Maandag 14/06/2021

Hussein (12), metaalbewerker, 1,5 jaar ervaring

Hussein Bilal (12) bewerkt metaal in een atelier in het Turkse Gaziantep. In een schoenenfabriek werkt Fatme Hassan (8) twaalf uur per dag. Vluchtelingenkinderen uit het Syrische Aleppo. Er zijn duizenden Husseins en Fatmes in Turkije. Een zoektocht.

Hussein Bilal (12 jaar) is te klein om bij de enorme boormachine te kunnen, dus stapt hij eerst op een houten kratje en schuift hij dan het massieve blok ijzer onder het apparaat. Prrrrrrttt! Het toestel baant zich een weg door het metaal, de ijzersplinters vliegen in het rond. Met zijn zwart geworden handen veegt Hussein ze aan de kant.

Het is verschrikkelijk heet in de metaalbewerkingsfabriek. Husseins zwarte haar plakt in zijn nek tegen elkaar van het zweet. Het stof zit tot in zijn oren.

Aan de gevel van de werkplaats wappert de Turkse vlag. Maar de meeste werknemers in wat de 'schoenenwijk' van Gaziantep wordt genoemd, komen uit Syrië. Naar schatting een half miljoen Syrische vluchtelingen hebben een veilig onderkomen gezocht in deze stad in Oost-Turkije, op een uurtje rijden van de Syrische grens. Syriërs maken hier nu zo'n kwart van de bevolking uit.

In de industriewijk vlak bij de Romeinse citadel die uitkijkt over Gaziantep, proberen Syriërs het hoofd boven water te houden met de productie van sandalen, sneakers, instappers en pumps. Van de buitenkant lijkt het alsof er achter de brokkelige gevels zonder ramen weinig gebeurt. Maar als je door de ijzeren deuren via donkere betonnen trappen de werkplaatsen bereikt, ratelen de naaimachines en zoemen de laserprinters. Kinderen van soms pas 7 jaar oud stikken binnenzooltjes vast of plakken in een penetrante lijmlucht etiketten in damesschoenen.

Gevaarlijk werk

Hussein bewerkt metaal. Het fabriekje waar hij werkt, produceert ijzeren mallen die worden gebruikt voor het gieten van plastic of rubber schoenzolen. "Ik heb eerst anderhalf jaar bij een andere ijzerfabriek gewerkt", zegt hij. "Daar heb ik alles geleerd. Toen ik hier vorige maand begon, had ik dus eigenlijk al best veel ervaring."

Hij kan het wel even demonstreren. Hussein pakt een slijptol van de vloer, het ding reikt bijna tot zijn middel. Hij zet het apparaat op een mal voor een damesschoen met hoge hak en stuurt de draaiende schijf behendig over één kant van het blok, tot het glanst. De vrijkomende ijzerdeeltjes vormen een grijs laagje op zijn rode shirt.

Dan komt ineens de eigenaar van de fabriek binnenlopen, een Turk met lichtblauwe ogen. Hij wil niet dat Hussein in beeld wordt gebracht met de enorme slijptol in zijn handen.

"Dit werk doet hij normaal nooit", zegt de eigenaar. "Dat apparaat is veel te gevaarlijk voor een kind." Het zou maar een verkeerd beeld geven als mensen denken dat hij dit in zijn bedrijf zou tolereren.

Hussein kijkt verbouwereerd en zet enigszins teleurgesteld de slijptol aan de kant. Even later zegt hij zachtjes, buiten gehoorsafstand van zijn baas en in het Arabisch: "Het is de eerste keer dat ik mijn meester hoor liegen. Ik doe dit werk veel vaker. Maar ik denk dat hij bang werd omdat jullie buitenlanders zijn."

Het typeert de houding van veel ondernemers in de schoenenwijk, waar de bedrijven in handen zijn van zowel Turken als Syriërs. Ze doen niet bepaald geheimzinnig over het feit dat ze kinderen in dienst hebben, maar ze willen er ook niet door in de problemen komen.

De plaatselijke politie maakt zich vooralsnog echter drukker om de aanwezigheid van West-Europese journalisten in de wijk dan om kinderarbeid, blijkt even later. Twee agenten roepen de geheime dienst erbij om pers- en identiteitspapieren te komen controleren. Dat in een straal van honderd meter tientallen minderjarigen zich in donkere gebouwen illegaal in het zweet staan te werken, lijkt geen prioriteit.

"Ze knijpen een oogje toe bij de Syrische ondernemers", zegt Abu Mohamed (40) - "liever geen volledige naam". De Syriër is eigenaar van een schoenenfabriek met honderd medewerkers, van wie tientallen minderjarig. "Ze weten dat wij Syriërs het moeilijk hebben."

Hij kreeg de afgelopen jaren een handvol keren controleurs op bezoek. "Maar zoals je ziet, heb ik hier vijf verdiepingen, dus dan stuur ik de illegale werkers gauw naar boven of via een achterdeur naar buiten."

Is dit uitbuiting? De Syrische ondernemer ziet dat anders. Hij helpt zijn landgenoten overleven. "Die kinderen hebben het geld nodig, gezinnen komen niet rond als alleen de vader werkt. De huur bedraagt hier minstens 100 euro per maand, en daarvoor krijg je hooguit een bouwval."

