, "ich sein mein sprach" en Heidegger "Sein Sein sprach". Een alternatief is de sappige Ernst van de man die al dit kapitaal belang onderuit haalde en zich consequent voordeed als een Jandl die eens pruimen zag hangen, maar dan ook wist waar die hingen: "lichtung// manche meinen/ lechts und rinks/ kann man nicht/ velwechsern./ werch ein illtum!" ["lichting// sommigen denken/ dat je/ lechts en rinks/ niet dool erkaal kan haren./ wat een glove dwaring!"]

lichtung manche meinen lechts und rinks kann man nicht velwechsern. werch ein illtum!

lichting sommigen denken dat je lechts en rinks niet dool erkaal kan haren. wat een glove dwaring!

Dirk Van Hulle

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234