Dinsdag 17/09/2019

Huisbezoek

Koné, Nieuw-Caledonië - Het weerbericht in de Nouvelles Calédoniennes doet deze voorspelling: "In de loop van de namiddag zal het betrekken zonder dat echter de indruk van goed weer zal verdwijnen."

Om halfzeven neem ik de enige bus uit Hienghène. Ik wil naar de andere kant van het eiland. De bus leidt naar de hoofdstad, Nouméa. Wie naar de westkust wil, moet na een uurtje uitstappen en op eigen houtje 69 kilometer overbruggen. Dat wil zeggen, ooit werd er een pendelbusje tussen de twee kanten ingelegd. Misschien bestaat dat busje nog, misschien niet, maar zelfs als het bestaat, haal ik de connectie niet, want de pendel vertrok/vertrekt om 6 uur.

De chauffeur laat me wat meewarig uitstappen aan de Traversée de Koné, een weg over het bergmassief, dat voor een groot deel uit nikkel bestaat.

Tot dusver ben ik enkele keren lukraak op stap geweest en telkens werd ik opgepikt door de eerste auto die me voorbijreed. Ik verwacht geen moeilijkheden. De vrouw op de toeristische dienst van Hienghène beweerde dat het makkelijker zou zijn voor een blanke dan een Kanaak. "Les blancs, tout le monde les prend avec."

Enfin, de auto's zijn schaars en ze rijden me nonchalant voorbij. Af en toe doet een chauffeur teken dat hij om de hoek zal stoppen, wat hij dan waarheidsgetrouw doet.

Ik stap gezwind door de koele ochtend. Ik klim boven een riviertje. Ik stap door een vermoeden van regen, dat toeneemt vooraleer het weer verdwijnt. De indruk van goed weer bestaat nu al niet. Voor de ochtend was onbewolkte zon voorspeld.

Ik stap al ruim een uur, en er zijn, de twee rijrichtingen opgeteld, twintig auto's gepasseerd.

Ik kom een bewoner tegen, die me bemoedigend toeknikt.

"Tu vas où, là?"

Hij wijst me erop dat er een briefje van 10.000 francs pacifiques, ofte 80 euro, uit mijn broekzak dwarrelt. Andere briefjes zitten klaar voor de val. Blijkbaar drijft de wrijving van de rugzak het geld uit mijn broek. Blijkbaar zijn die briefjes van 10.000 superglad.

Hoe gênant.

"Niet zo gênant als geen geld te hebben."

Het vermoeden van regen wordt weer sterker. Ik stap verder.

De bewoner maakt rechtsomkeer en roept me achterna.

"He monsieur, tu veux pas boire un café?"

Wat graag.

"Ik zou niet graag hebben dat je een verkeerde indruk krijgt van Kanaken. Wij zijn vriendelijke lieden. En het overkomt ons niet zo vaak dat we een reiziger in de buurt hebben."

De jongeman stelt zich voor als Patrick en de praatvaar brengt me naar de case van zijn oudere, zwijgzame broer, Lionel.

"Is Duitsland groot?"

Ze zijn allebei moe van het nachtelijk tv-kijken (door het tijdsverschil van negen uur spelen de wedstrijden van de Wereldbeker hier tussen middernacht en acht uur in de ochtend). Ze rollen hun eerste joint van de dag. Ze zijn boeren, ze planten alle mogelijke eetbare wortels en knollen, maniok, taro, yam, zelfs aardappels. Maar vandaag is te nat, en zijn ze te moe, voor arbeid.

Zo groot als Frankrijk, ongeveer. Minder land maar meer bewoners.

Ik weet niet of mijn uitleg na de hereniging nog klopt. Het doet er ook niet toe. De broers leven hun leven op Grande Terre, een eiland ter grootte van de helft van België. Ze hebben dat nooit verlaten, ze verlaten zelden hun ouderlijke boerderij, waar de uitgebreide familie vertoeft.

"Heeft Duitsland ook kolonies?"

Niet langer.

Het water kookt intussen. De kop die Patrick met voorzet is groot genoeg om een baby in te baden. De pot Nescafé daarentegen is nagenoeg leeg. De broers zeggen dat ik me maar moet bedienen. Zij vermengen de chocoladedrank, Milo, met veel suiker.

Ik schraap de bodem uit de pot, giet zo min mogelijk water in mijn babybad.

"Ik weet niet of je daar al iets van gemerkt hebt, maar dit land, althans de Kanaken, zijn in depressie. Tien jaar geleden nog was Nouméa een vriendelijke stad. Nu zijn mensen er nors en ontevreden."

Waarom?

Hij wijst naar de poster van Bob Marley, die aan een deur hangt.

"Bob Marlé heeft ons de weg getoond. Het leven hoort goed en makkelijk te zijn, en de mensen moeten hun vrijheid gebruiken. Dit is het ideale land voor zo'n leven. Maar de realiteit is totaal anders, wat wij wijten aan de Franse aanwezigheid. Alle gebruiksgoederen zijn duur. Jongeren vinden geen werk. We hebben geen halve cent op zak. Wij werken een week om ons een pot Milo te kunnen kopen. Toevallig verbouwen we geen cacao, maar zelfs cacaoboeren moeten een week werken voor ze zich een pot verwerkte cacao kunnen aanschaffen. Dat is niet zoals wij de wereld wensen, quoi."

"We leven op een nikkelberg. Men zegt ons dat we minstens nog honderd jaar nikkel in onze ondergrond hebben. We kunnen ons geluk niet op. Men heeft beslist dat er twee fabrieken komen, die voor werkgelegenheid zouden zorgen, en het eerste bericht dat daarop volgt is dat er charters ingelegd worden om goedkope Filippijnse arbeiders aan te voeren. Die arbeiders, vertelt men ons, zouden per maand 30.000 francs (250 euro) verdienen, terwijl lokale arbeid minstens het viervoud kost. Als die enkele honderden Filippino's hier blijven, hebben we er weer een groep bij die ons land afpakt. Goed en makkelijk? Dit is niet goed en makkelijk."

Die fabrieken komen er met instemming van de politieke vertegenwoordigers van de Kanaken.

"Wat bewijst dat die vertegenwoordigers ook verkocht zijn aan een systeem waar we niet beter van worden. Hier moet fundamenteel iets veranderen. Misschien willen we geen nikkelexploratie die ons milieu verknalt. Misschien willen we geen systeem van Franse invoerheffingen die het leven zo duur maken. Misschien willen we gewoon leven, wat werken, een joint roken, en gelukkig zijn."

Wat dan nog illegaal is - die joint dan toch.

"Dat neemt toch niemand meer ernstig."

"Vele mensen van onze leeftijd", aldus Lionel, die voor het eerst zijn zwijgen verbreekt, "werken niet langer. Ze zien er het nut niet van in voedsel te verbouwen. Hoe erg is dat?"

Ik stap terug naar de weg. Waar het vermoeden van regen verandert in een stortbui. Ik begin eruit te zien, stel ik me voor, als een verdronken poedel, wat automobilisten niet milder stemt. De ene na de andere rijdt me voorbij.

Tot Philippe, een inspecteur van openbare werken, me rond de vijftiende kilometer oppikt. Hij spreekt geen woord en rijdt 140 per uur op wegen die tegen de helft van die snelheid gevaarlijk zouden zijn.

Hij deponeert me aan de afslag op 5 kilometer van Koné, waar de eerstvolgende auto me tot mijn bestemming brengt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234