Zo lijkt de inzet van kinderhandjes in Gaziantep te worden geaccepteerd als een onvermijdelijk kwaad, door de autoriteiten en ondernemers, maar ook door ouders en minderjarigen zelf. Want wat moet je, als de huur van het appartement elk half jaar hoger wordt en er in het gezin zes monden moeten worden gevoed?

Dromen

"Ik wil niet naar school, ik ben daar nog nooit geweest", zegt de 7-jarige Mohannad Jomjami met donkere wallen onder zijn grote ogen. Hij sorteert lapjes leer in een schoenenfabriek. Wat hij later wil worden? Hij weet het niet. "Alles", antwoordt hij dus maar. Een kind dat geen dromen heeft. Of toch wel, blijkt even later. "Ik zou wel naar de frontlinie willen", zegt hij dan. "Om te vechten voor mijn land."

De erbarmelijke leefomstandigheden maken Syrische kinderen kwetsbaar voor rekrutering. Steeds jongere Syriërs worden volgens Unicef geworven voor de gewapende strijd, met cadeaus en 'salarissen' van 350 euro per maand als lokkertje.

Er zijn geen cijfers over hoeveel Syrische kinderen in Turkije illegaal aan de slag zijn. Maar als tegen achten de duisternis over Gaziantep valt, wordt in de schoenenwijk wel iets duidelijk van de alomtegenwoordigheid van het probleem. Uit allerlei bouwvallige panden komen hordes kinderen de donkere straat op gelopen, als nachtdieren die uit hun holen komen. De 12-urige werkdag zit er weer op.

Hussein wandelt naar zijn huis, gelegen aan een smal steegje in het oude deel van Gaziantep. Zijn zusje Fatima (4) komt hem al in een roze broek tegemoet gedrenteld. Binnen zit Husseins vader, in het met tapijt bedekte eenkamerappartement waar ze met tien personen slapen. Stromend water is er niet, elektriciteit wel.

"Als ik zelf had kunnen werken, had ik mijn zoon natuurlijk gewoon naar school gestuurd", zegt Mohammed Bilal. "Niemand wil dit voor zijn kind." Maar ja, hij wijst op zijn elleboog. 'Ik ben geraakt bij een bombardement in Aleppo. Mijn zenuwen zijn zwaar beschadigd en ik kan mijn duim, wijs- en middelvinger soms niet meer bewegen. Als ik meer dan 5 kilo til, voel ik mijn vingers niet meer."

Dus is het niet de 39-jarige Mohammed, maar de 12-jarige Hussein die zich nu heeft ontpopt als kostwinner van het gezin met vier kinderen. Hussein verdient 50 euro per week. Zijn vader wijst op dochtertje Nur van anderhalf, dat op een paars matje op de vloer ligt te slapen. "Zelfs haar luiers en melk betalen we van Husseins salaris."

Het is geen uitzondering hier in Gaziantep, dat een tiener verantwoordelijk is voor het onderhouden van een gezin. In een drukkerij in de schoenenwijk sturen Ismael Halo (13) en zijn broer Kamel (15) elke week het merendeel van hun schamele salaris naar hun ouders in Syrië. Ook zijn veel kinderen door de oorlog hun vader verloren. Het onderhouden van de familie komt dan doorgaans op de schouders van de zoons terecht.

Werkende meisjes kom je in de fabrieken veel minder tegen. Het gezin Bilal koos ervoor Hussein, en niet zijn oudere zus Israa (14) of zijn stiefmoeder Maryam (28), uit werken te sturen. "Het grootste taboe bij ons is dat een vrouw gaat werken", zegt vader Mohammed. "Zo zijn wij in Syrië opgegroeid. Je moet er toch niet aan denken dat een baas in een kledingfabriek tegen een meisje of een getrouwde vrouw gaat schreeuwen of dat zij wordt onderworpen aan een slechte behandeling. Voor een man is het toch anders, die slikt wat meer. Vrouwen zijn gevoeliger."

Zusjes

Maar armoede maakt taboes vloeibaar. Achter in de hal van een fabriek die sandalen produceert voor Irak, Roemenië en Oekraïne, hangt aan het plafond een dikke beige lap die de achterliggende ruimte aan het zicht onttrekt. Stap je door de opening die erin is geknipt, dan kijken ineens tien paar vrouwen- en meisjesogen je verbaasd aan.

Fatme Hassan (8) uit Aleppo slaat witte knopen in vierkante lapjes stof, baf, baf, baf. Haar zus Imaan (11) schraapt koperkleurige kraaltjes bij elkaar voor op sandalen. Ze verdienen respectievelijk 17 en 50 euro per week, vertellen ze verlegen. Daarvoor werken ze zes dagen van twaalf uur.

In huize Bilal heeft Hussein zich na zijn lange werkdag intussen gewassen. Zijn stoffige zwarte armen krijgt hij niet echt goed meer schoon. Later, als hij groot is, wil hij het liefst zijn eigen winkel openen in Syrië, vertelt hij. "Een eigen zaak met dezelfde spullen als waar ik nu mee werk, met ijzer. Maar daar werken dan geen kinderen. Dat ik nu moet lijden, betekent niet dat anderen hetzelfde moeten meemaken."

Hij beschiet zijn zusje met elastiekjes en rolt daarna over het tapijt van het lachen. Even lijkt hij weer een normaal kind van 12.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234