Maandag 20/01/2020

Ian Buruma over de intellectuele zeloten achter president George Bush

De laatste der neoconservatieven

Ian Buruma is auteur van Murder in Amsterdam: The Death of Theo van Gogh and the Limits of Tolerance. Hij doceert democratie, mensenrechten en journalistiek aan Bard College.

Obama is nog niet ingehuldigd of de eerste historische analyses van het Bushtijdperk beginnen ons te overspoelen. Volgens Ian Buruma dragen de intellectuelen en de denktanks een zware verantwoordelijkheid. En de president die naar hen luisterde natuurlijk: 'Een combinatie van invloedrijke leiders met autoritaire neigingen en intellectuele idealisten leidt vaak tot slechte politiek.'

Wat zal er gebeuren met de neoconservatieven nu het presidentschap van George W. Bush er bijna op zit? Zelden heeft in de geschiedenis van de Amerikaanse politiek een zo kleine groep belezen intellectuelen, zoveel invloed gehad op het buitenlandse beleid. Bij de neoconservatieven onder Bush en vicepresident Dick Cheney, die geen van beiden bekendstaan om brede intellectuele interesses, was dat wel het geval.

De kans van 9/11

De meeste presidenten hopen dat ze hun tijd in de Oval Office een of andere betekenis kunnen geven. De terreuraanslagen van 9/11 waren voor de neoconservatieve intellectuelen de ultieme kans om hun revolutionair idealisme aan het bedrijf Bush-Cheney te verkopen. Ze gaven de inval in Irak een intellectuele boost: ze schreven erover in The Weekly Standard en schakelden denktanken, zoals het American Enterprise Institute, in als spreekgestoelte. De logica van een Amerikaanse missie die wereldwijde vrijheid zou opleveren vereiste dat immers ook. Sommigen beweren dat de logica haar oorsprong vindt in de geschiedenis van de VS, te beginnen bij de founding fathers van het land. Tegenkantingen uit Europa en Azië werden van tafel geveegd. Men deed ze af als ouderwetse, oncreatieve, laffe reacties op een nieuw tijdperk van wereldwijde democratie, die versterkt werd door de oppermachtige VS-strijdkacht.

Er zijn niet veel mensen die de neoconservatieven zullen missen. Ze voerden hun laatste nummer op in de verkiezingscampagne van presidentskandidaat John McCain. Bij zijn buitenlandse beleidsadviseurs zaten zelfs enkele prominente geestelijken, de meeste van hen mannen. Geen van hen heeft tot nu toe echter veel bijval genoten bij de adviseurs van Barack Obama.

Wijze leiders, pragmatische leiders

De invloed die de neoconservatieven onder Bush hebben uitgeoefend, is hoogst uitzonderlijk in het Amerikaanse politieke landschap. Het staat bekend om zijn sceptische houding ten aanzien van intellectuele experimenten. Een zekere mate van filistijnsheid is in de politiek ook geen slechte zaak. Intellectuelen zijn doorgaans weinig invloedrijk als ze buiten de zonderlinge omgevingen van denktanken en universiteiten vertoeven. Ze laten zich makkelijk inpalmen door invloedrijke leiders, in de hoop dat die hun ideeën ook echt zullen uitvoeren.

Maar wijze leiders zijn noodzakelijkerwijze pragmatische. Een warrige realiteit vereist immers compromissen en heel wat aanpassingen. Alleen zeloten willen dat hun ideeën tot het extreme 'logisch' worden toegepast. Een combinatie van invloedrijke leiders met autoritaire neigingen en intellectuele idealisten leidt vaak tot slechte politiek.

Dat is wat er gebeurde toen Bush en Cheney de ideeën van de neoconservatieven begonnen uit te voeren. Bush was aanvankelijk een behoedzame, conservatieve presidentskandidaat. Hij was bereid om bescheiden te zijn in de VS en nederig daarbuiten. Cheney stond veeleer bekend als een roekeloze bureaucraat dan als een man met stoutmoedige ideeën. Maar hij wou per se de uitvoerende macht van de president vergroten. Die ontvlambare mix van autocratische ambitie en misleid idealisme begon te werken kort na de aanslagen van 9/11.

Mocht Irak door een of ander wonder plots toch een stabiele, harmonieuze, liberale en democratische staat worden, dan hebben we de prijs daarvoor al betaald. Het vele Iraakse bloed en de Amerikaanse overwinningen kunnen de revolutionaire militaire interventies die de neoconversatieven zo sterk gepromoot hebben niet vergoeden. Het woord 'democratie' dat de woordvoerders van de Amerikaanse regering in de mond nemen, is besmeurd door neo-imperialistische bijbetekenissen.

Natuurlijk zijn die dingen ook al eerder gebeurd. Het idealisme van Japanse intellectuelen in de jaren dertig en veertig was ten dele verantwoordelijk voor de catastrofale Japanse oorlog die Azië moest 'bevrijden' van het westerse imperialisme. Het ideaal van een pan-Aziatische solidariteit binnen een gezamenlijke strijd voor onafhankelijkheid was in wezen niet slecht. Het werd zelfs aangeprezen. Maar de gedachte dat dat ideaal versterkt kon worden door het keizerlijke leger van Japan amok te laten maken in China en Zuidoost-Azië was rampzalig.

Ook het socialisme was een dappere en noodzakelijke bijsturing van de sociale ongelijkheid die ooit groeide uit het laissez-fairekapitalisme. Het socialisme verwaterde door compromissen die in een liberale democratie broodnodig zijn en bracht zo heel wat goede dingen teweeg in West-Europa. Maar de pogingen om socialistische of communistische idealen met dwang op te leggen, liepen uit op verdrukking en massamoord. Net daarom bekijken heel wat Centraal- en Oost-Europese landen de sociale democratie ook vandaag nog met enig wantrouwen. Hoewel Barack Obama in West-Europa bijna verafgood wordt, vinden heel wat Polen, Tsjechen en Hongaren dat hij maar een of andere socialist is.

Alles behalve conservatief

De neoconservatieven waren, ondanks hun naam, alles behalve conservatief. Ze verwierpen de pragmatische benadering van buitenlandse leiders, die op hun beurt omringd werden door 'realisten'. En hoewel de opperrealist Henry Kissinger de oorlog in Irak goedkeurde, was zijn visie op de realpolitik een van de grootste doelwitten van de neoconservatieve idealisten. Zij geloofden dat de agressieve promotie van democratie in het buitenland niet alleen een moraal was die stamde uit de Amerikaanse traditie. Het was een nationale belangenkwestie.

Er zit een kern van waarheid in die denkpiste. Ook liberalen kunnen erkennen dat het islamterrorisme een gevolg is van het gebrek aan democratie in het Midden-Oosten. Realisme, het machtsevenwicht tussen dictators die verzoenen, heeft zijn beperkingen. Democratie moet dus gestimuleerd worden, om het even waar, door de meest invloedrijke democratie op deze wereld. Toch zijn revolutionaire oorlogen niet de beste manier om dit te doen. We moeten op zoek naar een minder agressieve, meer liberale manier om democratie te promoten. We moeten internationale samenwerking benadrukken in plaats van brute militaire kracht. Het is weinig waarschijnlijk dat Obama de fouten van de neoconservatieven zal overdoen. Maar om te slagen moet hij op zijn minst enkele ideeën uit hun politieke beleidsruïnes overnemen.

© The New York Times

We moeten op zoek naar een minder agressieve, meer liberale manier om democratie te promoten. We moeten internationale samenwerking benadrukken in plaats van brute militaire kracht

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234